De toren van Noord

Als ik er met mijn rug naartoe sta, ik kijk over het weidse IJ naar de overkant en ik denk: ik wil nog niet slapen, buigt de toren zich langzaam naar mij toe. Wanneer ik er langs fiets, ik ben dronken geworden in de stad en slinger van een pont vol andere dronkenlappen af, hoor ik hem ademen. Een beest in winterslaap. Kalm, nauwelijks hoorbaar, de belofte van honger bij het ontwaken. Nu hij tijdelijk van zijn kroon verlost is en als een droog geraamte aan het water staat, nu de wind er doorheen huilt en er bouwfolie langs zijn flanken klappert, kan de toren ieder moment opstaan om op lange insectenpoten Amsterdam Noord in te wandelen.

Wraak van de knekels waar hij op gebouwd is.

Mijn moeder vertelde me graag over vroeger, toen ze jong was. Maar sommige verhalen kende ze van eerder, nog van voor ze geboren werd (ik kon me lang niet voorstellen dat er ooit een wereld zonder mijn moeder geweest was, zoals ik me niet voor kon stellen dat er ooit wéér een wereld zonder haar zou zijn), mijn oma vertelde die verhalen aan haar. En mijn oma hoorde de verhalen van haar grootmoeder. Enzovoorts. De vrouwen in mijn familie kunnen hun mond niet houden, vooral niet over elkaar. De mannen gaan hooguit een generatie mee, de moeders, tantes, nichten en oma’s zingen al decennia rond op verjaardagen en kerstdiners. Sommigen luisteren zelfs mee, hun geesten stilletjes in muren en doorzichtige japonnen verstopt.

De vrouwen vertellen: Petronella Pieterse sloeg in haar woning op de Nieuwendijk haar broer dood met een gerookte ham. Ze had schulden bij hem, een slecht karakter en zes kinderen van een schoenlapper of een palingroker die ten tijde van het misdrijf al een tijd dood was, verdronken of gevallen, niemand die het weet. Alle zes de kinderen zagen de ham op het hoofd van hun oom neerkomen en vijf ervan gingen door waar ze mee bezig waren. De op één na jongste speelde met een walnoot, twee anderen trokken elkaar zoals gewoonlijk de haren uit, de oudste voerde de jongste waterige pap. Alleen Maria Geertruida zette een keel op, riep moord en brand, probeerde haar oom door hem op zijn wangen te slaan te laten ontwaken. Petronella Pieterse liet de ham nog één keer neerkomen.

Mijn betbet(bet?)overgrootmoeder, genaamd Trijn, ging door met het voeren van haar kleine broertje, van wie ze zich de naam op latere leeftijd maar niet kon herinneren. Hoe haar moeder op de Dam door een beul gewurgd werd heeft Trijn niet gezien, maar een meid uit de buurt vertelde dat ze schreeuwde dat de schout haar aars kon wassen.

Ze hingen zwart van de straat, soms zonder neus, op het galgenveld. De ergste misdadigers werden na hun doodstraf van de Dam naar het IJ gesleept door een paard, hun gezicht op de keien. Ze werden in een zo klein mogelijke boot naar de overkant geroeid. Naast of boven hun gerafelde koppen werden moordwapens of andere symbolen van hun delict gespijkerd. Een boot en een boor bij een clandestiene zeeman. Een lege beurs bij een belastingontduiker. Bij Petronella hingen een varkenskop en een houten pop – het moest een kind voorstellen.

Een tijd later zag Trijn haar moeder hangen, huilde niet, hield broers en zussen bij de hand op het gladde ijs en bestelde koek en zopie. Er waren veel Amsterdammers het IJ over geschaatst om naar de lijken te kijken, dat was leuk, zo in de winter. Na weken zou de wind zich door touw en ledematen gevreten hebben en verdwenen de gebroken botten en afgekloven voeten van Petronella in een grote put met drie stenen leeuwenkoppen erop. Sinds mijn betbetovergrootmoeder is er geen vrouw in de familie geweest die ham kon verdragen. Ik ook niet, mijn maag raakt van streek.

Op stille middagen wandel ik langs de toren die op het galgenveld gebouwd is en ik hoor de omroepberichten van het Centraal Station van het filmmuseum af kaatsen en het IJ fluistert: pluk mij, ik zal zoet zijn. Je gelooft me niet, maar dat is de kinderboom die ook op het galgenveld stond – jonge onschuld naast dooie misdaad. Als trossen druiven hingen de levende baby’s daar terwijl de zon de lijken blakerde, of de hagel ze nog weker beukte. Jonge stellen konden die baby’s plukken. De ooievaar is voor watjes. Echt zoete baby’s rieken nog een beetje naar dood als je ze voor het eerst vasthoudt. Ook dat vertelde Trijn aan haar dochters, die het aan hun dochters, die het aan hun dochters vertelden. Geen van ons komt uit zo’n boom vol zoete baby’s, Petronella’s humeur bleek erfelijk.

In de jaren zestig bouwden ze de toren. Terwijl de wind om de fundamenten jankte bleven de botten naar boven komen. Het veld is nooit opgeruimd, die put met de leeuwenkoppen zit nog onder de grond. Mijn oma stond op een dag met mijn kleine moeder te kijken naar het gegraaf, en ze voelden ijzige klauwen om hun ruggengraten die opeens zo breekbaar leken, maar ze bleven staan tot ze niet meer konden.

Het beton bleek niet goed. De eerste vloer van de toren werd opgeblazen met dynamiet en op de dag dat dat gebeurde stierf mijn oma, het gebeurde plotseling, ze had vlekken in haar nek en bad tot Maria, kleine Maria. Mijn moeder werd verder opgevoed door haar vader, of haar oom, ik weet het niet precies, ze jankte in haar slaap met een stem die niet van haar was.

Mijn moeder overleed toen ze de gouden ramen uit de toren sloopten.

Ik ben de eerste uit mijn familie die in Noord is komen wonen, ik moest wel, die toren lokte me.

Ik verdwaal zodra ik voet aan wal zet, noemde de pont het bootje, leerde dat een Noorderling een Noorderling is en ik dat niet ben. Ik las over bomen in de Van der Pekbuurt, hoor over bruggen, kabelbanen, zeppelins die mensen als ik naar de overkant moeten krijgen.

De toren was om in te dansen, toen ik hier kwam, mijn vrienden namen me mee. Mijn hart werd week bij het naar binnen gaan, mijn voeten zwaar. Ik dronk bier tussen jongens met rare mutsjes op en baarden om hun jonge koppen en de meisjes waren prachtig met hun knalrode lippen, maar hadden allemaal hun lange haren in een stomme bol op hun hoofd en te grote broeken aan. De muziek had geen gitaren terwijl ik van gitaren houd, het waren dreunen. Bonkjes, piepjes. Ik viel. Werd wakker in mijn eigen bed, uitzicht op de toren.

Komende week verhuis ik. Ik ben niet meer alleen. Petronella kijkt mee, luistert mee, ze legde haar koude hand op mijn schouder toen ik voor de tweede keer wilde gaan dansen met uitzicht op het water. Ze duwt me pesterig weg van Noord, weg van Amsterdam zelfs, omdat ze vrij is en weet dat ze niet de enige was die vastzat in het beton van de toren. Noord wordt steeds voller, zeggen ze, en dat klopt. Er komt nieuw volk aan, en het heeft honger.

Door: Roos van Rijswijk