Stadsgedicht

NAAR NOORD

Cadeaukopers kruipen rond worstketen,
fakkels en kerstmannen. Trams ratelen
naar het centrum terwijl mist zich vlijt
aan de randen. Niets te beleven in Oost,
Zuid of West. Wij in de wagon; hij is twee,
de haltes markeren zijn wereld. Het eindpunt
een paradijs, het station een paleis – de pont,
wijd zicht op water, troebel en grijs. Diep
onder ons sluipen gangen en sleuven maar
hij is betoverd door vrachtboten, boeien,
een meeuw. Vrede aan boord. Wist ik veel
van de zwijgende hond, wanhopig op weg
onder de grond, vluchtend als wij, naar Noord,
naar Noord?

Anna Enquist