De Heer denkt na

Een ode aan het te lang doorgaan

Spaghetti eten zal sinds zondag nooit meer hetzelfde zijn. Van tevoren had ik vooral opgezien tegen de ellenlange seksscènes in La Vie d’Adèle, maar aan het eind van de rit bleken het vooral de – overdadige – eetscènes te zijn die me een ingewikkeld gevoel in mijn buik bezorgden.
Al na een klein kwartier doemt de eerste spaghettiscène op: de familie van Adèle kijkt televisie terwijl iedereen argeloos lange slierten spaghetti bolognese naar binnen werkt.
Slurpt.
Zuigt.
Met alle afgevende, gehaktklevende gezichtsverontreiniging die dat met zich meebrengt. Het is niet dat ik denk dat ik en de mijnen anders eten (ik knoei waar ik maar kan), maar de confrontatie met de onappetijtelijkheid van het alledaagse blijft een ingewikkelde.
En juist daarom was het zo fijn dat La Vie d’Adèle lang duurde. In eerste instantie dacht ik na die eerste spaghettiscène: hoe gaat het me ooit nog lukken Adèle door de verliefde ogen van haar aanbidster te bekijken? Regisseur Abdel Kechiche maakt het je namelijk (expres) lastig door éérst Adèles alledaagsheid – de routine van het naar school gaan, het kwijlende slapen, het verveeld huiswerk maken, het argeloze eten – te tonen en pas daarna de lome sequentie van het ontmoeten, verleiden, verlangen, verliefd zijn in werking te zetten.
De film geeft je alle tijd je hierover heen te zetten, zonder overigens traag te zijn. Het voelt na afloop meer alsof je een hele lange, drukke dag achter de rug hebt. Alsof je vijf feestjes, drie familiebezoeken en een hele heftige verliefdheid op één dag hebt doorgemaakt. Per scène word je als gast aan tafel gezet, je bent geen kijker, je bent een betrokkene. De filmstijl gaat voorbij het realistische, Kechiche laat alle filters die normaal gesproken tussen de kijker en de film gezet worden achterwege en zuigt je zo als een spaghettisliert de film in. Het is geen identificatie die je voelt, het is regelrechte transformatie: of je nou man, vrouw, oud, jong, hetero of homo bent, je verandert in Adèle, in de alomtegenwoordige mond van Adèle, waar je aan het einde van de film weer keihard uit gespuugd wordt.
De kracht van het te lang doorgaan. Daar mijmerde ik de rest van de avond nog wat over na.

Ik had die week al eerder zo’n moment meegemaakt. Tegen mijn gewoonte in was ik naar een boekpresentatie gegaan. Een bevriende schrijfster van het ten doop gehouden boek zou voorlezen uit hun e-mailwisseling. Ze schrijven al jaren met elkaar en eerlijk gezegd trok het idee dat er voorgelezen zou worden uit deze ondergrondse correspondentie me buitensporig aan. Terwijl de ene schrijfster met frisse tegenzin het middelpunt van een heerlijk rustige presentatie stond te zijn, zat de andere schrijfster in een stapel papier frenetiek passages aan te strepen. Haar hand trilde heel lief toen ze een slok witte wijn nam, er was ook geen enkele reden níet nerveus te zijn.
De passages kwamen enkel uit de mails van de presenterende schrijfster, ze vertelden het verhaal van de wanhopige weg van idee naar boek. ‘Vrouw krijgt mongool en laat haar achter in het bos.’ Daar begon het mee, vervolgens trok er een stoet aan nieuwe ideeën, omtrekkende bewegingen, twijfels, zelfhaat, woede, ongeloof, wederopstanding, dodelijke zelfhaat, existentiële twijfel, uitsteltactieken, nihiliteitsbesef en schrijfhaat voorbij. Het was verrukkelijk. Het duurde echt veel te lang. Je zag hoe de presenterende schrijfster met haar blik wanhopig houvast zocht, bij iets, bij iemand, een hand die haar weer uit het kolkende water kon trekken; maar ze zonk verder en verder terwijl de voorlezende schrijfster niet anders meer kon dan doorgaan, doorgaan, tot wanhoop van de toehoorders die deels beroepsgedeformeerd dachten aan een publiek, draaiboeken, verveeldheid, waar ging dit heen?
Maar hoe langer het duurde hoe meer de totale wanhoop van de schrijfster werkelijk voelbaar werd. Dat is immers de kern van wanhoop: geen uitweg zien, niet weten hoe je het tij kunt keren, geen houvast hebben, geen idee wanneer het afgelopen zal zijn, en hoe het zal worden, of het geen gedrochtje wordt dat je na al dat ploeteren gebaard hebt.
De ironie wilde dat een recensent dan weer dít schreef over het gepresenteerde boek: ‘Er zit meer dan genoeg Munro in haar schrijverschap, maar bij die kwaliteit hoort ook het vermogen om te zien wanneer een verhaal niet meer beter wordt als het langer wordt.’ Ik heb het boek nog niet uit, maar het zou me niks verbazen als ik juist weer val voor het lange, desnoods té lange, omdat het in mijn belevingswereld een pre is wanneer iets begint te tergen.
Ik ben benieuwd.

In de programma’s die we maken bij de SLAA worstelen we vaak met het draaiboek. Er bestaat een soort consensus onder snel levend, snel verveeld, cultureel in de toverdrank gevallen Nederland dat anderhalf uur een soort ideaal maximum is voor een programma. Dat het daarna eigenlijk per definitie saai wordt.
Ik heb programma’s zat gezien die na een kwartier al saai werden en bleven, ik heb avonden meegemaakt waar van mij geen einde aan had hoeven komen. Toch vreesde ik de lange avond ook. Samen met Sanneke van Hassel en Ditte Pelgrom maken we al een paar jaar hele mooie avonden rond het korte verhaal. LANGE avonden rond het korte verhaal. Zo leerde ik dat een onderwerp, of een oeuvre of een schrijver, soms veel tijd en toewijding nodig heeft om er echt in door te kunnen dringen. De lange avond van het korte verhaal vorig jaar was zo’n avond, een regenachtige maandagavond in september, waar toch een hoop mensen op af kwamen die nadampend, nippend aan de Servische raki, zich onder lieten dompelen in korte verhalen en mooie interviews.
Volgende week woensdag hebben we tijdens Hotel van Hassel Jhumpa Lahiri te gast. Ze wordt geïnterviewd door Arjan Peters en zal voorlezen. Opgewekt mailden we met Sanneke: ‘Twee keer vijf minuten voorlezen?’ Neenee, zei ze, ‘ik stel voor minimaal tien minuten uit haar nieuwe boek en een kwartier uit een kort verhaal.’
De korte verhalen van Jhumpa zijn trouwens de langste die ik ken. Ook bij Lahiri denk je: het gaat maar door, is dit nog wel een kort verhaal? Bovengenoemde Nederlandse schrijfster kan er trouwens ook wat van. Die heeft stiekem gewoon een kort verhaal van 160 pagina’s geschreven.