Joyce Bloem (3)

4 juli fietsten twee groepen literatuurliefhebbers door Amsterdam-Noord. We vertrokken van Ot en Sien en eindigden bij Noorderlicht. Op vier locaties stonden schrijvers: Asis Aynan, Renée van Marissing, Thomas Verbogt en Thomas van Aalten lazen allen een verhaal voor over Joyce Bloem, een jonge vrouw met een wat ongelukkig leven die doelloos door Noord zwierf, meer informatie hadden de schrijvers niet gekregen. Vier slices of life uit het leven van één vrouw. Hier het derde verhaal, van Thomas van Aalten.

 

‘Ik heb het niet zo op reünies,’ zei ik tegen Joyce.
Ik zei dat ik er over na zou denken en dat ze me wel zou zien als ik me er overheen kon zetten. We spraken niets af, ik kon niets beloven.

*

Ik legde mijn telefoon neer en keek naar buiten. Het verkeer op het noordelijke gedeelte van de ring A10 stond helemaal vast. Eerst was er natte sneeuw. Die ging over in droge sneeuw. Ik had het al de hele ochtend in de gaten gehouden. Af en toe liep ik naar het raam en duwde de kunststof stroken van de luxaflex naar beneden. Ik liet mijn manager weten dat ik thuis zou werken.
Dat had niet per se met de weersomstandigheden te maken.
Gek om Joyce’ stem na al die jaren terug te horen. Dat was minstens vijftien jaar geleden. Eén keer heb ik haar nog gezien. Ze was met haar moeder aan het winkelen op het Buikslotermeerplein. Ze zwaaide vrolijk en opzichtig. In niets herinnerde de montere blik en de wuivende hand aan de situaties die we samen hadden meegemaakt.

*

Ik werk nu drie jaar voor het verzekeringsbedrijf. Ik neem schade op van auto’s. Van kleine krasjes in het koetswerk die door de fietsjes van buurtkinderen van een egomane bankier zijn veroorzaakt, tot wrakken met leeggelopen airbags, gerafelde gordels en bloedsporen op de versnellingspook. Nooit had ik als tiener kunnen voorspellen dat ik in deze branche terecht zou komen. Ik denk dat Joyce me uitgelachen zou hebben.

Ik voelde geen behoefte om me weer onder te dompelen in herinneringen en vals sentiment. Joyce zien was tot daaraan toe, maar al die oud-klasgenoten die ik niets te vertellen had. Jongens die ongetwijfeld allemaal dikke en kale mannen waren geworden. De meisjes van toen, nu breedheupige deeltijdwerkers met kort rood haar.
Maar het belangrijkste: ik had geen zin om mijn verhaal uit de doeken te doen. Ik was een schade-expert, gescheiden, vader van een zoon van acht. Woonachtig in een flat langs de snelweg. Meer was er niet. De angst dat één van mijn oud-klasgenoten zou beginnen over de ster in zijn ruiten, veroorzaakt door een cementwagen. Of iemand die probeerde zijn verzekering op te lichten en bij mij checkte wat hij moest doen om optimaal zijn geld eruit te krijgen.

*

Het schooljaar was in september begonnen. Ik had bij Joyce in de eerste twee brugklassen gezeten. Zij ging naar het vwo, ik naar de havo. Ik had altijd een zwak voor haar gehad tijdens de eerste twee schooljaren. Van relatief braaf hockeymeisje met beugel en een Burberry-vest had ze zich in 4 vwo ontpopt tot een stoere dame met stijlvolle zwarte jurkjes, trendy hakschoenen, donkerrood geverfd haar en rode lippenstift. Ook Joyce had duidelijk bewust gekozen voor haar positie als dropout, einzelgänger. Ze wilde nergens bij horen, koos duidelijk haar eigen stijl.
Joyce volgde toneellessen op vrijdagmiddag en liep gewichtig met toneelscripts door de gangen. Met kerst was er een toneelopvoering: tranentrekkend slecht met witgeschminkte scholieren in mantels die de tragedie van Elektra pretendeerden te brengen. Ik vond het vreselijk saai en pathetisch, maar de tot wasdom verworden Joyce had diepe indruk gemaakt.
Ik voelde me tot Joyce en Lucas aangetrokken, juist vanwege die eigenzinnigheid die ik zelf ontbeerde. Ik was wel nieuwsgierig naar dat grillige, dat anders zijn. Ik ontweek haar in eerste instantie. Tot ze mijn naam riep. Ze vroeg of ik zin had om mee te gaan naar de stad.
‘De stad? Volgens mij hebben wij gym.’
‘Precies. Gym. Een tussenuur dus.’
Voor het eerst in mijn leven spijbelde ik. Dat het tot vier havo heeft moeten duren, is misschien een beetje triest. Alsof je op je dertigste begint met roken. Ik voelde hoe makkelijk het eigenlijk ging. Al die jaren had ik het niet gedurfd, was ik bang geweest dat men me zou betrappen. Alsof de conciërge je in de gaten zou houden. Daar gaat Simon uit vier havo. Eigenlijk heeft hij gym. Daar kwam bij dat spijbelen of mij verslapen me überhaupt niet trok, los van de gevolgen. Het paste niet bij me.
Zoals dat op een middelbare school gaat, spreek je oude klasgenoten amper. Je ziet ze in de loop van de jaren muteren. Je accepteert dat ze niet meer in je directe sociale omgeving opereren, al was je in de brugklas nog op hun verjaardagen geweest en herinner je je de stupide, kinderlijke cadeaus uit die tijd. Dat ging van bouwpakketten voor jongens tot videobanden van een jeugdserie voor meisjes. Ineens hebben dat soort jongens grote voeten, puisten en bassende stemmen. Zie je plots tabaksrook uit hun beugelbek opstijgen. Is hun crossfiets vervangen door een scooter. De meisjes hebben borsten, oorbellen, make-up, en zijn qua ontwikkeling een paar lichtjaren verder dan de andere sekse – en soms denken ze dat alleen maar.
Gedurende het hele jaar in 3 havo had ik Joyce niet gesproken. De eerste twee jaren in de brugklas waren we nog close, maar het verschil in niveau had kennelijk een wig gedreven tussen onze sociale contacten. We vonden het allebei prima. Tijdens schoolfeesten zagen we elkaar en groetten we elkaar nog, maar we hadden geen woord meer gewisseld.
En die donderdagmiddag was de inleiding tot een nieuw tijdperk.
Joyce was niet alleen in haar kledingkeuze een heuse jonge vrouw geworden. Haar lichaam was in die twaalf maanden als een kleurrijk gewas tot bloei gekomen. Alle vormen in ideale staat.
Ikzelf liep wat achter. Mijn lichaam was nog knokig, slungelig. Er zat al wat haar op mijn zak, maar ik wist niet zo goed wat ik met mijn pik aan moest. Ik schrok me dood toen ik in 3 havo mijn eerste zaadlozing had (eigenlijk trok ik me toen pas voor het eerst af). Ik haatte mezelf als ik aan de meisjes uit mijn klas dacht terwijl ik de hand aan mijzelf sloeg. Niet dat ik vermoedde dat Joyce al volledig vertrouwd was met haar lichaam, maar ze straalde in elk geval vrouwelijkheid uit.
Ik was nog echt een knulletje. Ik droeg Amerikaanse college-truien, tennisshirts en stone wash denims. Gelukkig had ik de stekels al twee jaar afgezworen (tot verdriet van mijn moeder) en liet ik mijn asblonde haar wat langer groeien (tot nog meer verdriet van mijn moeder).

Het begon te sneeuwen.
Joyce vertelde me dat ze die avond uit ging.
‘Vanavond? Morgen hebben we drie laatste lessen voor de proefwerkweek maandag begint.’
‘Lucas vertelde dat dat pas vanaf twee uur is.’
‘Daarvoor hebben we een bezoek aan dat museum.’
‘Hoe laat moeten jullie daar zijn?’
‘Negen uur.’
‘Als je vanavond om één uur thuiskomt, heb je nog minstens zeven uur om te slapen. Kan toch?’
‘Laat ik me dat mijn ouders eens uitleggen.’
‘Moet je dat uitleggen?’
‘Jij niet dan?’
Ze haalde haar schouders op. ‘Ze zijn zelf jong geweest. Ze zijn heel erg beschermd opgevoed, mochten bijna niks. Ze zijn blij dat ze mij vrijer kunnen opvoeden.’
Ik wist dat dat ‘vrijer’ vooral te maken had met de drukke banen van haar ouders. Ze konden het gewoon nauwelijks bijbenen en vonden het al lang makkelijk dat hun dochter een beetje haar eigen gang ging.
‘Nou ja, later dan.’
Ze liep het fietsenhok uit, richting schoolplein.

*

‘s Avonds spraken mijn ouders over de coniferen van de buren. Of die nu wel of niet te hoog werden. Mijn gedachten dwaalden af naar Joyce. Haar eigenwijze pedante toon waarop ze woorden uitsprak. Woorden waar ik me aan ergerde, maar die me ook nieuwsgierig maakten.
Ik sneed mijn gehaktbal in tweeën en keek naar de mezen in de achtertuin die zich op de pindanetjes in de perenboom stortte. De boom stond precies in de lichtbundel van een potsierlijke lamp die mijn vader de zomer ervoor bij het tuincentrum gehaald had. De sierlijke witte lamp pretendeerde authentiek te zijn, als uit een verhaal van Charles Dickens. Maar hij was van kunststof en kostte tien gulden vijfennegentig.
‘Hoe gaat het met leren?’ Mijn moeder vroeg het uit routine, omdat ze wist dat ik toch wel al mijn proefwerken zou halen. Ik antwoordde dat het goed ging.
Dat ik naar de havo was gegaan, had me twee jaar daarvoor gefrustreerd. Het kwam vooral door mijn mentor Sjors Verberne, die lul van een natuurkundeleraar met die snor. Hij vond dat ik beter ‘op mijn eigen tempo’ de school kon doorlopen. ‘Dan kun je daarna nog altijd vwo doen.’ Maar ik zag niet voor me hoe ik nog eens twee jaar op het Atlantis zou doorbrengen. Toch besloten mijn ouders voor de veilige weg te kiezen.
Mijn vader lepelde de aardappelpuree naar binnen. ‘Het gaat al met al best goed op school hè.’
Na afloop kwamen er pakken vanille- en hopjesvla op tafel. Het verontrustende daaraan was dat ze die traditie ooit hadden ingezet om mij als kind te plezieren, maar dat ze ermee door gingen terwijl ik allang die vla niet meer at.
Mijn vader deed eerst een laagje vanillevla in het bakje, dan een laagje hopjesvla, dan weer vanillevla en ten slotte vruchtenhagel. Dan haalde hij de avondkrant uit de bus en liep een rondje met Tina om haar uit te laten op het grasveld achter ons huis. Als hij dan terugkwam, was de vruchtenhagel week geworden en één geworden met de vla. Dan zoog en slurpte hij alles naar binnen terwijl mijn moeder en ik de tafel opruimden.
Mijn vader deed nooit wat in het huishouden. Hij was een onbeholpen stuntelaar in de keuken of het washok, maar voerde wel in en om het huis reparaties uit, en had een knutselschuur met golfplaten dak waar het altijd naar teer en zaagsel rook. Keurig was zijn gereedschap opgeborgen in speciale foedralen. Hij had een engelengeduld als het om klussen ging. Hij kon gerust uren bezig zijn met het afvijlen van een plastic buis of het dichten van een gat in een polyester tentdoek. Het resultaat was altijd perfect.
Het lievelingsprogramma van mijn ouders was Te land, Ter Zee en In de Lucht. Mijn vader zat dan in zijn leren stoel en gniffelde om al die malloten die zich op een eenwieler met een rotvaart op weg naar een bel van een balk in het koude water donderde. Ook keken ze graag naar De Stoel met Rik Felderhof. Kleurrijke types die in een nagebouwd 17e eeuws kasteel woonde, of dubieuze clowns met een uitheemse beenderenverzameling. Vol verbijstering namen mijn ouders kennis van het andere soort, het soort mensen dat niet was zoals zij, normale mensen.
‘Hoe denken jullie over uitgaan?’ vroeg ik voorzichtig aan mijn moeder, terwijl mijn vader Tina uitliet.
‘Uitgaan?’
‘Ja.’
‘Je vader en ik gingen vroeger weleens naar een dancing.’
‘Dat bedoel ik dus niet. Wat zouden jullie ervan vinden als ik uitging?’
‘Disco’s enzo?’
‘Nou ja, een discotheek niet echt, nee. Gewoon, een café.’
‘Wat moet je daar doen dan?’
‘Mensen ontmoeten. Vrienden enzo.’
‘Die zie je toch al op school?’
‘Ik ben zestien. Het is 1992. De meeste leeftijdsgenoten gaan gewoon uit. Ouders hebben daar normaal gesproken geen enkel probleem mee.’
Mijn moeder keek wat ontheemd.
‘Daar zal ik het eens met je vader over hebben.’ Ze zette de schaal van de gehaktballen in de vaatwasser.
Mijn vader kwam binnen en stortte zich op zijn vlaflip. Ik vertrok naar boven. ‘Huiswerk maken,’ zei ik.
Mijn ouders zetten de televisie aan.

*

In mijn kamer ging ik op mijn bed liggen, mijn handen onder mijn achterhoofd. Ik keek naar de schrootjes van het zolderdak en telde ze. Ik had ze al die jaren al talloze malen geteld, maar toch bleef ik het doen. Vijftien op een rij, dan onderbroken door een balk, dan weer vijftien, dan een kunststof buis van de elektriciteitstoevoer van de lamp aan het plafond, dan nog vijf schroten.
Er hing een poster van een tennisser met een snor. De man keek alsof hij moest kakken. Ik had de poster ooit gekregen omdat het bedrijf waar mijn vader voor werkte sponsor was geweest van een tennistoernooi in 1987.
Ik kwam overeind. Ik had nagenoeg dezelfde kamer als toen ik twaalf was. Ik stond op en haalde de poster van de schrootjes. Het plakband liet makkelijk los, alsof de poster er anders wel een paar dagen later vanaf zou vallen.
Ik zette de knop van mijn verwarming voluit en luisterde naar het tikken van de buizen. De temperatuur in mijn kamer steeg. Ik trok mijn sokken uit en duwde mijn koude voeten tegen de hete banen van de verwarming. De radio in de vensterbank stond zachtjes op Radio 1, een sportverslag.
Van mijn veertiende tot mijn zestiende bracht ik de avonden na het eten vaak zo door. Ik ging op mijn bed liggen en doezelde weg op de klanken van Langs de Lijn.
Tegen tienen schrok ik op van andere tikjes dan die van de verwarmingsbuizen. Het waren korte, harde tikjes tegen mijn raam. Het geluid dat ik herinnerde van toen mijn ouders zich per ongeluk hadden buitengesloten na een avond uit. Toen gooiden ze kiezelsteentjes van de oprit tegen mijn raam. Ik schoof het gordijn opzij en keek naar beneden.
Daar stond ze, Joyce Bloem. Ze stond in het licht van de lantaarns en zwaaide naar me. Ik zag een rood oplichtend puntje van haar sigaret. Ik opende het raam. Het sneeuwde.
‘Simon,’ fluisterden ze.
‘Wat?’ fluisterde ik terug.
‘Kom!’ Ze wenkte me.
‘Wat? Nu?’
‘Kom naar beneden, de wereld wacht.’ Het klonk grotesk en bombastisch.
Ik wist dat mijn ouders nog beneden waren. Ik hoorde de televisie door het huis galmen. ‘Wat dachten je zelf? Dat ik naar beneden kwam via de regenpijp of zo?’ zei ik verontwaardigd.
‘Goed idee, kom via de regenpijp.’
En daar, in een schimmige nis van het winkelcentrum, tongzoende ik voor het eerst met een meisje. En dat meisje was Joyce Bloem.

Ik belde haar deze ochtend toch maar terug. Ze bood aan dat ik desnoods bij haar kon logeren vanwege het slechte weer. ‘Ga niet met de auto. Je komt vast te staan. De hele A2 en A12 zijn de komende week amper begaanbaar. Neem overmorgen de trein van tien voor half zes, ik kom je ophalen van het station.’ Dezelfde gretigheid als toen om mij naar zich toe te trekken, op het hysterische af. Ik had gegoogled op haar naam, maar kwam geen recente foto tegen. Ik zei nog zo dat ik het niet had op reünies. En al helemaal niet van mijn middelbare school. Nu had ik er toch mee ingestemd, uit nieuwsgierigheid.

Joyce? Ze werkte nu in een laboratorium als chemisch analist. Ik kon geen beeld vormen van zo’n omschrijving, maar ik vermoedde dat ze een witte jas en een beschermende bril droeg en dagelijks data in een computer invoerde en analyseerde. Groter kon het contrast niet zijn met Joyce uit 1993. Van de glinstering en de bravoure was geen sprake meer; ze had een slepend been na een blessure op de squashbaan. Haar slapen waren grijs, de schoenen praktisch, de adem licht bedorven. Ze was getrouwd met een registeraccountant van Deloitte.
‘Weet je nog, dat je mij het natuurverschijnsel Noorderlicht uitlegde,’ vroeg ze na de slok uit het kopje met het logo van onze middelbare school. Ik heb de Latijnse naam onthouden: Aurora Norealis,’ zei ze hoopvol.
‘Borealis,’ verbeterde ik haar, en wilde eigenlijk hard wegrennen nadat ik me had voorgesteld dat ik haar nog één keer moest tongzoenen.