Magere Woorden: Manon Uphoff

Op 28 maart vond ‘Magere Woorden’ plaats. Dit programma, georganiseerd in Samenwerking met De Optimist, ging over de urgentie van literatuur en het schrijverschap. Arjen Fortuin, Manon Uphoff, Maarten Doorman, Yves Petry en Arjen van Veelen spraken hun mening uit over het onderwerp.

 

​De urgentie van literatuur en het schrijverschap: het zwarte scenario.

De economie van het woord was er altijd. Van taal die sterk verknoopt is met machtssystemen; politieke macht, economische macht. In de publieke arena vinden er voortdurend gevechten plaats over de betekenis van een woord, het eigendom van de taal. Over de macht en de onmacht van de taal. Daarachter, daarboven (omvattend) of daarbinnen bevindt zich de literatuur die vlinderbewegingen maakt in de lucht, die ons briesjes van vrijheid geeft, het gevoel voor ruimte en beweging herstelt, die die machten kan bevragen, bekritiseren. Ten val kan brengen… Omdat de taal beweegt en de ruimte trilt van verschillende verhalen die laten zien waar en hoe, op welke manier je kan ontsnappen, hoe je je ook kunt bewegen. Of hoe je gevangen bent. Taal die je extra ogen geeft, extra uitzicht, extra ervaringen, een eindeloze rijkdom aan levens, onstuitbaar… Die je leert geduld te hebben, geduldig te zijn, empathisch. Waarin je niet gedwongen wordt te beweren dat twee en twee vijf is – vanuit het economische principe – maar kan zeggen dat het vier is, omdat waarheid je lief is. Waarin je niet alleen van vraag naar aanbod, van idee naar marktwaarde hoeft te gaan.

Soms lijkt het erop dat literatuur zelf gelooft dat ze haar kracht verloren heeft en denkt dat de andere media die hebben ‘overgenomen’. Nu, meer dan ooit, is ze echter van vitaal belang. Juist vanwege haar natuurlijke nutteloosheid op het terrein van het economische. Het ellendige is alleen: ze beweegt zich wel binnen dat economische veld. Niet omdat ze dat wil, maar omdat alles, alles zich inmiddels louter en alleen lijkt te bewegen in dat economische veld. Omdat dat het veld is waarop wij spelen. Geen mat van zacht geschoren gras, maar een keihard betonnen veld. Wie valt, valt knetterhard. We hebben de mogelijkheid om te schrijven en te zeggen wat we willen. Maar wat willen we zeggen? Het doet ons niet zo veel, we zijn het gewend. Het is gewoon geworden, deze mogelijkheid, we denken dat we haar niet kwijt kunnen raken.

Maar misschien moet ik wat kritischer zijn en zeggen: dat is wellicht het verhaal van mijn generatie. Het zijn niet de andere culturen of religies die het ons moeilijk maken. We zijn het zelf. We verbranden geen boeken, we negeren ze. We verlangen geen variatie en nemen genoegen met meer van hetzelfde. We kiezen voor de economie en verliezen dimensies, verliezen geschiedenis, verhalen, visies, omdat we geloven dat ze niet belangrijk genoeg zijn, niet kapitaalkrachtig genoeg om door te geven. Ja, dat is het zwarte scenario. Er zijn momenten dat ik het zwarte scenario geloof.

Maar dan: angst is de motor achter alle evolutie.

Toch, het zwarte scenario. Daal met me af die bunker in. Het enige licht komt van iPads, televisiestudio’s en hel verlichte computerschermen. De enige boeken die je er vindt, rollen af op zulke schermen. Wil je ze desondanks in de achterlijke papieren vorm, dan bestel je ze bij Bol.com, waar de enige kritieken die je kent de recensies van de klanten zijn: [Uitstekend verhaal, zoals alleen S. deze schrijven kan, sterk slot. Gewoon lezen. Vond je deze review nuttig? Ja (2) Nee (o) Ongepast? 2 februari, door: een 60er. Wat een tegenvaller. Als feuilleton wel aardig in een dames weekblad. Ik had zeker beter verwacht van S.]

De enige schrijvers die je kent zitten in de tv-studio, heten allemaal Nico Dijkshoorn, en zijn ook de enige dichters (zo leer je dat gedichten lange zinnen zijn met woorden in verwoestende dreun zonder intonatie met soms wel een wrangscherpe of ontroerende gedachte daarbinnen). De enige literaire kritiek komt in de vorm van vragen van een rij leuke mannen die allemaal Matthijs van Nieuwkerk heten, de enige andere schrijver die je kent heet Joost Zwagerman en dat snap je niet, want die geeft
kunstcolleges. De enige krant die je kent, omdat je nu eenmaal graag leest, heet Peter Vandermeersch. Achter op het betonveldje hakt men in op dichters die stotteren en in de media ‘niet uit hun woorden kunnen komen’. Ze heten Tonnus Oosterhof, maar je ziet alleen bloederige hoopjes. Ze hebben de P.C. Hooftprijs gekregen en dat is ook de reden dat ze de studio NIET in mogen. De enige vrouwelijke auteur heet Heleen van Royen en is te zien als centerfold. De enige taal waarin geschreven wordt is de taal van de straat door intelligente mensen, dus met een laagje ironie of geïnjecteerd met giftig cynisme. In de etalages van boekhandels hangen alleen foto’s van deze auteurs of filmposters van True Blood, met daaronder een uitdraai in pulpvorm. Selexyz gaat over de kop en Bruna floreert, want daar hebben ze etalages met duizendmaal de Linda. Een oeuvre is een fossiel verschijnsel dat wordt bestudeerd door fossielen in de achterkamertjes van universiteiten. Zielige mensen, die snel zullen worden weggesaneerd ten faveure van bètastudies. Alle scholen worden scholen van Maurice de Hond. Schrijvers zijn subsidietrekkers, die, als ze niet van de pen of het toetsenbord kunnen leven, hun bestaansrecht en het recht om te ademen moet worden ontnomen, en als je te oud en te lelijk bent moet je eigenlijk helemaal niet meer naar buiten maar je boeken meegeven aan iemand die lekker bekt in de media. Of cabaret maken, een tv-programma presenteren. Of zo smerig rijk worden van een boek dat we hen daarom tot in alle eeuwigheid zullen bewonderen vanwege die ene klapper. Literaire kritiek is helemaal zielig, dat zijn mensen die zelf geen boeken kunnen maken (terwijl iedereen tegenwoordig een boekje poepen kan) en dus in die andere kranten die niet alleen Peter Vandermeersch heten lullige kleine kutstukjes mogen schrijven over boeken die geen hond kan lezen, sommige van die boeken komen zelfs uit het buitenland. Omdat ze zelf vaak niet begrijpen waar ze het over hebben, leuken ze de boel op met een systeem van sterretjes en dat hebben ze gejat van de film. 1 ster is afschieten die auteur en 5 sterren is zo onverwacht goed dat de recensent een slokje water heeft moeten nemen voor hij verder kon. Slimme recensenten schrijven alleen nog over Nico Dijkshoorn. Zielige recensenten proberen nog wel eens een mooi of kritisch of interessant boek onder de aandacht te brengen, maar zij kunnen dat niet in de 400 woorden die ze maximaal tot hun beschikking hebben, en dan moet er ook nog een foto bij. Zielige recensenten beginnen zich serieus af te vragen hoe het kan dat zij met hun capaciteiten en verstand en gevoeligheid en tentakels in dit afvoerputje van de kunst terecht zijn gekomen, waar ze moeten leven van de vieze sliebertjes en het onduidelijk vette spul dat van het echte grote werk hun kant op komt dobberen. Sommige critici beginnen ook aan cabaret. Sommige critici beginnen een serieuze hekel te krijgen aan hun vak en verwijten dat de auteurs die goede boeken schrijven maar geen trending topic zijn, want zij leven ook van die auteurs. Sommige schrijvers schrijven Mijn Ibiza, maar het is helemaal hun Ibiza niet. Boeken worden rare dingen voor hele oude mensen waar we ook vanaf zouden willen. Sommigen gaan ten onder aan de drank. Sommigen staan zoals Winston Smith voor de ramen en luisteren naar het gedreun uit de speakers. Sommigen heulen met de vijand. Sommigen verraden anderen. Verraden de literatuur. De zwarte gordijnen sluiten de etalages van de boekhandels voorgoed af. 1984 is gekomen. We houden oprecht van Big Brother en we praten alleen nog in Newspeak.

Er zijn momenten dat ik dit zwarte scenario geloof en bang word. Bijvoorbeeld vanwege de krimpende bijlages, met de krimpende bijdragen waarin geen ruimte meer is om het ook nog over een oeuvre te hebben, als er al nauwelijks ruimte is voor dit boek, vanwege de alleen-nog-tijdschriften-en-bloederige-thriller-etalages, het opdoeken van literaire tijdschriften (zou het dan nooit meer kunnen, een nummer zoals dat over Herman Franke in De Gids, of over Walt Whitman, in De Revisor, dat ook ‘Het maaiveld’ had. Kan dat nog gemaakt worden? Ja, dat kan, maar moeilijker, moeilijk.). Of als ik merk dat er behalve aan de lengte van besprekingen ook aan de diversiteit van lezen wordt geknaagd. Bijvoorbeeld wanneer een roman niet meer als een roman gelezen wordt, maar als kroniek, vanwege het beeldtijdperk; de grotere zichtbaarheid van de auteur. Of als ik in een kritiek lees dat De Welwillenden van Jonathan Littell geen goed boek is omdat de hoofdpersoon Max Aue onsympathiek is, en datzelfde tegenkom bij Dinsdag van Elvis Peeters en me begin af te vragen of dat misschien een gevolg is van de gedachte vraag vanuit ‘de markt’. Dat men denkt, de lezer zal dit wel niet kunnen verteren? Of zou het nog erger zijn en is de kritiek het hier en daar zelf aan het verleren? Gaan er al manieren/methoden van lezen verloren? Wat vindt de kritiek zelf eigenlijk? Hoe negatief is haar zelfbeeld? Hoeveel zelfvertrouwen heeft ze nog? Waarom verenigen de critici zich niet meer om als groep ‘keihard’ in verzet te komen en meer ruimte te eisen voor wat zij al lezend te weten zijn gekomen? Waarom worden zij niet wat dissidenter? Waarom printen ze hun prachtige ongeschreven of in het geheim geschreven analyses en duidingen, in de bladen ingekort tot een stukje dat je kunt lezen zonder één keer met je ogen te hoeven knipperen, niet op het allergoedkoopste papier dat ze kunnen vinden, vouwen, nietje erdoor, gratis verspreiden in bibliotheken, kroegen, boekhandels, op universiteiten? Op internet. Op bloody Bol. Dot. Com. Niet het medium is fout, maar de oppervlakkigheid waarmee het wordt geassocieerd en die wordt nagedaan of geïmiteerd op plekken waar men denkt: als het niet heel snel is, vreten mensen het niet.

Ze vreten het wel, je moet het alleen geloven.

Ze vreten het wel, maar het moet goed zijn.

Ondertussen groeien en bloeien de sites waarop steeds langere, goed geschreven, gedegen analyses en besprekingen te vinden zijn. Hoe kan dat? Wat is er aan de hand? Toen De papieren man vijf jaar geleden door Dirk Leyman werd opgericht, was het literaire nieuws op het internet een verwaarloosd genre. Maar de site evolueerde tot een vanzelfsprekende aanwezigheid in het digitale literaire landschap en werd in 2009 bekroond met de Dutch Bloggie. Inmiddels zijn er talloze literaire berichtensites, meestal onder de vleugels van krant of weekblad, en spelen de sociale media alsmaar sneller op de bal, ook als literair doorgeefluik. NRC Boeken, Knack Boeken, De Contrabas, JJ Pollet, Guardian Books, Athenaeum Boekhandel, Tzum, Woest & Ledig, Recensieweb, sites van kranten,
Twitter, Facebook. Wacht, een twitterrondje: Schrijversunie, Writer’s Relief, Poetry Foundation, VPRO Boeken, de Avonden, NY Public Library, One Story Mag, Uitgeverij Augustus, Cossee, Atlas-Contact, Podium, Publishers’ Weekly, Boeken en zo…

Nog nooit heb ik zo snel en op zo veel plekken stukken over literatuur, verwijzingen naar literaire sites, artikelen, bladen, kranten kunnen vinden. Toen Tonnus Oosterhof de P.C. Hooftprijs kreeg, trok dat bericht over Twitter met de snelheid van een veenbrand. Inmiddels hebben ook uitgevers die plekken gevonden. Met fijne links word je razendsnel geleid naar de plekken waar je uit kunt rusten, bij kunt komen. De aangeharkte tuintjes, de parken, maar ook de bossen en de wildernissen waar de literatuur floreert. Goed, Selexyz lazert bijna om, maar iedereen schreeuwt moord en brand en komt in actie. En ineens kan het wel: samenwerken. Lekker is dat.

Angst is de motor achter de/alle evolutie.

Ja, er is bestselleritus. Is dat erg? Het maakt je als auteur wel eens jaloers, je gaat je debiele dingen afvragen als: zou ik dat willen, gratis bij het Kruidvat? Och, och, och, kon je ze maar hautain afwijzen, alhoewel, zou je dat doen? Heel goed wetend dat je dat niet gaat halen: het Kruidvat. Maar die bestselleritus levert ook dingen op. Goede uitgevers benutten die -itus en kopen daarmee tijd en ruimte voor de andere boeken, van de niet-bestsellerauteurs. We moeten wel bang zijn, maar zo, dat je vol adrenaline loopt en kunt en durft reageren. Niet op het beton gaan liggen met de pootjes omhoog.

En wat betreft de literaire kritiek? Ontbreekt het op de ene plek aan ruimte, pak die andere plek, waar het nog oneindig is. Link, klik, verbind. Ook hier is romantiek, intimiteit, ridderlijkheid, waanzin, zijn grootse landschappen en verstedelijkte gebieden. Denk niet zwart-wit en in of-of, maar en-en.

Bewaar. Sla op. Bewegwijzer. Maak toegankelijk. Gebeurt ook al.

Vroeger was niet alles beter, vroeger was het vaak kut. Toen één laffe kritiek je nog kon doden. Toen er vriendjespolitiek in kroegen was, kinnesinne en literaire vetes. Toen er maar 3 schrijvers waren, en die waren alle drie God. Toen vrouwen niet konden schrijven omdat hun hersens te anders waren of omdat ze die niet hadden. Toen leeslijsten vast lagen en de smaak van een gezaghebbende eenling wet was. En soms moest die eenling jou niet. Toen het wel mocht rijpen, maar als het dan rijp was, noemde men het vaak rot en flikkerde het in de emmer met één handgebaar. Toen de kritieken zo lang en uitputtend waren dat je dacht dat je summa cum laude afgestudeerd moest zijn om überhaupt te mogen lezen. Toen Michaël Zeeman, God hebbe zijn machtige en innig gemiste ziel, je boek met één rokerige uithaal naar de eeuwige krochten van de hel kon verwijzen. Toen auteurs op leeftijd op kille stationnetjes bleven staan omdat er geen mobiel was om te kunnen zeggen
dat de NS niet functioneerde, vanwege de sneeuw, de pollen, het systeem. All was not well in paradise.

Ik ga naar de site van Athenaeum. Nachtboeken en dagboeken. Een overzicht van kranten en recensies. De Standaard, de Morgen, Trouw, de Groene Amsterdammer, Vrij Nederland, de Volkskrant, NRC, het Parool, HP, FD, Elsevier, godallemachtig, doen ze daar in die bladen en kranten nog wel iets anders dan het bespreken van boeken? En welke boeken…! Zeker niet alleen van die ene snoeiharde bestsellerauteur. Met één klik op de knop reizen vanuit verre landen lang verloren gewaande boeken mijn kant op. Kan ik, dankzij printing on demand, weer bij de verhalen van Conrad. Kan ik duiken in geschriften waar ik anders nooit toegang toe zou hebben gehad. Krijg ik toegang tot een veelheid van stemmen.

Wat literatuur betreft leven we nog steeds in een genadige democratie die alleen de dictatuur van de economie dient te vrezen. Maar die moeten we vrezen, met alle vrees die in ons is. Vooral de dictator in onszelf.

Arme Winston Smith, met zijn ogen vol tranen van liefde voor het gezag. Literatuur en taal behoren niet toe aan ‘de elite’ en hebben dat nooit gedaan. Een van de grote vergissingen die we op dit moment (vooral in Nederland) maken, is te geloven dat als ‘een elite’ vecht of opkomt voor de literatuur, deze ten eerste wel zwak moet zijn en ten tweede, dat ze het bezit of eigendom zou zijn van die elite. Dat – als haar waarde niet in de eerste plaats een economische is – ze haar nut inderdaad verloren heeft.