Magere Woorden: Maarten Doorman

Op 28 maart vond ‘Magere Woorden’ plaats. Dit programma, georganiseerd in Samenwerking met De Optimist, ging over de urgentie van literatuur en het schrijverschap. Arjen Fortuin, Manon Uphoff, Maarten Doorman, Yves Petry en Arjen van Veelen spraken hun mening uit over het onderwerp.

 

De vermeende facebookisering van de literatuur.

Gaat het soms niet goed met de literatuur? Ik hoor gemor om mij heen. En dan niet alleen over het wankelende Selexyz-imperium of de vermeende teloorgang van het boek, dat na vele eeuwen begint op te lossen in digitale tekst door internet, iPad en kindle. Nee, ik hoor kommervolle geluiden over de schrijver van tegenwoordig. Een nieuwe generatie schrijvers, zo wil de veel gehoorde klacht, is er niet meer op uit om een originele bijdrage aan de literatuur te leveren: het gaat nu eerder om een bijdrage aan zijn of haar eigen reputatie. Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) wijdde er onlangs een avond aan.

Een boek publiceren is goed voor je imago. Je kunt er op Facebook mee voor de dag komen. Als het goed aanpakt en je geluk hebt is het een shortcut to fame. Uitgeverijen zoeken op hun beurt naarstig naar jong talent dat zichzelf goed kan presenteren, vrouwelijk schoon geen bezwaar, en bekende Nederlander nog minder. De schrijvers zelf hebben niet altijd even veel te melden, maar vijlen net zo lang aan hun i-Proza tot de eigen wederwaardigheden, relatiebeslommeringen, familieproblemen en jeugdherinneringen tot literatuur zijn opgeschaald. De schrijver, ooit een visionair en een vertolker van andere werelden, is een zzp-er geworden die erin slaagt het eigen narcisme met een boek te gelde te maken. Wat is in deze optiek vandaag de dag dan eigenlijk nog literatuur? Literatuur is het voortzetten van Facebook met andere middelen.

Dit soort gemopper is geen onzin. Het romantische schrijverschap heeft veel aan allure ingeboet. Dat schrijven uitdrukking moet geven aan iets dat groter is dan onszelf, aan een wereld van verbeelding, die iets zegt over de plaats waar we leven en de tijd waarin we ons er doorheen slaan, is niet meer zo vanzelfsprekend. Natuurlijk zijn er nog volop Nederlandse en Vlaamse schrijvers met een eigen, niet autobiografische thematiek in de traditie van de grote roman. En over de grens veel meer. Schrijvers voor wie werk en eigen besognes niet vanzelfsprekend samenvallen.

De Amsterdamse hoogleraar neerlandistiek Thomas Vaessens deed een paar jaar geleden in De revanche van de roman (2009) een poging om te laten zien dat een dergelijke, op de wereld betrokken literatuur na het postmodernisme toch weer zijn weg had gevonden. Volgens hem was het engagement terug en keken sommige schrijvers weer om zich heen. Maar prachtig geschreven romans van de negentiende eeuw, van een Victor Hugo of Flaubert, zijn die nog wel van deze tijd? De geëngageerde, meeslepende verhalen van Zola, poëzie met een wereldbeeld als dat van T.S. Eliot, de ideeënromans van een Thomas Mann? Hebben die nog bestaansrecht?

Dat is de vraag. De ‘revanche’ van de roman was volgens Vaessens slechts mogelijk wanneer we niet de hele tijd over stijl en vorm bleven zeuren, iets wat lang cruciaal was geweest voor de literatuur. Onze romantische literatuuropvatting ligt inmiddels klaarblijkelijk minder voor de hand dan twee eeuwen letterkundige bloei ons zouden doen geloven. Zeker als we de platte bestsellercultuur en de digitale verdamping van het boek onder ogen zien. Daar kan de schrijver van nu zich niet aan onttrekken.

Dat roept de volgende vragen op. Moet de hedendaagse schrijver een zelfstandige ondernemer zijn die naast een zekere schrijfvaardigheid toch vooral in staat is zichzelf op de kaart te zetten door op televisie te verschijnen en in de sociale media maximaal aanwezig te zijn? Of is de schrijver een meer of minder geniale eenling, wiens eigenheid schuilt in een briljante stijl en een persoonlijk wereldbeeld dat niets met zijn of haar eigen leven te maken hoeft te hebben? Facebook of zolderkamer, De Wereld Draait Door of eenzaam sappelen met een halve schrijversbeurs, fast literature of stilistisch meesterschap voor de fijzinnige liefhebber, elitevermaak of volkscultuur, Oprah Winfrey’s leesclub voor miljoenen of een bescheiden nichemarkt, waar gaat het nu om?

Wie zich dit afvraagt zou eens stil moeten staan bij het oerbeeld van de romantische schrijver, want aan dat beeld ontlenen wij nog steeds ons idee van literatuur. Neem de jong gestorven Lord Byron, het prototype van de romantische dichter. Zijn leven, uiterlijk en gedrag hadden alles wat een literair genie maar nodig heeft. Om te beginnen zijn afstamming: zijn vader en grootvader van moederszijde pleegden zelfmoord, impotentie en hypochondrie doken telkens even erfelijk als hinderlijk op en zijn grootouders waren neef en nicht. Byron zelf had nauwelijks baardgroei en hij hinkte wegens een aangeboren afwijking aan zijn voet. Hij was excentriek en flamboyant, kreeg een verhouding met zijn halfzus bij wie hij vermoedelijk een dochter verwekte, leed onder heftige depressies, had talloze affaires met mannen en vrouwen, dronk, gokte, maakte schulden, vocht, was verslaafd aan opium, reislustig en lichtgeraakt. Hij provoceerde de burgerij waar hij kon en deed vooral jonge vrouwen door zijn aanwezigheid in katzwijm vallen. Waar Byron verscheen ging een golf van opwinding door de zaal. Als dat geen schrijver was!

Dat kon hij trouwens best goed: schrijven. En hoewel zijn werk zelden zuiver autobiografisch is, schemert zijn bewogen leven op allerlei manieren door zijn poëzie. Dat is niet gek, want vanaf de romantiek gaat het er bij schrijven in de eerste plaats om, uitdrukking te geven aan de eigen belevingswereld. En die valt onvermijdelijk nogal eens met het eigen leven samen. Als we dit bedenken wordt het niet zo makkelijk om de zojuist opgeworpen vragen ondubbelzinnig te beantwoorden.

Zeker, Lord Byron had verheven idealen over het schrijverschap, zijn verbeelding was groter dan zijn toch behoorlijk imposante eigen avonturen en op het eerste gezicht staat hij wel erg ver af van de narcistische zzp-er van vandaag. Maar gaf hij in werk en leven niet vooral ook uitdrukking aan zichzelf op een manier die je best als een oervorm van de rusteloze activiteit op Facebook kunt zien? Als een expressie van het zelf?

Misschien was het alleen narrigheid toen hij in Cambridge met een levende beer op college verscheen, nadat het hem verboden was om zijn hond mee te nemen. Maar zijn zucht tot provocatie had iets behoorlijk zelfbewusts. Hij noemde zichzelf vanwege die horrelvoet al vroeg le diable boiteux, de hinkende duivel, en maakte zo van een gebrek juist een waarmerk van zijn unieke persoonlijkheid. Er wordt gezegd dat deze ongeremde wildebras ’s nachts met krulspelden sliep en de exotische kleren waarmee hij zich uitdoste en de manier waarop hij zich liet schilderen laten zien dat hij bepaald niet onverschillig stond tegenover het beeld dat anderen van hem hadden.

Tegelijk zag hij in, dat de herleiding van zijn geschriften tot de feiten van zijn leven het werk banaal maakten. Ook de dichter William Wordsworth had om die reden een hekel aan de biografische belangstelling voor zijn werk. Toch nodigde hij een biograaf bij hem thuis uit, ene Barron Field, om hem later weer het recht te ontzeggen over zijn leven te publiceren. Het strookte kennelijk niet met het gewenste zelfbeeld. Romantische schrijvers waren met andere woorden van meet af aan bezig, zich om hun reputatie te bekommeren en werkten er hard aan het imago van een genie aan de buitenwereld te tonen.

Een goede strategie was de mythe van de miskende dichter, wiens onsterfelijkheid pas na zijn dood zou worden erkend, terwijl hij als een zwerver en geslagene door het leven moest gaan. Denk aan Charles Baudelaires beroemde gedicht over de albatros, de ‘prins der hemelsferen’ die door matrozen gevangen wordt en op het dek bespot: ‘De een brandt met een pijp zijn snavel en de ander / Hinkt honend het onmachtig dier na dat eens vloog!’ Eenmaal tussen het scheepsvolk ziet dit symbool van de dichter er belachelijk uit met die grote vleugels. ‘Gebannen aan de grond, waar spotters hem kleineren, / Wordt hij door reuzenwieken in zijn gang gestuit.’

Toch, zo schrijft Baudelaire in Le Spleen de Paris, kan een dichter zich best redden wanneer hij zich in vermomming in de menigte begeeft. Sterker nog, plezier hebben in de massa is een kunst. Want is er voor de dichter niet altijd een wisselwerking tussen menigte en eenzaamheid? En met die constatering belanden we in de hedendaagse literatuur, die nog altijd romantischer is dan wij denken. De zogenaamde Grote Drie van onze naoorlogse letterkunde provoceerden het publiek niet minder dan deze romantici. Willem Frederik Hermans door zijn polemieken in de krant, Harry Mulisch door zijn levensstijl van teruggetrokken beroemdheid en Gerard Reve door zijn onnavolgbaar ironisch vermengen van autobiografie, fictie en zelfstilering. Reve was een meester in publiciteit; zijn televisieoptredens zijn legendarisch.

Omdat de urgentie van het schrijverschap al sinds de romantiek niet meer zonder een of ander vorm van expressie kan, is de ijver waarmee jonge schrijvers zichzelf presenteren helemaal niet zo nieuw. De eigen wederwaardigheden van de schrijver, zijn of haar relatiebeslommeringen, familieproblemen en jeugdherinneringen spelen al tweehonderd jaar een rol in de literatuur. Dat geeft niets, zolang het goed wordt opgeschreven. En daar ontbreekt het wel eens aan. Net als vroeger, toen niet alles beter was. Als de roman al een revanche nodig heeft, en voor revanche is het nooit te vroeg, dan zijn daar niet alleen ideeën voor nodig, maar ook een overrompelende stijl.

Natuurlijk, de media zijn behoorlijk veranderd; zo’n stijl is op Facebook niet overal te vinden. Televisie heeft enorme invloed en verdraagt geen bedachtzaam formulerende schrijvers of auteurs die hun geestigheid te veel in lange zinnen verpakken. Door de verwoestende veelheid boeken is het onderscheid tussen wat goed is en minder hoe dan ook steeds moeilijker. Maar het probleem is hier niet de ‘facebookisering’ van de literatuur. Die is van alle tijden. Het probleem is eerder, dat de literaire kritiek niet voldoende in staat is en te weinig ruimte in die media krijgt om dat onderscheid te maken. Het heeft geen zin nieuwe media of jonge ijdeltuiten de schuld te geven van het ineenzakken van de literatuur. Die zakt ook helemaal niet ineen. Waar het om gaat is steeds het gesprek over kwaliteit gaande te houden. En dat lukt nooit door media of nieuwe generaties aan te klagen.

Dit is de bewerkte tekst van een lezing die Maarten Doorman onlangs hield bij SLAA in De Balie te Amsterdam. De tekst verscheen op 14 april jongstleden ook in De Volkskrant.