Joyce Bloem (2)

4 juli fietsten twee groepen literatuurliefhebbers door Amsterdam-Noord. We vertrokken van Ot en Sien en eindigden bij Noorderlicht. Op vier locaties stonden schrijvers: Asis Aynan, Renée van Marissing, Thomas Verbogt en Thomas van Aalten lazen allen een verhaal voor over Joyce Bloem, een jonge vrouw met een wat ongelukkig leven die doelloos door Noord zwierf, meer informatie hadden de schrijvers niet gekregen. Vier slices of life uit het leven van één vrouw. Hier het tweede verhaal, van Renée van Marissing: Joyce Bloem.

 

Onderweg maar tijdelijk gestrand. Een deur die open staat is een uitnodiging en het is onbeleefd een uitnodiging af te slaan, nietwaar? Vandaar.

Met een glas in de hand, is een mens nooit alleen. Ik ben er niet een die tegen objecten of vloeistoffen praat, maar vooruit, vanavond heb ik een opportunistisch geloof.

Hoe nu verder? Pek. Pek. Van der Pek. Soms neem ik zijstraten, de overkant, omwegen om de sleur tegen te gaan, maar elke keer een andere gedachte, een andere melodie, net nog obladi, oblada in mijn hoofd, dus altijd anders. Op blije dagen ga ik sneller, net als op regenachtige dagen. Als de zon schijnt, wil ik nog wel eens stilstaan, een kleine minuut, mijn smoelwerk in het warme licht.
‘Kom even bij ons in de tuin zitten,’ zei mijn oma vroeger tegen me, als ik bij haar op de bank door oude kinderboeken zat te bladeren. ‘Dan krijg je een kleurtje.’ Ze woonden hier vlakbij, mijn opa en oma, in de bloemen buurt. Ik at vaak bij ze. Liep vanuit school naar hun huis, drie keer de hoek om, rechts, links, rechts. En ‘s avonds, na het bakje vla met een klodder aardbeienjam, liep mijn opa met mij mee naar mijn eigen huis, aan de andere kant van het park. Als hij me ergens op wilde wijzen, een vogelnest in een boom, een konijn in het gras bij de bomenrand, een struik in bloei of twee zwanen in de vijver, stond hij stil, legde zijn ene hand op mijn hoofd en wees me met zijn andere de richting die ik op moest kijken. Hij zei niks, hij wilde dat ik het zelf zou ontdekken, hij gaf slechts een hint. Soms liepen we langs het kanaal.
Ik hou van het park, van het grind dat knarst en beweegt onder mijn voeten, de aarde en het gras, het water.
Ik hou niet van de straat. Steen, hard, zonder beweging. De straat is de een doorgang, verondersteld dat ik een doel heb. Niet teveel nadruk op leggen. De straat zal zich aanpassen aan het park, aan de vijver. De straat zal doen alsof ze beweegt, golft, niet alleen in de bochten. Zij zal het ritme aangeven, als een drummer of bassist en ik jubel er melodieus overheen met saxofoon of lead-guitar.
Als ik zeg ‘Jump!’, zal zij vragen: ‘How high?’

Nee, Joyce, zo werkt het niet. Jouw tekst is ‘How high?’. Uiteindelijk blijf jij degene die zich aanpast, iedereen, iedereen heeft het gevoel dat hij of zij diegene is die zich altijd aanpast, omdat dat is wat de wereld van ons verlangt. Aanpassen, opgaan in.
Ik wil opgaan in het water, drijven in het IJ. Voorbij de stad, voorbij de drukte en de lichten en het geluid, getoeter en geouwehoer, en voorbij het verticale voortbewegen.
Ik wil een eiland zijn.
Als ik het voor het zeggen had, maar ja.

De straat is zo waar, zo fantasieloos. Wie zich op straat waagt, is altijd ergens, op een plek. Terwijl, als je in het water ligt, dan denk je toch dat je door God en alles verlaten bent. Nergens. Dat heb ik zelfs als ik in bad lig en mijn hoofd onder water houd.
Een straat geeft duiding. U bevindt zich hier. Op straat moet je zelf je richting bepalen, het water, dat draagt je. Beslissingsloos word je ervan. Niks links of rechts, alleen maar met de stroom mee.
Van God en alles verlaten, in de steek gelaten, was het maar zo makkelijk. Liet iedereen mij maar in de steek. Maar om een beetje rust te krijgen ben ik degene die in de steek moet laten. Niet de tuin in, niet de straat op. Het water in.

Ik lig op mijn rug, mijn ogen dicht, en zorg dat mijn oren onder water zijn en dicht ploppen. Een heerlijke ruis. Ik lig in een schelp, ik haal zuurstof uit het water, ik lig hier goed, alleen, maar mocht er iemand aankloppen, zou ik de deur op een kier kunnen zetten en een stukje opschuiven. Ik zie een geliefde en ik hoor een lied dat me moed geeft. De moed uit bad te stappen en mijn stugge handdoek om mijn knokige lijf te slaan.

Drijven in het IJ. Als ik te dicht bij de kant kom, zal ik mijzelf afduwen, richting het midden, en al watertrappelend zal ik een draaikolk forceren.

Ik zal afdwalen richting het westen, om me heen kijken en met een half gespeelde verwondering, want ik houd mijzelf graag een beetje voor de gek, zal ik zeggen: ‘Hé, de Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij.’
Mijn opa werkte op de werf. Mijn oma ook, in de kantine. Zal ik vanavond niet binnen op de bank blijven zitten, niet ronddobberen?
Zal ik langs het terrein drijven, tegen de golven van de pont in zwemmen om te voorkomen dat ik tegen de wal gesmakt zal worden?
Ik zal daar aan land klimmen, klauteren, wat onkruid vastgrijpen, een steigerpaal of een touw dat aan een bolder vastgemaakt is en in het water hangt, en me omhoogtrekken, uit het water, het land op. En als een hond zal ik de druppels van mij afschudden en dat zal dan dat zijn. Ik zal zoveel mogelijk de straat, het asfalt, de stenen ontwijken, en lopen over het gras, de aarde die modder zal worden als ik te lang op één plaats blijf staan en de druppels uit mijn kleren en schoenen zich mengen met de grond. Mijn natte haren zal ik met een nonchalant gebaar naar achteren duwen. Ik zal mijn neus snuiten in mijn hand, die ik afveeg aan mijn broekspijp, ik zal diep ademhalen en op de vraag ‘hoe nu verder’, zal mijn antwoord zijn: vooruit dan maar.

Daar ga je, Joyce. Je glas is leeg. Loop de deur uit. De straat op. De wereld in. Kopje onder.

Dit verhaal werd op 4 juli 2014 door Renée van Marissing voorgelezen in de Soepboer tijdens de Literaire pubcrawl: De nacht van Bloem, i.s.m. Boekhandel Over ‘t Water en het Over het IJ festival.