Nieuwe stadsdichter: Anna Enquist

Anna Enquist volgt Menno Wigman op.

Zojuist is de nieuwe stadsdichter van Amsterdam bekendgemaakt: Anna Enquist volgt Menno Wigman op. Haar andere voorgangers zijn F. Starik, Mustafa Stitou, Robert Anker en Adriaan Jaeggi. Enquist is met deze benoeming de eerste vrouwelijke Amsterdamse stadsdichter. Twee jaar lang zal Enquist de stad, haar bewoners en belangrijke gebeurtenissen in de stad bezingen of becommentariëren. De stadsdichter is door het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum aangesteld, maar werkt onafhankelijk. De Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) is verantwoordelijk voor de backoffice.

Anna Enquist (1945), die relatief laat debuteerde met de bundel Soldatenliederen (1991), heeft een enorme staat van dienst, als schrijver en als dichter. Met haar debuutbundel won ze meteen de C. Buddingh’-prijs, en met haar tweede bundel Jachtscènes de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Inmiddels heeft ze zeven bundels op haar naam staan, waarvan Nieuws van nergens de meest recente is. Enquist schreef in 2013 Een kooi van klank, het geschenk voor de eerste Poëzieweek.

anna-enquist

Enquists eerste optreden als stadsdichter vindt vandaag plaats tijdens het Gedichtenbal, om 21.30 uur in De Brakke Grond. Tijdens deze avond zal wethouder Andrée van Es scheidend stadsdichter Menno Wigman persoonlijk toespreken ter afscheid, waarna Roeland Rengelink, lid van het Dagelijks Bestuur Stadsdeel Centrum, over het belang van de stadsdichter zal spreken. Henk Spaan spreekt een laudatio uit voor de nieuwe stadsdichter.

Hieronder volgt Anna Enquists eerste stadsgedicht.

DE STAD HERBOREN

Liggend ontwerpt hij het stadsdak, prent
het patroon van bladloze takken tegen fel
blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg

nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit
en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in

met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
de veegwagen, roept de lantaarns aan,
verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.

In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift
een heldere lusthof ontstaan. In het park

gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,
hij en ik, door de takken van de plataan.

Anna Enquist, stadsgedicht 1, januari 2014