Stadsgedicht

Elf halfdode geraniums

I

Zondagmorgen zonneschijn. Ik zit bij mijn lief
in Utrecht in de tuin en lees een boek over iets
anders dan ik eigenlijk zou moeten doen want
dadelijk, ja straks, wordt Ajax zeker kampioen.

Half twaalf en nog niet aangekleed: in mijn lege
broek in de slaapkamer ontvangt mijn telefoon
een sms: een vriend wil vragen of ik kijken kom.
Lief vraagt lief of ik een gat kan boren in de om-
heining van de tuin, maar het boortje dat ik daar
voor nodig heb is afgebroken. Zondag. Zonneschijn.

We slenteren naar de bouwmarkt. Daar moet ik
mijn broek voor aan. Ik sms mijn vriend: zit nog
in Utrecht, neem eind van de middag de trein.
Nu we toch bij de bouwmarkt zijn: de laatste elf
halfdode geraniums tegen afbraakprijs gescoord.

Ik vergeet waar het om begon en boor een gat
en plaats een plant, zet dan de televisie aan
maar zie alleen maar tafeltennis daar.
We moeten door. Station.

Tien over vier vertrekt de trein naar Amsterdam.
Ik sms mijn vriend. Hij antwoordt niet. Verlenging?
vraagt Lief ongerust. Bij de Arena zien we mannen
met fluorescerende vestjes staan.

Mijn vriend, die kennelijk een andere
televisie bezit dan ik, stuurt eindelijk
het verlossende bericht. Ik heb haar niet
voor niets gekust. Zondagavond zonneschijn.

II

Zondagmiddag zonneschijn. We stappen uit de trein.
De stad schreeuwt, joelt, zuipt. Gillende helikopters
verduisteren de zon. Alles wat rijdt krijgt de toeter
niet meer uit. Er moet iets verschrikkelijks gebeurd zijn.

Grotendeels bezopen reizigers hebben zeker iets
meegemaakt, gebeurt ze anders nooit. Goed moment
om dingen stuk te maken. Hersenloze housemuziek
dreunt door de straten. Onverstaanbaar klinken

de gezangen: wij zijn de baas, of zoiets. Mooi.
Ik wil best geloven dat vreugde rotzooi oplevert, dat
je eens genadeloos dronken wordt, jezelf gaat uitlaten

zoals een hond dat nodig heeft, de hond daarna
doodslaat of een fiets – anders gaat het maar roesten,
maar wees nu eens eerlijk, misschien zijn we vergeten

hoe we echt blij kunnen zijn, niet hoe het moest.

F. Starik