Een discussie over de staat van de roman

De Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs voor het beste literaire debuut gaat dit jaar naar Sander Kollaard. De jury is enthousiast over zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, maar haalt ook stevig uit naar het gros van de debutanten en hun uitgevers, zo schrijft men op Dutch HeightsDe Van der Hoogt-prijs 2014 kende een groot aantal inzendingen, maar de kwaliteit van veel prozadebuten rechtvaardigde volgens de jury nauwelijks een uitgave in boekvorm. ‘Het betreft meestal autobiografische anekdotiek, die zonder veel literaire stilering de wereld in is gezonden. Originaliteit in de vormgeving is ver te zoeken en het experiment is zelfs morsdood. Het gebruik van de genre-aanduiding “roman” lijkt vooral commerciële doeleinden te dienen. Het is al te makkelijk alleen geldbeluste uitgevers verantwoordelijk te stellen voor deze situatie, al zouden zij scherper mogen selecteren en meer zorg kunnen besteden aan de tekstredactie. Ook de debuterende auteurs gaan niet vrijuit. Zij zouden minder snel tevreden kunnen zijn over hun werk en zich hoeden voor premature publicatie ervan.’

Het jury-oordeel lijkt aan te sluiten bij een wijder verspreide mening over de staat van de nieuwe Nederlandse literatuur. Abdelkader Benali haalde dit voorjaar op Facebook nog uit naar ‘de’ jonge Nederlandse schrijvers: ‘Iedereen is hoogopgeleid, iedereen heeft ouders met “gekke” trauma’s, iedereen is een drop-out van het Montessori Lyceum, iedereen is neurotisch op het debiele af, iedereen is de hele dag aan het filosoferen over de ideale bereiding van een cappuccino, iedereen woont in Amsterdam, iedereen is ongelukkig, iedereen heeft geld, iedereen droomt van armoede, iedereen twijfelt aan zichzelf, iedereen heeft seks, iedereen zoekt liefde, iedereen heeft briljante a-logische redeneringen, iedereen is licht duizeling door alle verwendheid die men heeft ervaren, niemand slaapt thuis, maar ergens anders op locaties die een normaal mens nooit zou kunnen betalen. Iedereen is wezenloos middelmatig en niemand heeft een leven.’ Benali’s tirade werd echter niet onderbouwd met voorbeelden.

Anderhalve week geleden sloot Nelleke Noordervliet zich in De Groene Amsterdammer aan bij Benali, en gaf daarbij een verklaring voor de vermeende tanende kwaliteit van de hedendaagse literatuur. ‘Er zijn geen grote lezers meer, en dus verdwijnen de grote schrijvers. Literaire essays zijn vervangen door blogs. De definitieve proletarisering van de smaak.’ De literatuur zou een verwaarloosbaar onderdeel zijn geworden van de vermaakindustrie: ‘nu krijgen doordachte en goed geschreven romans cynisch een plaats toegewezen in een niche voor ongevaarlijke dwazen.’

Deze week plaatste Carel Peeters in Vrij Nederland een felle tegenreactie op dergelijk ‘literair defaitisme’. Hoewel Peeters de ‘pompeuze’ term ‘grote lezer’ liever niet bezigt, benoemt hij er toch een tweetal van: James Wood van The New Yorker en Daniel Mendelsohn van de New York Review of Books. Voor wat betreft de grote schrijvers noemt en roemt hij Stefan Hertmans, Oek de Jong, Tom Lanoye, Niña Weijers, Merijn de Boer en Jamal Ouariachi.

Wat Peeters betreft gaan Noordervliet en co. er in hun defaitisme vanuit dat de literatuur er cultureel en maatschappelijk ooit betekenisvol ‘toe gedaan heeft’. Echter, meent Peeters, ‘dat is nooit zo geweest. Literatuur was altijd iets bijzonders, ook al was het voor wie er mee leefde heel gewoon. Wie er een zintuig voor had wilde er onderdeel van zijn, wetend wat er te halen viel. Literatuur is altijd iets voor goede verstaanders geweest, een jongensclub waar ook meisjes lid van waren. En zo is het nog steeds.’ Gegeven het legio aan verleidingen dat de hedendaagse lezer moet weerstaan – ‘televisieseries, films, muziek, documentaires, talk shows, games, radio, Facebook, e-mail en de giganteske wereld van internet’ – acht Peeters het ’bewonderenswaardig hoe de literatuur toch stand houdt en voor een groot deel doet alsof het leven gewoon doorgaat. [...] Dat het met de geletterdheid van Nederland ondertussen achteruit gaat valt niet te ontkennen, maar dat ligt niet aan de literatuur. Het zijn de “omstandigheden”, de eerder genoemde helse verleidingen.’