Magere Woorden: Yves Petry

Op 28 maart vond ‘Magere Woorden’ plaats. Dit programma, georganiseerd in Samenwerking met De Optimist, ging over de urgentie van literatuur en het schrijverschap. Arjen Fortuin, Manon Uphoff, Maarten Doorman, Yves Petry en Arjen van Veelen spraken hun mening uit over het onderwerp.
​Wanneer een boek van mij is verschenen en in de boekhandel op zijn kopers wacht, voel ik me tijdelijk geen schrijver meer. Ik functioneer eerder als een medewerker van de publiciteitsafdeling van de uitgeverij.
Dat heeft gevolgen. Het verandert iets aan mijn levensgevoel. Toen ik nog met mijn roman bezig was, kon het leven soms mooi zijn op een heel specifieke manier, namelijk wanneer ik wat ik zag, voelde of ervoer een plaats kon geven in mijn tekst. Treffende details die de schoonheid van een lenteochtend, een wolkenhemel, een wandeling, een mens, een gesprek uitmaakten, gingen niet altijd verloren maar kregen een betekenis of een functie in een bepaalde passage van mijn boek in wording. Maar zodra de tekst af is, sta ik in het leven als ieder ander. De wereld kan nog altijd wel mooi zijn maar die schoonheid heeft geen bestemming meer. Ze is voorbijgaand en doelloos van aard. Ze flitst nu en dan nog op, maar het lijkt al snel alsof ze er nooit is geweest, alsof ik niets heb gezien, gevoeld of ervaren, alsof al mijn dagen eender zijn.

Daarom ben ik blij als iemand van de pers me benadert met de vraag of hij me mag komen interviewen. Niet alleen is dat goed voor de publiciteit, het biedt me ook de gelegenheid om weer eens in de huid van de schrijver te kruipen. Wat ik denk, zal worden opgenomen of opgeschreven. De inspiratie van het moment zal op een of andere manier worden gefixeerd, net als toen ik nog aan een roman werkte.

Sommige interviewers spelen het spel heel sportief mee. Ze benaderen je als schrijver, ze gunnen je de rol van iemand die hen met plezier laat verdwalen in het spiegelpaleis van zijn geest. Ze laten zich zichtbaar amuseren door de effecten die de trance van het woord kan voortbrengen. Het was tenslotte ook juist het talent voor verbale acrobatie, zoals dat uit je boek sprak, waardoor hun nieuwsgierigheid in de eerste plaats was geprikkeld.
Zodra ze de deur uit zijn, schud ik mijn vuisten van triomf. Ik was weer eens een schrijver.

Maar je hebt ook andere interviewers, helemaal niet speels van aard. Geen gelul, gedaan met de flauwekul, denken ze, en daarvoor moeten het niet eens noodzakelijk Nederlanders zijn. Ze zijn niet gekomen voor de schrijver, de praatjesmaker, de charlatan, ze komen voor het echte ding, de mens.

Natuurlijk heb je geen zin om over de mens te praten. Je hebt twee, drie jaar aan een boek gewerkt en dat is dan ook het product waarmee je in de openbaarheid wil verschijnen. Niet met je leven maar met je roman hoop je een verschil te maken. Je bent niet vervuld van jezelf maar van je boek. Je leven is maar het vruchtwater, het bóek is de interessante nieuweling, als geheel veel rijker, geconcentreerder, genuanceerder dan jij op enig moment bent geweest of ooit zult zijn.

Suggesties in die zin kunnen gaandeweg op steeds minder geduld van bepaalde vraagstellers rekenen. Ze vinden je niet eerlijk. Ze vinden je onoprecht, achterbaks. Ze doen nog eens een zure poging om je uit je schelp te lokken door uitlatingen van de personages uit je boek klakkeloos aan de auteur toe te schrijven. Natuurlijk protesteer je dan. De personages volgen hun eigen logica, of hun gebrek daaraan, en leiden een eigen bestaan. Ongetwijfeld zullen ze ook wel iets ontlenen aan wat je zelf ooit hebt gedacht of gevoeld. Maar evengoed aan wat andere mensen of personages uit andere boeken hebben gedacht of gevoeld, of zelfs aan gevoelens of gedachten die alleen maar ontsproten zijn aan de verbeelding. Je weet als schrijver niet echt wat de verhouding is tussen je boek en je leven omdat die je in feite ook niet interesseert. Je wil niet zozeer iets zeggen over de werkelijkheid als wel er iets aan toevoegen, iets wat op zichzelf staat en de feiten niet nodig heeft om waar te zijn.

Het mag niet baten. Ze willen je niet horen praten als een schrijver. Het wil er bij sommige journalisten echt niet in dat een mens van iets anders zou zijn vervuld dan van zichzelf.
De stemming wordt steeds slechter. Je zoekt naar een uitweg en zegt dat je boek misschien enigszins autobiografisch is in die zin dat het gedeeltelijk kan worden opgevat als een speculatie over het soort mens dat je mogelijk zou zijn geweest als je geen schrijver was geworden. Maar aan zoveel voorzichtigheid, voorbehoud en nuance heeft mijn bezoeker geen boodschap.
Daar zit ik mooi, in mijn eigen huiskamer, in het gezelschap van een wildvreemde, zichtbaar misnoegd over het feit dat ik hem geen intieme informatie wil geven die hij graag met tien- of honderdduizend anderen had willen delen. Zodra hij de deur uit is, schud ik de vuisten, niet van triomf deze keer. Het is net alsof ik als schrijver inderdaad niet meer besta.

RECENSIES

En interviews kun je dan tenminste nog tot op zekere hoogte sturen. Je ontmoet je interviewer in levenden lijve en bepaalt mee de richting van het gesprek. Zelfs al is het eindresultaat niet helemaal of helemaal niet naar wens, zelden worden er zoveel zinnige en interessante dingen over mijn boek gezegd als wanneer ik dat zelf doe.
Over een recensie daarentegen heb je geen enkele controle.

Nu is me al vaak aangeraden me niet op te winden over besprekingen van mijn boek. Wie leest die immers nog? En misschien klopt dat wel. De gemakzucht die uit sommige recensies spreekt, valt niet meer te onderscheiden van pure moedeloosheid. Het maakt blijkbaar geen moer meer uit wat er in zo’n stukje staat, zelfs niet in de ogen van diegene die het schrijft. Daarom kletst hij maar raak. Ik kom ook amper iemand tegen die me over een recensie aanspreekt. Interviews lijken een veel groter bereik te hebben.

Een andere reden om me over recensenten niet op te winden is dat ze me over het algemeen verwennen. Dat betekent niet dat ze mijn boek volledig recht hebben gedaan. Zoiets is om te beginnen al onmogelijk binnen de nogal krappe ruimte die de culturele verslaggeving voor literatuur reserveert. Om mijn boek te geven wat het toekomt, moet je het zelf lezen. Dat erkennen deze sympathieke critici dan ook, op zijn minst impliciet. Hun hele hartverwarmende betoog is een aansporing aan de lezer om zich naar de boekhandel of de bibliotheek te reppen. Daar ligt iets dat hem een ervaring zal bezorgen die zij op voorhand al gedienstig van uitroeptekens hebben voorzien en in superlatieven omschreven. Soms geven ze zelfs heel precies het aantal sterretjes aan dat de lezer zal zien.

Ik drijf er nu wel een beetje de spot mee, maar voor dergelijke recensenten, die binnen de commerciële context waarin ze moeten opereren, met de literatuur of in ieder geval toch met mijn boek het beste voor hebben, heb ik alle respect.

Jammer genoeg duiken er op mijn radarscherm altijd weer vreemde, grillig koersende voorwerpen op die deze respectabele gang van zaken doorkruisen. Het zijn er niet eens zoveel maar ze zorgen steevast voor grote agitatie in de controlekamer.
Hun kwade wil is werkelijk verbijsterend. Vaak blijken ze niet eens zozeer mijn boek maar vooral mijn interviews te hebben gelezen. Als ik daarin heb verklaard dat ik een plot niet de belangrijkste drijvende kracht vind in een roman, dan nemen ze dat over in de vorm van een verwijt. Als ik in een krant heb gezegd dat ik honderd pagina’s uit mijn manuscript heb geschrapt, dan beweren ze, zonder die pagina’s te kennen, dat ik dat niet had moeten doen. Adembenemend zijn de stompzinnige, muggenzifterige of irrelevante redenen die ze aanvoeren om mijn boek af te wijzen.

Je vraagt je wel eens af waar iemand de pretentie vandaan haalt dat hij beter dan de auteur zou weten hoe diens roman eruit had moeten zien. Naast de gebruikelijke domheid ligt aan de basis van deze pretentie voor een deel ook het onvermogen van sommige recensenten om zich te laten grijpen door de ware spanning van de roman. En dan heb ik het niet over de zogeheten spannende plot. De behoefte daaraan vind ik vooral getuigen van grote intellectuele leegte, van vermoeidheid of gewoon van een infantiele smaak. Ik heb het over de spanning tussen algemeen gedeelde evidentie en hoogstpersoonlijke intuïtie, tussen het vanzelfsprekende en het amper verwoordbare. Hoe ambitieuzer je als romanschrijver bent, hoe groter die spanning in je roman zal zijn.
Hoe zou trouwens het lezen van een boek een avontuur kunnen zijn als het schrijven ervan niet meer dan routine was?
De auteur wil door de bekende, al te bekende motieven van het menselijk bedrijf heen een blik werpen op minder bekende of wie weet zelfs tot hiertoe onbekende patronen. Eerder banale passages wisselen af met nogal sublieme passages in een ritme dat hij niet altijd in de hand heeft. Ook verloopt de overgang tussen beide niet altijd zo naadloos als hij had gewild. Breuken, bokkensprongen, abrupte sfeerwisselingen zijn het gevolg. Dit gebrek aan controle is evenwel niet per se een aanwijzing dat de auteur faalt. Het kan er ook op wijzen dat zijn werk net zo echt is als het lieve leven zelf. Hij weet niet altijd wat hij doet, en zal achteraf niet altijd kunnen verklaren wat hij gedaan heeft. Het boek als geheel overstijgt hem.
Als je dat is gelukt, heb je een boek met een karakter geschreven, en juist dat is wat sommige recensenten absoluut niet willen erkennen. Ze weigeren het boek als geheel te ondergaan, als een vorm van leven waarvan de samenhang niet alleen op logica berust. Ze behandelen het als een bedenksel, met als gevolg dat ze het mishandelen. Ze denken dat het boek tot stand is gekomen op dezelfde bedachte en vaak goedkope manier waarop zij het analyseren. Soms lijken ze wel een zekere theoretische kennis van literatuur te bezitten, maar geven ze helemaal niet de indruk ervan te houden. Ze miskennen in ieder geval de ware drijfkracht ervan.
Boeken met een karakter hebben het tegenwoordig niet makkelijk. De eunuchen van de literatuur, die je in groten getale aantreft zowel onder de schrijvers, de critici, de uitgevers als de boekhandelaren, verheffen de gladde well made novel tot norm. De rest mag op veel tegenstand rekenen, op verwijten van pretentie en nog vaker op onverschilligheid.

Maar het ligt toch niet aan mijn muziek dat betweters op klompvoeten niet kunnen dansen!

Soms verbaast het me niet dat de jeugd nog maar weinig leest. Veel literaire cultuur wordt haar door de media niet aangeboden, des te meer een bestsellercultuur waarvan ik zelf niet inzie wat ik daar toen ik nog een jongeman was wild, wervend of opwekkend aan zou hebben gevonden.