Leegstand

Het winnende verhaal van de SLAA-verhalenwedstrijd, door Renée Simons.

‘Hallo?’ Stilte op de intercom.
Bovenaan de trap zakt ze een beetje door haar knieën en gluurt naar beneden. De buitendeur staat op een kier. Er zit een voet tussen. De rest van het lijf bevindt zich buiten en schreeuwt in een mobiel. Ze wacht. En wacht. En schrikt toch als hij ineens voor haar staat.
‘Brom.’
‘Erika Geevers, dochter van…’
‘Heeft u al opgezegd?’ Zijn voetstappen daveren door de gang. Ooit was dat de rivier waarop je kon varen met een kokosmat. Elke drempel de oever van een nieuw land.
Hij taxeert de boekenkast. ‘Als ik u was, zou ik eruit zoeken wat u hebben wilt en de rest weggooien. Boeken krijg je niks meer voor tegenwoordig.’
Wij gooien geen boeken weg, wil ze zeggen, maar ze stamelt iets over familiebezit.
Hij trekt een in leer gebonden deel van Vondel uit de kast. Er dwarrelt een briefje uit, ragfijne letters op dun papier. Het wordt niet opgeraapt.
Alles is vierkant aan deze man. Zijn kin, zijn schouders, zijn handen. Zijn ogen zijn verschrikkelijk blauw. Maar zijn haar glanst goud, als van een engel.
‘U moet het casco opleveren. Alles eruit. Er komt centrale verwarming.’
‘Het parket ook?’ De hoogvlakte van haar kindertijd, de ijszee, de woestijn…
‘Dat ook. En dat is veel werk. Gaat u geld kosten.’
Ze gaat hem voor naar de keuken, brandpunt van haar jeugd. Zelfgebakken schuimpjes, haar moeders befaamde stoofpotjes. Op het ouderwetse fornuis pruttelt ook nu een pannetje.
De blauwe ogen kijken naar de beslagen ramen. ‘U kookt hier?’ Het is geen vraag, het is een beschuldiging.

‘Het is veel werk…’ Ze maakt een vaag gebaar naar de keukenkasten waar alles nog op z’n plaats staat. Alleen de  dekschalen heeft ze ingepakt, bovenop de vijzel waarmee ze tabletten moest vermalen. Ja, kind. Aan alles komt een eind. Ook aan je moeder. Jarenlang had die haar slaaptabletten opgespaard, maar was uiteindelijk vanzelf doodgegaan.
Brom opent de deur naar het terras. Het ligt bezaaid met vruchtjes van de boom die vanuit de tuin beneden tot boven hun terras groeide. Een treurberk. Alle potplanten zijn dood.
‘Zo’n grote berk midden in de stad is echt bijzonder,’ zegt ze.
Hij kijkt haar aan. Zijn ogen lijken op zijn gezicht geschilderd. ‘U moet de dakgoot vegen. Als ze beneden lekkage krijgen dan is het voor uw rekening.’

‘Wat een schoft is het toch,’ zegt de buurvrouw als hij weg is. Ze leunt over het hek van het aangrenzend terras. ‘Hij verzint iedere keer wat anders om me onder druk te zetten. Maar ik laat me niet op de kast jagen door zo’n stuk vreten. Hij deed ook lelijk tegen je moeder.’
‘Daar heeft ze niks over gezegd.’
‘Nee, zo was ze niet.’ De buurvrouw opent haar mond alsof er iets aan toe wil voegen, maar sluit hem weer. ‘Gaat het een beetje, meissie?’ vraagt ze.

Maak nog eens een stoofpotje, had haar moeder gevraagd. Dat kan je zo lekker. Toen het klaar was, kon ze er alleen aan ruiken. Ze snoof en snoof met haar ogen dicht. Mmmm! Koken heb ik je tenminste geleerd. Gek dat niemand…
Mam, ik kook toch voor jou.
Ja kind, maar eten kan ik niet meer.

Ze eet op het terras, uitzicht op de berk. De stoofpot is verrukkelijk: kruidig, hartig, vol van smaak. De wijn past er perfect bij.
Ja, koken had ze tenminste geleerd.
Ze eet met het familiezilver van het familieservies. Wit porselein met een gouden randje en een bescheiden motiefje van heidebloempjes, Erika.
Ben ik naar het servies genoemd, mam? Nu ze het wil vragen is het te laat.
Die nacht blijft ze slapen op de bank. Ze bladert door boeken uit haar moeders jeugd. De Bikkel van Diet Kramer. Onder moeders vleugels van Louise M. Alcott…
Ze droomt van een leeg huis. Een hongerig huis. Dan droomt ze van een volle tafel. Samen eten is intiemer dan samen slapen, fluistert iemand in haar oor. Ze schrikt wakker, maar er is niemand.
Het is wel waar, denkt ze zodra de schrik is weggeëbd. Ruiken, proeven, kauwen, slikken, iets door je darmen laten glijden. Wat is er intiemer dan dat, behalve de dood?

Over een week komt hij terug voor de eindinspectie. Ze belt haar buren of die de kat eten willen geven. Dan bedenkt ze het menu. Het wordt niet eenvoudig. En niet goedkoop. Nee, zeker niet goedkoop. Alles vers en van de beste kwaliteit.
Ze zullen eten van wit porselein met een gouden randje en een bescheiden motief. Ze zal de dekschalen weer uitpakken. En de vijzel. Het tafelzilver zal blinken. Ze zullen eten op het terras. Er moeten nieuwe planten komen, mooie bloeiende planten zoals vroeger. En hij kijkt uit op de berk.
Koel beginnen. Fris, prikkelend. Schaaldieren op ijs. Champagne in de zilveren emmer.
Dan een mousse, zacht en verfijnd. Met een geraffineerd garnituur. Onschuldig en toch verleidelijk. Elk hapje een verrassing.
De vis wordt haar eerste echte statement. Sappig met een fijne nootsmaak, zeewolf misschien. Droge witte wijn erbij. Zijn ogen verliezen hun hardheid. Hij leert zien. Bij elke hap ziet hij meer. De schoonheid van de berk, het oude parket, het portret van haar grootmoeder…
Dan het hoofdgerecht: stoofpot natuurlijk. Met rode wijn. Echt Frans. Een stoofpot zo kruidig en vol en pittig dat je niet weet wat je proeft. Letterlijk. Hij zal het niet weten. Zijn onwetende lippen zullen glimmen van verrukking, zijn onwetende ogen zullen haar zoeken. Hap voor hap dringt ze bij hem binnen. Hoe heet dat ook alweer? Kraken. Ze zal hem kraken als een leeg huis.

Zie je mam, er is wel iemand. Hij heet Adriaan Brom. Zijn haar is van goud. Hap voor hap is hij van mij geworden. Zijn ogen zijn zacht, zijn kin is niet vierkant meer. Door mij is hij niet vierkant meer. Eerder rond. Rond als een rijksdaalder, rond als de cyclus van leven en dood.
Door mijn stoofpotje is hij van mij geworden, mam.
Mam, hij is van mij.

Lees hier het juryrapport.