Stadsgedicht

DE STAD HERBOREN

Liggend ontwerpt hij het stadsdak, prent
het patroon van bladloze takken tegen fel
blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg

nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit
en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in

met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
de veegwagen, roept de lantaarns aan,
verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.

In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift
een heldere lusthof ontstaan. In het park

gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,
hij en ik, door de takken van de plataan.

Anna Enquist, stadsgedicht 1, januari 2014