Magere Woorden: inleiding door Arjen Fortuin

Op 28 maart vond ‘Magere Woorden’ plaats. Dit programma, georganiseerd in Samenwerking met De Optimist, ging over de urgentie van literatuur en het schrijverschap. Arjen Fortuin, Manon Uphoff, Maarten Doorman, Yves Petry en Arjen van Veelen spraken hun mening uit over het onderwerp.

Afgelopen vrijdag schreef Tim Parks een groot stuk in NRC Handelsblad over het moderne schrijverschap. Hij had het over ‘een botsing die bestaat tussen de idee van schrijven als romantische, antiburgerlijke roeping en de noodzaak voor de beroepsschrijver zich te moeten inlaten met een geoliede reclamemachine.’
Over het algemeen valt het met die geoliede reclamemachine in Nederland wel mee. Die bestaat doorgaans uit vijf telefoontjes naar de redactie van het televisieprogramma De Wereld Draait Door, een boekpresentatie ‘ten huize van de uitgeverij’ van vijf tot half negen, één advertentie ter grootte van een Caraïbische postzegel op de voorpagina van een kwaliteitskrant, nog vijf telefoontjes naar de redactie van De Wereld Draait Door, een signeertoernee langs vier grote boekhandels (waarvan er drie failliet zijn), vijfhonderd door de Randstad verspreide affiches voor de nieuw te verschijnen roman en de laatste tien telefoontjes naar de redactie van De Wereld Draait Door, in het beste geval uitmondend in een aangekondigd bliksembezoek van een van De Jakhalzen van dat programma, dat helaas wegens complicaties bij de productie op het laatste moment toch geen doorgang kan vinden.

Maar die reclamemachine is niet iets wat de schrijvers overkomt. Sterker nog: de beginnende schrijver eist al gauw een geoliede reclamemachine: debutant Peter Buwalda liet in zijn contract voor Bonita Avenue vastleggen dat er een bepaald minimumbudget aan marketing besteed zou worden. Wel sloot hij zich eerst vijf jaar in huis op, geheel volgens het oude romantische kunstenaarsideaal, om zijn boek te schrijven. Laatst zei hij op televisie dat hij het schrijven zo miste: al een jaar lang was hij alleen maar met ‘dat boek’ bezig geweest. Dat boek, dat eigenlijk al af was.
Parks schreef ook: ‘Niemand verwacht nog iets echt nieuws. Alleen maar nieuwe versies van het oude. Steeds wanneer ik recensies schrijf of in een jury zit, kom ik zorgvuldig geschreven romans tegen ‘die aan literatuur doen’ zoals we die kennen. Literaire fictie is een genre geworden als alle andere, langs gebaande paden, met een voorspelbare ontknoping en beladen met een tamelijk beperkt en platgetreden staaltje progressieve westerse wijsheid.’

Veel nieuwe versies van het oude. Laatst vroeg ik een literair agent of er nog interessante nieuwe schrijvers in de pijplijn zaten. Ik kreeg een handig overzichtsmailtje waarin de schrijvers keurig stonden gerubriceerd:
- Nieuwe Claus.
- Nieuwe Heijermans.
- Nieuwe Homerus.
- Nieuwe Rascha Peper.
- Nieuwe Pamuk.
- Nieuwe Sonny Boy.
- Nieuwe Rob Wijnberg.
- Nieuwe Justine Henin (maar dat was Kim Clijsters, die ook een boek heeft gemaakt).

Voor de duidelijkheid: het zijn niet allemaal slechte schrijvers, integendeel. Verwarrend is het wel, zoals P.F. Thomése in zijn Verweylezing over Arnon Grunberg zei: ‘We hadden een nieuwe Reve, die ineens een nieuwe Hermans bleek te zijn’. Thomése zelf heeft ook een dergelijke ontwikkeling doorgemaakt: van de nieuwe Hella Haasse tot de nieuwe… nu ja, daar ben ik nog niet helemaal uit; en Thomése misschien zelf ook wel niet.

Parks ging verder: ‘Kortom, een quasi-onconventioneel publiek is dol op de notie van de opstandige, of tenminste wonder boven wonder onafhankelijke schrijver. En wil hij succes boeken, dan moet diezelfde schrijver ontvankelijk zijn voor de logica van een gestroomlijnde machinerie, die hem van de weeromstuit aanmoedigt om een onconventioneel imago te kweken. Dat is een aansporing tot hypocrisie.’
Dat is dus wat wij zijn, een quasi-onconventioneel publiek. De mensen die, om maar eens een voorbeeld te noemen, de schrijver Jan van Mersbergen in de armen sluiten bij zijn zevende boek. Niet omdat dat nu speciaal zijn beste boek is – het is wel een goed boek, daar niet van – maar omdat het over carnaval gaat en Jan van Mersbergen daar geestig, en ook verbijsterend enthousiast, over kan vertellen. Toen hij nog boeken over proefdieren, boksers en stierenrennen schreef was dat veel minder. Daar willen mensen kennelijk niet over praten.

Een schrijver heeft aandacht nodig om boeken te verkopen, en een verhaal om aandacht te krijgen. En dat verhaal is niet het verhaal dat hij net heeft geschreven en heeft laten drukken, maar een ander verhaal – het liefst wel iets dat er iets mee te maken heeft. Dat aandacht trekken gaat voor een beroemde schrijver relatief eenvoudig. Debutanten zijn steeds creatiever: Hanna Bervoets maakte een Facebookprofiel aan voor Flora Vos, de hoofdpersoon van haar debuutroman Of hoe waarom. Daarna stuurde haar uitgeverij een persbericht.
Renske Jonkman verspreidde duizend mapjes in treinen met een hoofdstuk van haar debuutroman, compleet met wat leek op aantekeningen van een redacteur. Tientallen mensen boden aan het ‘manuscript’ terug te sturen. Daarna stuurde haar uitgeverij een persbericht.
Christiaan Alberdingk Thijm liet een zelfverzonnen advocatenkantoor een strenge brief sturen aan boekwinkels met de mededeling dat zij van rechtswege in gebreke bleven als zij geen exemplaren van zijn boek bestelden. Daarna stuurde zijn uitgeverij een persbericht.
Henk van Straten schreef een heel boek genaamd Superlul om aandacht te trekken voor de roman waar hij zijn ziel en zaligheid in had gelegd: Salvador. Daarna stuurde zijn uitgeverij een persbericht.
Of iets beroemder: thrillerschrijver Tomas Ross maakte een paar dagen na het ongeluk van prins Friso bekend dat de publicatie van zijn volgende thriller, waarin Mabel Wisse Smit een rol speelde uit ‘piëteit’ voorlopig was uitgesteld. De piëteit strekte zich kennelijk niet zo ver uit dat Ross zijn boek in stilte kon uitstellen. Hij stuurde geen persbericht, maar postte het bericht tweemaal op Facebook.
Of Dimitri Verhulst, die in een persbericht stuurde over het feit dat hij zo moe was van al het publiciteitswerk dat hij voor zijn nieuwe roman maar twee interviews zou geven.
Waarschijnlijk bestaat er niets quasi-onconventionelers dan het persbericht. Of het zou de journalist Rutger Castricum moeten zijn, die een maand geleden – inderdaad, in een persbericht – liet weten ‘Iedereen op tv heeft een boek en dat wil ik dus ook’.
Zijn boek was een reisgids over Ibiza. Maar de grote aantrekkingskracht van de literatuur, die glamoureuzer dan ooit lijkt te zijn, blijkt vooral uit de aanwas van romanschrijvers met wat we maar even ‘publicitair kapitaal’ zullen noemen. Zo verschenen de afgelopen herfst ineens romans en verhalenbundels van Kasper van Kooten, Sara Kroos, Arie Boomsma en Rik Felderhof. Het leverde prompt een boos twitterstormpje op van klassiek-romantische schrijvers die zich afvroegen wat de uitgevers bezielde, waarop een uitgever prompt meldde dat die boeken toch niet veroordeeld konden worden op de faam van hun schrijvers: een mens moet eerst lezen.

(Ik schreef een column over het ruzietje, waarin ik ook nog melding maakte van de debutant Michiel Eijsbouts, die me in een uitgeefcatalogus was opgevallen omdat hij er zo gesoigneerd uitzag (‘quasi-onconventioneel’, zou ik na het lezen van Tim Parks zeggen). Over hem schreef ik: ‘Nooit van gehoord, maar hij ziet er in elk geval uit als een bekende Nederlander.’ En wat stond er twee maanden later op de kaft van het boek? Inderdaad: “Nooit van gehoord, maar hij ziet er in elk geval uit als een bekende Nederlander.’ Arjen Fortuin, NRC Handelsblad’. Met om mijn naam een cirkeltje en daarbij geschreven: ‘Wie is dat?’)

Zo ziet u, niemand ontkomt aan de wetten van de aandachtseconomie, want in tijden waarin het vanzelfsprekende gezag van de literaire kritiek tanende is, moet ook de recensent proberen hier en daar wat aandacht te trekken.
Tot zover het quasi-onconventionele gedeelte, want de veranderingen in het moderne schrijverschap leveren natuurlijk allerlei inhoudelijke vragen op: hoe verandert de literatuur hierdoor? Of herkennen we de grote schrijvers juist doordat ze zich niets van al deze ruis aantrekken? Moet een schrijver zich iets aantrekken van de aandachtseconomie? Is de geleidelijk aan een oeuvre werkende schrijver een uitstervende soort? Heeft ouderwetse literaire kritiek, waarin een literair oordeel wordt geveld op basis van literaire argumenten, nog wel zin? Maakt een Facebookpost deel uit van een oeuvre – en een optreden bij De Wereld Draait Door?