Stadsgedicht

​Onderdoorgang Rijksmuseum

Je glijdt de buik van het gebouw binnen
daar waar het altijd kouder is en stiller,
duurzaam nacht, waar de steeldrum kaatst
tegen eeuwenoude wanden, waar je lust

voelt om te zingen, je hebt alle geluk
van de wereld. Er staat een student
van het nabijgelegen conservatorium
met zijn viool: o nee, dat is nu een hotel.

Dat kleine, magische geschenkje van de stad
wat is het waard, ja wat? De kortste snelweg
heen verdween, fietsers kochten massaal

een helm en een brommer, niemand luistert
meer, we zijn de omweg niet waard. Nostalgie
naar hoe het vroeger was. Laat ook maar.

F. Starik