Stadsgedicht

Barmhart

Stel. Je bent een man. Zesendertig jaar. Afkomstig
uit Iran. Je zocht hier asiel. Alles volgens de regels.
Je procedeert. Je mist je kinderen. Je mist je vrouw.
Je mist je vrienden, je geschiedenis, je mist je land.

Je staat er alleen voor. Je maakt ruzie met passerende
toeristen, zij wel. Zie ze gaan. Dikbuikigen, wat kan het
ze schelen, voor hen spreekt alles vanzelf. Maar niet voor jou.
De rijkdom, de kooplust, de snackbar. Je wordt niet gehoord.

Je staat op de Dam en je bent in de war, zeggen ze. Vele
getuigen bevestigen. Een gek. Hoe hard je ook schreeuwt
over je afwezige kinderen, hou toch je bek. Flauwekul.
Stel. Het is woensdagmiddag, het is verschrikkelijk lente

en je staat op de Dam. In het hart van de stad. Vlak voor
een of ander monument. Je waarschuwt nog: blijf uit mijn
buurt. Twee minuten later is het gebeurd. Voor de getuigen
is er slachtofferhulp. Netjes geregeld, alles. Uitgeluld.

F. Starik