Sonnet van Patty Scholten

​Matkopmees

Ach, Priegel heeft een vogeltje genekt.
Ik zie bij ’t opstaan veertjes overal,
maar geen klein lijk in kamers of de hal.
De kat beschouwt mijn zoektocht stilgebekt.

Ik ga aan ’t werk. Daar zit hij, grijsgevlekt
en sfynxt me aan, of ik hem redden zal.
Ik grijp doortastend naar de verenbal
en heb hem met mijn handen toegedekt.

Hij pikt naar me, het snaveltje gesperd,
maar dat is goed voor zaden, fluitconcert
en niet geschikt om mensen te verwonden.

Ik open ’t raam. Voor Priegel geen dessert.
Hij is gevlogen, werd  te licht bevonden.
Ik  heb hem naar zijn hemel teruggezonden.

Patty Scholten