Essayette: Realisme Regeert

Waarom ‘Mijn strijd’ van Karl Ove Knausgård gelezen wordt. Door: Circe de Bruin

Ze liggen al een tijdje prominent in de boekwinkels: dikke pillen met een eenvoudige titel op de voorkant: Vader, Zoon, Liefde, Nacht. Tezamen de romancyclus ‘Mijn strijd’. De populariteit van Karl Ove Knausgårds romancyclus ‘Mijn strijd’ is komen overwaaien uit andere delen van de wereld. Via Amerika en het Verenigd Koninkrijk uit Scandinavië, waar het al geruime tijd gonst van de persoonlijke drama’s rondom de auteur en maatschappelijke vraagstukken over de privacy van zijn omgeving. Door het autobiografische karakter van Mijn Strijd is de aandacht voor het leven van de auteur een verleidelijke, en misschien wel productieve weg om te begaan. Vooral in Noorwegen ontstond kort na uitgave van de cyclus ophef over schending van privacy. The New York Times schrijft: ‘In Scandinavia […] many commentators saw Mr. Knausgaard as violating fundamental social norms.’ Want niet alleen Knausgårds eigen leven is gedetailleerd beschreven (‘I have given away my soul,’ zei Knausgård in een interview met The Guardianin 2012), ook zijn naasten worden met naam en toenaam op papier gezet. Ex-vrouw Tonje was om die reden niet blij toen het eerste deel van Mijn strijd in 2009 uitkwam. Ze geeft in een interview aan haar eigen verhaal te willen schrijven (Kari Hestamar: ‘Tonje’s version’). Voelde zij zich te dicht benaderd in het werk van haar ex-man? Juist omdat Knausgård zonder verbloemende metaforen en vergaande parallellen schrijft over zijn leven, komt de literatuur dichter bij het reële leven. Om een voorbeeld te geven: ‘[T]oen klapte ik de deksel van de wc omhoog, liet me op mijn knieën zakken, sloeg mijn armen om het porselein en spuugde met zo’n kracht een geelgroene cascade in het water dat het opspatte tot in mijn gezicht, maar dat deed er niet toe, niets deed er toe. Het was zo heerlijk het eruit te gooien, zo ongelooflijk heerlijk.’ (Nacht, p. 111)
Het is deze stijl die Karl Ove Knausgård gebruikt, die ook stof doet opwaaien in Engeland (The Guardian) en de VS (The New York Times). Hoewel niemand daar direct betrokken is bij de door Knausgård beschreven situaties en gebeurtenissen, zorgen de herkenning van het eigen dagelijks leven in zijn boeken en de sensatie rondom de schrijver toch voor de nodige belangstelling en ophef. ‘A masterpiece’, is dan ook het oordeel van The Guardian. Waarom is deze vorm van literair realisme momenteel zo populair? Ik zal kort een paar mogelijke verklaringen voorleggen.

Fictie en non-fictie lopen bij Knausgård in elkaar over, en dat boeit ons. Hij vangt met zijn woorden de personages op een manier waarop zij zich tentoongesteld voelen, en de buitenwereld leest en bestudeert de levensgrote tentoonstelling geboeid. De route naar het werk, een nietszeggend gesprek tijdens de lunch, het aantal geleegde bierglazen na een avond en de kater de volgende ochtend worden haarfijn beschreven, in het tempo van het leven, afgewisseld met persoonlijke overpeinzingen die tijdens de handelingen langskomen. Overpeinzingen die wij van onszelf ook wel kennen. Dat Knausgård dat in alle gedetailleerde precisie op papier krijgt waardoor het ‘net echt’ lijkt, heet literatuur. Het literair realisme viert hier hoogtij, en het brengt ons leven onder woorden zoals wij het vandaag de dag zelf leven.

De rauwe, onopgemaakte taal bevalt ons, hedendaagse lezers, beter dan de impressionistische benadering die we kennen van de weinig uitgelezen autobiografie van Marcel Proust, waar Mijn strijd vaak mee vergeleken wordt. De stijlfiguren in dat werk laten de dagelijkse bezigheid lijken op een stromend beekje of een schilderij van Monet, een parallel waar we (te veel) creatief denkvermogen aan moeten besteden. En wat zeggen we met deze stijl eigenlijk over onszelf? Welke helderheid kan het ons over onszelf verschaffen?
Knausgård ging een andere weg. In een interview met Anna Luyten vertelt hij dat hij de grenzen van het realisme wilde onderzoeken – maar zou dat niet een al te saai relaas worden? Nee. Het resultaat bleek niets weg te hebben van een droog logboek: het werd een pageturner waar je geen genoeg van kunt krijgen en die ondanks het grote aantal bladzijden goed verkoopt. Dit willen we lezen.

Mijns inziens past de realistische autobiografie bij deze tijd. De tijd waarin we als individuen allemaal op zoek zijn naar identiteit, de woorden zoeken om die te benoemen. Dat is precies wat Knausgård doet, zijn ‘schaamteloze’ (Paris Review) zelfstudie is daarom interessant. Knausgårds romancyclus komt met het literair realisme dichtbij wat we kennen als de werkelijkheid. Het is eerlijk – want vol schaamtevolle details – zelfonderzoek zoals we dat graag zelf zouden kunnen. Door de openheid die Knausgård creëert wordt het unieke, feilbare aspect van het mens-zijn helder en schrijnend zichtbaar. Niet in opgesmukte zinnen van halve pagina’s met talloze metaforen en galmende beeldspraak die ver van ons af staan, maar simpel, in een taal die we allemaal spreken in het dagelijkse leven, waar je snel doorheen leest. Het realisme is een vorm dat zich daar bijzonder goed voor leent. Ik raad iedereen aan een deel van Mijn strijd ter hand te nemen, omdat meelezen in het leven van een ander ook kan leiden tot zelfinzicht. En dat willen we toch allemaal?