Joyce Bloem (1): Opluchting

4 juli fietsten twee groepen literatuurliefhebbers door Noord. We trokken van Ot en Sien tot aan Noorderlicht. Op vier locaties stonden schrijvers: Asis Aynan, Renée van Marissing, Thomas Verbogt en Thomas van Aalten lazen allen een verhaal voor over Joyce Bloem, een jonge vrouw met een wat ongelukkig leven, meer wisten de schrijvers niet. Vier slices of life uit het leven van één vrouw. Hier het eerste verhaal: Opluchting van Thomas Verbogt.

 

Het is net alsof een cirkel rond is, dacht Joyce Bloem toen ze door Noord fietste. En daar houdt ze van, van cirkels die rond zijn.
Hier is ze geboren, hier groeide ze op, hier vertrok ze naar een ander leven en nu in de zomer van 2014 keert ze er terug.
Vanochtend wist ze dat nog niet, maar soms zijn het kleine aanleidingen die grote besluiten veroorzaken.
Ze werd uit zichzelf wakker, in haar kleine etage in De Jordaan, en werd niet gewekt door de wekker terwijl ze die gisteren gekocht had. Die was dus nu al kapot. Dat irriteerde haar.
Ze was wakker geworden van de zon die in haar slaapkamer scheen en het was niet dat lekkere tintelende zonlicht waarvan je meteen een goed humeur krijgt. Nee, het was van dat zware licht dat een te warme dag aankondigt, zo’n klamme dag waarop alles veel te zichtbaar is.
Als kind wilde ze op dit soort dagen nooit naar buiten, maar ze was geen kind meer en ging met haar nieuwe wekker terug naar het warenhuis, naar de klantenservice.
Achter de balie zat een grote vrouw met Bassie-haar. Het was goed aan die vrouw te zien dat ze geen zin in de dag had, geen zin in het leven en ook geen zin in Joyce. Dat was dus heel veel geen zin.
Het was dus onduidelijk wie wie bij deze klantenservice service moest verlenen.
Joyce dacht: ik moet ergens over beginnen, want zij doet dat vast niet.
Daarom zei ze: Deze wekker is kapot. Die heb ik hier gisteren gekocht.
De vrouw zei: Bon.
Joycy kan soms houden van korte instructies en gaf haar de aankoopbon.
Wat er met die wekker?  vroeg de vrouw.
Joyce zei: Hij maakt geen geluid.
Hij maakt geen geluid, herhaalde de vrouw.
Joyce voelde dat ze nog iets scherper moest zijn.
Ze zei: De wekker wekt niet. Ik word er niet wakker van.
U wordt er niet wakker van, zei de vrouw.
Nee, zei Joyce.
De vrouw vroeg: Wat heeft u met de wekker gedaan?
Hoezo? vroeg Joyce.
De vrouw snoof kwaadaardig: Dit is geen wekker die niet zomaar niet wekt.
Hoe bedoelt u precies? vroeg Joyce.
De is geen wekker die zomaar niet wekt, herhaalde de vrouw, terwijl haar gezicht donkerrood werd.
Joyce dacht: ik moet hier weg.
De vrouw vervolgde: U moet vreemd met de wekker zijn omgesprongen. Anders had de wekker het wel gedaan. Wij krijgen nooit klachten over deze wekker.
Ja, zei Joyce, maar dan wekken die wekkers vast heel goed, maar de mijne niet.
Ze zweeg even en zei toen – en ze voelde dat ze het misschien niet moest zeggen, maar het was net alsof ze de woorden niet kon tegenhouden: Mag een wekker die niet wekt nog wel een wekker genoemd worden?
De vrouw keek haar borend aan. Ook leek ze zich te herinneren waarom ze geen zin in de dag, geen zin in het leven en geen zin in klagende klanten had en zeker niet in iemand die zich hardop afvroeg of een wekker die niet wekt nog wel een wekker genoemd mag worden.
De vrouw stond langzaam op en keek om zich heen.
Misschien wilde ze er wel iemand bij roepen, iemand van de beveiliging.
Joyce maakte zich los van de balie en liep haastig weg, het warenhuis uit, naar het Centraal Station, door het centraal Station heen, naar de veerboot die naar de NDSM-werf ging.
Het was net alsof zij niet zelf had gelopen, maar iemand haar had opgepakt en hier neergezet.
Ze keek uit over het water en haalde diep adem.

En nu loopt ze door Noord te dwalen over de Klaprozenweg, wat ze misschien een iets te mooie naam vindt voor deze weg die langs vooral lelijke bedrijven voert. Van de andere kant beseft ze ook dat ze in Noord is, waar een ander soort bedrijvigheid heerst dan aan de overkant van het water waar de toeristenterreur de stad voorgoed afgemat heeft. Bovendien weet ze dat het nodig is, lopen over de onheilspellende Klaprozenweg, om dadelijk vol op te kunnen gaan in een groot gevoel van opluchting, want die opluchting hangt in de lucht, dat is duidelijk. Het is zelfs zo dat die opluchting zich bijna fysiek manifesteert als de Klaprozenweg een lichte bocht maakt
en ze in de verte het geluid van vrolijke stemmen hoort.
Het is een vrolijkheid die lang uit haar leven was, die aan de andere kant van het water niet meer bestaat, want daar is vooral de harde vrolijkheid van bierfietsers hoorbaar.
Dit is andere vrolijkheid, sprankelend, optimistisch, ja, de vrolijkheid van Amsterdam Noord, de vrolijkheid van een nieuwe tijd. Als de nieuwe tijd ergens echt nieuw wordt is het wel in Noord.
En dan ja dan staat ze ineens in de Korte Papaverweg en weet ze niet wat ze ziet en ze versnelt haar pas, ze loopt naar café De Ceuvel, het is net of ze op weg is naar huis, alsof er daar op die wonderlijke, avontuurlijke, sprookjesachtige plek op haar gewacht wordt.
Ik kom, hoort ze zichzelf zuchten, ik kom eraan, ik kom er eindelijk aan.
En dan is ze in De Ceuvel waar een haast ondraaglijk lichte sfeer hangt en iedereen haar vriendelijk beziet. Ze gaat zitten en kijkt hoopvol om zich heen en dan beseft ze dat ze zojuist op weg naar dit café iets op een muur las, iets wat hoorde bij deze dag, deze avond, deze nacht, ja, ze weet het weer: Dansschool Eddy Spier. Goede naam voor een dansleraar Eddy Spier.
Ze gaat opnieuw leren dansen om hier in De Ceuvel aan een stuk door te dansen. Maar ja, dan moet er nog wel iemand komen om mee te dansen, maar die komt vast wel. Ze wil er geen probleem van maken.
Joyce Bloem strekt haar benen en wacht. Zo zit ze in haar nieuwe leven.

 

Thomas Verbogt

Dit was het eerste verhaal van de vier verhalen die tijdens de Literaire Pub Crawl op 4 juli 2014 zijn voorgelezen i.s.m. het Over het IJ-festival.