Boek van de week

Het is 1952. Twee jongetjes zitten in de vensterbank van een Weense woning. Ze wachten op Liesbeth. Ze kennen de wereld slechts vanuit het raam, omdat ze om voor de lezer geheimzinnige redenen het huis niet uit mogen of kunnen. Er is geen moeder. Er was een vader, maar die is ineens vertrokken en nu wachten ze op Liesbeth, die ze kennen en lief vinden en die voor ze zal zorgen.
Het duurt lang voor ze komt, ze hebben honger, twee rollen PEZ-pepermunt is alles wat ze hebben.
Dan komt Liesbeth, en de jongetjes voelen zich ondergedompeld in liefde, warmte, lekkere zuurkool (ze eten in het boek alleen maar zuurkool).
Vader blijkt dood en Liesbeth brengt een andere man in huis, Egon, en vanaf dat moment beginnen in de verte de eerste alarmbellen te rinkelen. De jongetjes, eerst zo ontroerend en ongenaakbaar in hun denken en doen, worden kwetsbare wezentjes die zich zonder de zorg van hun vader nergens tegen kunnen verweren.
Hoofdstuk voor hoofdstuk schuift Willemsen zijn jongetjes tergend langzaam richting de afgrond. En niet alleen de jongetjes. Ook de lezer wordt gekweld. Wat aanvankelijk als een mooi licht, bijna naïef verteld verhaal begon, wordt langzaam een zwart sprookje waarin we net zo weinig zien en net zo weinig weten als de twee weerloze hoofdpersonen.
Naar het einde toe begint de omvang van de gruwelijkheden scherpere contouren te krijgen, het licht dooft langzaam, de duisternis neemt het over. De vragen die overblijven na het lezen van Morgen komt Liesbeth blijven nog dagenlang in je hoofd knagen.

Door: Daphne de Heer

Morgen komt Liesbeth(1)

Olivier Willemsen
Morgen komt Liesbeth

Uitgeverij De Harmonie

€ 16,90
144 pagina’s