Haat verwarmt het hart

​De geheimen van Parijs had de titel kunnen zijn van Umberto Eco’s 19de-eeuwse ‘feuilletonroman’, aldus Pieter Steinz. De hoofdpersoon is een vervalser, smulpaap en verstokte antisemiet.

Er valt een fijn kookboek te destilleren uit de nieuwe roman van Umberto Eco. De hoofdpersoon van De begraafplaats van Praag is namelijk niet alleen een weerzinwekkende moordenaar en een onverbeterlijk antisemiet, maar ook een smulpaap van formaat. In vrouwen is hij niet geïnteresseerd, zegt hij zelf; seks laat hem siberisch; maar voor een goed klaargemaakte zeeschildpad of een pasta met sardientjes en stokvis kun je hem midden in de nacht wakker maken. En om de lezer te doen watertanden, geeft hij graag het recept van acqua cotta (een soep voor over een paar sneeën brood) of van salade Francilion (met als belangrijkste ingrediënten aardappelen, mosselen, een half glas Château d’Yquem en ‘dunne plakjes in champagne gekookte truffel’).

Soms lijkt het of je zit te lezen in het legendarische Groot Keukenwoordenboek van Alexandre Dumas en dat is ongetwijfeld geen toeval, want als er één schrijver is wiens geest vaardig is over de langverwachte roman van Eco, dan is het Dumas-père. Zijn avonturenromans, vol wraak, moord en dubbelspionage, waren Eco’s grote voorbeeld; zijn stijl, gekenmerkt door uitweidingen en sensationele effecten, schemert door de 500 pagina’s heen; zijn naam wordt door de hoofdpersoon vaak genoemd omdat hij ‘waarlijk een groot kenner van de menselijke geest’ is, en bovendien een eersteklas gastronoom. Dumas is zelfs een personage in De begraafplaats van Praag: we komen hem tegen in de strijd om de Italiaanse eenwording (rond 1860), wanneer hij in Palermo fondsen werft en die ter beschikking stelt van de vrijheidsstrijder Garibaldi.

Voor Simone Simonini, de ik-figuur die samen met een naamloze ‘Verteller’ het woord doet in De begraafplaats van Praag, is de schrijver-activist Dumas de belichaming van de 19de eeuw. Voor Umberto Eco trouwens ook. De Graaf van Montecristo is het lievelingsboek van de Italiaan, en zo’n roman-in-feuilletons heeft hij naar eigen zeggen willen schrijven. Hij verzamelde zelfs zijn hele leven illustraties die zo’n moderne pastiche zouden kunnen illustreren – en die zijn dan ook afgedrukt in zijn nieuwe roman. Eco bewijst eer aan de 19de eeuw, zoals hij de Hoge Middeleeuwen deed fonkelen in De Naam van de Roos (1980), de waanzinnige 12de eeuw in Baudolino (2000) en de Italiaanse jaren dertig in De mysterieuze vlam van koningin Loana (2004).

Behalve voor Dumas breekt Eco in zijn nieuwe roman een lans voor Eugène Sue, auteur van de sensationalistische blockbuster Les mystères de Paris (1842-43). ‘De geheimen van Parijs’ had ook de titel kunnen zijn van De begraafplaats van Praag, want nadat het Simone Simonini in de chaos van de Italiaanse Risorgimento te heet onder de voeten is geworden, arriveert hij in Parijs, het centrum van de Europese politiek. Een verzamelplaats van monarchisten, republikeinen, anarchisten en terroristen, waar een slimme dubbelspion en een kundig vervalser goud geld kan verdienen.

Of Simonini een goede dubbelspion is, blijft de vraag – een van de grappen die Eco uithaalt in het boek is dat hij zijn hoofdpersoon laat worstelen met het feit dat hij een dubbelganger heeft. Maar een kundig vervalser is hij wel. Sterker nog: volgens De begraafplaats van Praag wordt Simonini uiteindelijk de maker van de beruchtste vervalsing uit de geschiedenis, de Protocollen van de Wijzen van Zion. In dit zogenaamde verslag van een bijeenkomst op het Oude Joodse Kerkhof in Praag zouden twaalf joodse notabelen hun plannen voor de verwezenlijking van de wereldheerschappij hebben neergeschreven. Het werk verscheen in 1903 in Rusland, werd in 1921 ontmaskerd als verzinsel en zou niet alleen een voorwendsel worden voor Hitlers Endlösung maar ook voor het hedendaags antisemitisme in de Arabische wereld.

‘Wie documenten wil vervalsen, moet zich altijd terdege documenteren,’ vindt Simonini, en hij leeft naar die opvatting. De Protocollen zijn uiteindelijk het resultaat van zijn ontmoetingen en gesprekken met diverse kleurrijke en schimmige figuren over een periode van vijftig jaar: de revolutionaire satiricus Maurice Joly, de Duitse antisemiet Herman Goedsche (die voor zijn roman Biarritz een bijeenkomst van joodse rabbijnen verzon) en de Russische Geheime-Politiechef in Parijs Ratsjkovski, die pijnlijk duidelijk maakt waar de wortels liggen van het antisemitisme van de Russische staat: ‘De nationale identiteit is het laatste houvast van de proletariërs. En ons identiteitsgevoel is nu eenmaal gebaseerd op haat, haat jegens degene die niet op ons lijkt. We moeten ervoor zorgen dat haat dé drijfveer van de burger wordt. […] Haat is de oerpassie. Liefde, dat is een abnormale toestand. […] Haat verwarmt het hart.’

Ook Simonini’s antisemitisme is zwak gefundeerd; het is zijn grootvader die hem met de krankzinnigste vooroordelen over joden heeft vervuld, en op een gegeven moment verzucht hij (in een passage vol Ecologische ironie): ‘Ik begon er spijt van te krijgen dat ik in mijn leven nooit een jood had willen ontmoeten, want ik kwam er steeds meer achter dat mijn kennis van het object van mijn weerzin grote lacunes vertoonde.’ Het is een van de vele passages waarin Eco zich verkneukelt om de ongerijmdheid van het antisemitisme die misschien wel het belangrijkste thema van De begraafplaats van Praag is. Simonini haat eigenlijk iedereen, zoals hij in het ijzersterke begin van de roman in een lange monoloog duidelijk maakt: Fransen, vrouwen, jezuïeten, vrijmetselaars en bovenal de joden, al heeft hij baat van de adviezen van de ‘dokter Froïd’ die hij in Parijs tegen het lijf loopt.

Voor Eco zijn De Protocollen van Zion de spectaculairste manifestatie van de paranoia die zijn inziens de 19de eeuw regeerde, en die alomtegenwoordig is in de romans van Dumas en Sue. Zoals Simonini opmerkt: ‘Ieder zijn eigen samenzwering. […] Omdat niemand ervan uitgaat dat zijn rampspoed toegeschreven kan worden aan zijn eigen onvermogen, zal hij een schuldige willen aanwijzen.’

Everyone loves a conspiracy
, schreef Dan Brown in The Da Vinci Code, het boek dat in veel opzichten een popularisering was van Eco’s tamelijk ingewikkelde samenzweringsroman De slinger van Foucault (1988). In De begraafplaats van Praag doet Eco een poging om het terrein van historisch- culturele thriller weer terug te veroveren op de Amerikaanse bestsellerschrijver. En passant geeft hij hem tussen de regels door nog een veeg uit de pan door Simonini tekeer te laten gaan tegen de 19de-eeuwse broodschrijvers die niets schreven ‘wat niet reeds elders was neergeschreven’ en mengelmoesjes wrochtten van ondergrondse culten en occulte wetenschappen.

Maar is Eco geslaagd in zijn opzet? Heeft hij met De begraafplaats van Praag een boek geschreven dat zowel de Dan Brown- en de Dumaslezers als de liefhebbers van de intellectuele bibliothriller kan bekoren? Niet helemaal. Zijn roman is geestig, slim en goed geschreven, maar niet spannend. En hoewel je niet kunt ontkennen dat je flink wat opsteekt van de (verborgen) geschiedenis van de 19de eeuw, moet je tegelijkertijd erkennen dat Eco geen maat heeft kunnen houden. De roman wemelt van de namen, stromingen en ingewikkelde uitweidingen. In die mateloosheid lijkt Eco op Simonini – iets wat je des te gemakkelijker mag zeggen na het lezen van een zin als deze: ‘Ik heb wel eens gehoord dat alle grote vertellers altijd zichzelf beschrijven in hun personages.’

Voor de liefhebbers van Eco is De begraafplaats van Praag onweerstaanbaar – door de plot (wie is toch die onbekende perverseling die de Protocollen schreef?), door de literair-historische verwijzingen (onder meer naar Joseph Conrads terroristenroman The Secret Agent) en door de humor (‘dysenterie verzekerd, voor een schappelijke prijs,’ schrijft Simonini over een slecht restaurant). Maar bij de lezer met minder geduld zal deze moderne versie van De geheimen van Parijs al snel half gelezen op de salontafel stranden. Commercieel gezien hoeft Dan Brown zich voorlopig geen zorgen te maken.

Eco en de ‘protocollen’
Het is de eerste keer dat Umberto Eco (Alessandria, 1932) een hele roman wijdt aan zijn geliefde 19de eeuw. Maar het is niet voor het eerst dat hij schrijft over zo zogenaamde Protocollen van Zion (1903). De antisemitische megavervalsing figureert in zijn roman De slinger van Foucault (1986) en komt ook uitgebreid voor in de verzameling literatuurwetenschappelijke essays die in het Nederlands zijn vertaald als Over literatuur (1994).

Eco is sowieso dol op vervalsers en vervalsingen; ze spelen een belangrijke rol in De slinger van Foucault, in zijn meest autobiografische roman De mysterieuze vlam van koningin Loana (2004), en vooral in Baudolino (2000), dat onder andere gaat over reliekenvervalsing in de 12de eeuw.

Freddy Rikken, NRC Boeken, 25 januari 2011