Essayette

Waarom een eenentwintigjarige Proust zou moeten lezen. Door: Circe de Bruin

Het is niet in één zin uit te leggen, waarom je jezelf al op jonge leeftijd door het werk van Marcel Proust heen zou moeten worstelen. Ik zal ook zeker niet beweren dat het zevendelige geheel gelezen dient te worden. De eerste drie gebundelde delen volstaan: De kant van Swann. Ik zal kort vertellen waarom deze klassieker, dit meesterwerk, dit magnum opus ook boeiend is voor onwetende, half ontwikkelde, drukbezette jeugdigen zoals ondergetekende.

Marcel Proust

Het werk van de twintigste-eeuwse modernistische schrijver valt met gemak in de categorie van James Joyce’s Ulysses, De Toverberg van Thomas Mann en Lev Tolstoj’s Oorlog en Vrede: het zijn allemaal dikke, taaie pillen waarbij er in de structuur van de roman weinig aandacht is voor een spanningsboog. Daarnaast worden ze door alle ons voorgaande generaties geroemd en tot in den treuren aangehaald. Dat laatste kan ervoor zorgen dat je op een regenachtige zondagmiddag uit nieuwsgierigheid één van deze boeken openslaat. Waarna je na één zin al snapt waarom je leeftijdsgenoten je dat niet aanraden:

“Om deel uit te maken van de ‘kleine kern’, het ‘groepje’, de ‘kleine clan’ van de Verdurins volstond één voorwaarde, maar die was dwingend: je moest stilzwijgend een Credo aanhangen waarvan een der artikelen luidde dat de jonge pianist die dat jaar Mme Verdurins beschermeling was en van wie zij zei: ‘Het zou niet moeten mogen, zó Wagner spelen!’, zowel Planté als Rubenstein ‘de grond in boorde’, en dat dokter Cottard een betere diagnosticus was dan Potain.” (259 Liefde van Swann)

De beginzin van Een liefde van Swann is zoals je ziet extreem gecompliceerd. Ten eerste beslaat hij ruim één derde van een bladzijde. Dat vraagt natuurlijk bovengemiddelde concentratie van de lezer om te voorkomen dat je zinnen moet gaan herlezen. Iets wat je in zo’n geval wilt vermijden. Daarnaast staan er toch zeker al vijf namen in dit kleine fragment. Daar kan ik aan toevoegen dat er nog veel meer namen rondlopen in de negentiende-eeuwse high society. En dan heb ik het nog niet over Tolstoj, die voor ieder personage, getrouw de Russische gewoonte, zeker vier verschillende namen gebruikt. Maar dat alles wordt nog overkoepeld door een tijd en plaats in een ver, ver verleden. Hopeloos ouderwets, zou je kunnen zeggen. Moeilijk je ermee te identificeren in een tijdperk waar de hele sociale rompslomp samengevat op internet staat.

Maar het idee dat Proust schrijft over dingen die verleden tijd zijn is een misvatting. Toen ik met haperende discipline deel één Combray uit had gelezen begon ik per ongeluk, haast vanzelfsprekend aan het volgende deel. Aan het eind ging het snel en voor ik het wist was De kant van Swann uitgelezen. Het is zelfs zo ernstig dat ik overweeg het volgende deel ter hand te nemen. Maar voordat ik dat zal doen wilde ik eerst weten wat mij nou zo boeide. Dat is natuurlijk deels persoonlijk, maar ik vermoed dat het ook in het boek zelf ligt. Te beginnen met het societyleven dat zo ouderwets lijkt, maar dat misschien wel heel veel weg heeft van wat we nog steeds kunnen ervaren. De noodzaak om op de juiste feestjes met de juiste mensen te verschijnen is niet een typisch negentiende-eeuws verschijnsel. Ook zal menigeen de eenzaamheid herkennen die Swann voelt tussen mensen die zijn verdriet en zijn liefde niet kennen. En wie kent niet de golf van emotie die je kan overspoelen als je naar een concert luistert van de band die je associeert met die verliefdheid van een paar maanden terug? Maar het gaat verder dan dat. Ook de minder elegante gedachten en emoties zijn toch eigenlijk wel herkenbaar. Jaloezie. De angst dat je moeder je alleen laat. Kortom, het gaat om de herkenning van alles wat zich afspeelt binnenin. Dat is waar Proust over schrijft.

Proust zei over zijn werk dat hij de unieke ervaring probeerde te beschrijven en dat hij daarvoor toch zeker de lange zinnen nodig had, eindeloos aangevuld met bijzinnen, om precies die individuele ervaring weer te geven en zo buiten de clichés te blijven. In onze tijd van individualisme, gecombineerd met de pogingen tot zelfreflectie van een eenentwintigjarige, is het nou juist dát wat we zoeken. Het is de beschreven individuele ervaring waar we dichter bij willen komen. Dat is wat we willen lezen, deze woorden zoeken we, voor ons eigen leven, maar ook als het gaat om een ander. We zijn niet langer geïnteresseerd in de grand narratives van liefde, dood en lust, om maar wat te noemen. We willen graag lezen hoe het echt ervaren werd. En hoe heerlijk is het om in al die individualiteit dan toch nog zo veel te herkennen. Stiekem zijn we allemaal een beetje het lezende buitenbeentje uit Combray, wij kunnen ook vol overgave in een boek verzeilen. Ook in het zevendelige boek Op zoek naar de verleden tijd.