Grensgebieden – Olivier Willemsen

In een speciale aflevering van West Words op 20 november 2014  in Podium Mozaïek genaamd Grensgebieden gingen theatermakers Kirsten Schötteldreier en Susanne Marx naar aanleiding van de val van de muur op zoek naar het begrip grenzen. Olivier Willemsen schreef voor dit programma onderstaande monoloog.

Mijn grootvader vertelde me vaak dat je droom de mooiste en goedkoopste film is. Dan zat-ie op de rand van mijn bed, met zijn grote handen tussen zijn knieën gevouwen. Op de achtergrond bubbelde mijn aquarium. We keken samen naar mijn vissen, mijn tandkarpertjes die ik in leven moest houden.

Op een middag in december zat ik naast hem. Ze hadden opa afgelegd met een tennisracket op zijn buik. Zijn houten Rucanor-racket. Het was een vreemd gezicht. Ik had het racket vaak in de kelder zien staan als ik de deur even opende om de lucht op te snuiven. Hij gebruikte het al jaren niet meer. Nu lag het op zijn lichaam. Hij hield het statig tegen zijn borst als een ridder; als een tempelier. Een Wimbledon-tempelier. Opa hield van de hoog opgetrokken witte sokken van Ivan Lendl, en van de ballenjongens en -meisjes die keurig in eenzelfde looppas het zeil over de baan trokken wanneer het begon te regenen. Geen enkele familie die ik kende gaf iets om tennis, maar opa kon er uren over vertellen.Ik staarde die middag naar een klein en bescheiden kruis op de zijkant van zijn kist, zoals alle kruizen die ik in mijn leven had gezien klein en bescheiden waren. Ik dacht aan zijn cassettebandje, het bandje met lofzangen uit een boek dat opa het ‘Boek der Psalmen’ noemde. Hij had het me stiekem gegeven. Er stond alleen BASF op, zodat ik er een tijdlang van overtuigd was dat het chemisch concern voor iets goddelijks stond. Mijn ouders moesten niets van opa’s God hebben, daarom hield ik het bandje voor hen verborgen. ’s Avonds in bed luisterde ik naar de vreemde klanken.

‘Alles wat in het water zijn weg zoekt, draagt de naam en zorg van God,’ mompelde opa toen ik hem vertelde dat mijn tandkarpertjes rustig werden van de lofzangen. Mijn ouders hadden me geleerd dat er grenzen nodig zijn, grenzen om goed voor iets of iemand te kunnen zorgen. Daarom gaven ze me een aquarium. ‘Oefenen voor later,’ zo noemden ze dat.

Ik waakte elke dag over mijn vissen als een badjuf. Ik zorgde voor ze, en het aquarium was de afgemeten ruimte waarbinnen de diertjes voor zich lieten zorgen. Telkens als mijn vissen de grenzen van de ruimte opzochten, telkens als ze hun kop tegen het glas dreigden te stoten, keerden ze om. Onbewogen, zo keerden ze om. Ik hield al hun bewegingen in de gaten. Ik observeerde ze, ik ging op in hun bewegingen, en was soms zelfs een van hen. Elke dag maakte ik het glaswerk schoon met een magneet.

De tandkarpertjes in mijn aquarium stierven altijd gelijktijdig, altijd precies om de vier jaar, alsof het een afgesproken zelfmoordcommando betrof. Alleen toen de warmtepomp was uitgevallen zijn ze een jaar te vroeg gestorven. Ik had gefaald in mijn zorg, zeiden mijn ouders. Opa had op zijn kamer voor de vissen gebeden. Op de dag dat de thermostaat op tilt sloeg, en het water zo heet werd dat de tandkarpertjes bijna kookten, is het me nog wel gelukt om ze te redden. Ik overgoot ze met koud water en gebruikte twee ijsklontjes als defibrillatoren. Mijn vissen begonnen weer te dankbaar spartelen.

‘Alles wat in het water zijn weg zoekt, draagt de naam en zorg van God’. Ik mompelde opa’s woorden toen ik die middag in december opstond naast zijn kist. Opa lag klaar om door zijn God verzorgd te gaan worden. Klaar in zijn houten kader. Ik legde mijn hand om zijn hand, zijn grote hand die strak rondom het handvat van het tennisracket was geklemd. Hij was ijskoud. De kistkoeling stond op de hoogste stand. Om te leven heb je warmte nodig, begreep ik die middag, en als je dood bent de kou.

**

“Jaren later, op een ochtend in de lente, toen de bomen in onze voortuin nadruppelden van een korte maar hevige regenbui, zag ik vanuit mijn slaapkamerraam hoe een onbekende man in een bruine jas mijn moeder achterin een kleine vrachtwagen hielp. De man hield haar hoffelijk bij haar pols vast, alsof hij mijn moeder in een diligence hielp om een eindje te gaan rijden. De uitlaat van de wagen spuwde met hortende stoten onheilspellend grijszwarte rookwolken de voortuin in. Ik riep mijn broertje. Samen keken we toe hoe ook vader op het voertuig klom, en net als onze moeder achter in de wagen verdween.”

Beneden keek oma naar de televisie. Ze hoorde ons boven niet roepen, of ze wilde het niet horen. Oma wist heel goed wat ze wel en niet kon horen. Sinds opa’s dood keek ze alleen nog maar naar de televisie. Elke dag was er hetzelfde op tv. De tv zorgde voor haar, en zij liet voor zich zorgen.
Mijn broertje en ik sloegen met onze vuisten tegen het slaapkamerraam. We schreeuwden tegen de ruit. De man in de bruine jas hoorde het gebonk en keek omhoog. Hij overlegde een moment met de bestuurder van de vrachtwagen en liep daarna met afgemeten passen richting de voordeur. Beneden hoorde ik hem hevig tekeer gaan tegen grootmoeder die zich van de domme hield – oma wist heel goed wat ze wel en niet kon horen.

Even later liep de man de trap op. Hij hield oma als een klein kind aan haar oor vast terwijl hij de slaapkamer binnenstapte. De vernedering was voelbaar, hoe jong ik daar ook was. De man zei niets. Oma zakte door haar knieën van de pijn. Ze wees ineengekrompen naar mijn broertje. Otto wist hoe laat het was. Hij rende voorbij het aquarium en probeerde langs de twee in de deurpost te glippen, maar de man greep hem in zijn nek. Hij tilde hem op alsof het een geschoten haas was. Otto sloeg wild met zijn armen om zich heen, maar gaf zich daarna snel gewonnen. De man liep zwijgend de trap af en nam hem mee naar de vrachtwagen. Oma drukte me tegen haar borst. We zaten op de grond in de slaapkamer. Toen ze de wagen hoorde optrekken maakte ik me los uit de armen van oma, en keek door het raam. In de voortuin hing een plukje zwarte rook, een plukje dat geleidelijk grijs werd en uiteindelijk oploste in de lucht. De bomen waren gestopt met druppelen. Oma had haar handen over haar oren gelegd.

**

Wie ongehoorzaam was, werd meegenomen. Mijn ouders hadden dit voor het slapengaan vaak tegen me gezegd. ‘Het huis heeft ogen en oren,’ waarschuwden ze, zoals mijn grootvader me toefluisterde dat juist zijn God ze had. Wie binnen de grenzen bleef, werd niet meegenomen, zeiden ze. Voor een goede zorg zijn grenzen nodig. Wie buiten de grenzen trad was ongehoorzaam en werd meegenomen, zoals mijn broertje Otto, die een gat in de stenen had gemaakt.

Op de spaarzame momenten dat ik mijn vissen even alleen kon laten, lagen mijn broertje en ik op onze rug in het gras van de voortuin. Daar zagen we de wolken overtrekken. Soms zagen we de wolken aankomen, en soms kwamen ze van over de hoge stenen. Dan waren ze er opeens. In het voorbijgaan veranderden ze van vorm: wat bij ons als een eenhoorn over de stenen trok en verder reisde als een uitdijende olifant, was aan de andere zijde misschien als een paard begonnen, althans dat stelden we ons zo voor.

We wisten dat we dezelfde zon en maan zagen als zij aan de andere kant. Er is maar weinig op aarde dat velen tegelijkertijd kunnen zien, zoals de zon en de maan, of het weerbericht op de televisie. Oma zag op de nieuwsberichten hoe warm het buiten was, en wanneer de regen achter de gordijnen begon of stopte. Oma kwam nooit buiten. Ze hield de televisie in de gaten, en de televisie haar. Ze keek naar pianoconcerten of naar kunstschaatsen, en soms naar uitzendingen van achter de stenen. Mijn ouders waarschuwden oma op die momenten dat het huis ogen en oren had, maar ze reageerde daar niet op – oma wist heel goed wat ze wel en niet kon horen.
Ik zag de gloed van het beeldscherm altijd in een baan over haar gezicht als ik naar boven liep. Op mijn slaapkamer hoorde ik de pianomuziek. Soms hoorde ik de piano op de achtergrond terwijl ik stiekem naar opa’s cassettebandje met lofzangen luisterde.

**

Op een ochtend liep ik in mijn pyjama naar beneden, en trof ik oma met haar mond open aan in haar stoel. De televisie was uitgevallen. Ze had haar hand om de afstandsbediening. Haar hand was zo koud als die van opa om het handvat van zijn tennisracket. De televisie had besloten om niet meer voor haar te zorgen.
Ik rende naar boven, ik nam afscheid van mijn vissen en ik vertrok van huis. Ik wilde lopen, het liefst zover mogelijk, en ik begon met tellen. Het tellen van de stenen. De grote witte stenen die vanaf de voortuin tot aan de einder reikten. Op de stenen waar ik tot op mijn tenen bij kon, krijtte ik een kruisje, een bescheiden kruisje. En van de bovenste stenen, de stenen die zo hoog richting de hemel reikten dat je er misselijk van werd als je er lang naar keek, schatte ik het aantal. Zo telde ik me steeds verder van huis.

Ik ging op zoek naar het einde. Moeder had eens voorgelezen over schippers die bang waren dat ze met hun schepen van de wereld af zouden vallen. Maar, ook de wereld had een grens waarover je niet kon gaan. De schippers keerden altijd weer in hun veilige havens terug. Ik ging die ochtend op zoek naar de laatste steen, maar na twee weken kwam ik uit bij waar ik was begonnen: bij het allereerste kruisje.

Toen ik thuiskwam liep ik door de voortuin. De voordeur was geforceerd. Oma zat niet meer in haar stoel. Ze hadden haar weggehaald. Ze was uitgewist, alsof ze nooit had bestaan. De televisie stond uit. In de weerspiegeling op het zwarte scherm zag ik mezelf. Boven dreven mijn tandkarpertjes als herfstbladeren op het water.

Oma liet de televisie voor haar zorgen. Mijn vader, moeder en broertje hadden de ongehoorzaamheid opgezocht en verdwenen in de vrachtwagen. En opa was net als mijn generaties tandkarpertjes, in de veilige handen van zijn God.

En ik, ik had even met de ongehoorzaam geflirt, ik had langs de stenen grens gewandeld, op zoek naar het einde, naar de laatste steen, maar de laatste bleek de eerste.
Ik zette de televisie aan, en vanaf toen niet meer uit. Twintig jaar lang keek ik naar de herhalingen op het scherm. Ik zag wat voor weer het buiten was, en ik wist wanneer de bomen gingen druppelen of ermee op zouden houden. Ik keek naar het kunstschaatsen, naar pirouettes en landingen, en ik keek naar de tenniskampioenschappen en genoot van de momenten waarop het zeil over het gravel werd getrokken om het tegen de regen te beschermen.

Buiten kom ik niet meer. Een mens heeft kaders en muren nodig om te overleven. Sommigen zijn als vissen in een aquarium. Ze keren om net voordat ze hun hoofd stoten, en anderen houden het aquarium als badmeesters in de gaten.

Monoloog. Voorgedragen door Joyce Roodnat tijdens ‘West Words’, Amsterdam 20 november 2014

Olivier Willemsen
20 november 2014