Boek van de week

Erik Jan Harmens schreef met Hallo muur een roman die zich als een autobiografie laat lezen. Een man worstelt en komt boven. Hij verslaat zijn demonen, hij verslaat zichzelf. En ik dacht: laat mij daar eens een aardig stukje over schrijven. Ik wist nog niet dat Hallo muur nauwelijks een week later tot Boek van de maand zou worden gekozen door het boekenpanel van DWDD, met alle voorspelbare gevolgen van dien. Nu is dat stukje niet meer nodig. Alleen omdat ik het al schreef, vindt u het hier toch.

Harmens is vooral bekend als dichter, al is dit inmiddels een derde prozawerk waar roman op staat, ik heb alleen zijn debuut als romancier – Kleine doorschijnende man – ooit en dan nog slechts zeer gedeeltelijk gelezen. Ik moest een liedje zingen op de presentatie, ik weet niet meer waarom, heb ter plekke de eerste paar bladzijden geconsumeerd en dacht toen: ‘Wow. Wat een dichter.’

Lange, samengestelde zinnen buitelden over elkaar. ‘Met vaart geschreven,’ perste ik er nog een cliché uit. Ik bedoelde: dat dendert maar door. Thuis verdween het boek in een kast, ik ben er nooit verder in gekomen. Zijn volgende roman heb ik dan ook laten passeren, ofschoon die de aantrekkelijke titel droeg De man die in zijn eentje de Olympische Spelen organiseerde, een titel die weliswaar de lachlust opwekt, maar ook een onderneming behelst waarvan je denkt: begin er niet aan. Vergeet het.

Vorig jaar schreef Erik Jan ‘zonder streepje’ een tijdlang columns voor De Volkskrant, niet in de krant, maar online. Die columns behoorden tot het fijnste wat ik in dat jaar heb gelezen. Hij had ineens zijn stem als prozaïst gevonden. Of niet ineens, maar het was er.  Een stem die hij als dichter meteen bij zijn debuut, In menigten (2003), al had getroffen. Of misschien moet je ‘toon’ zeggen: kaal, hard, monotoon, als een voorganger die zelf alle geloof verloren had.

Nu kwam dat debuut niet uit de lucht vallen.

In het literaire bedrijf kent iedereen elkaar, en wij kennen elkaar ook. Harmens is van 1970, ik ben van 1958. We schelen dus een jaar of twaalf. We ontmoetten elkaar waarschijnlijk voor de eerste keer in een jeugdhonk in Alphen aan de Rijn, halverwege de jaren tachtig, waar een zekere Ab, ik ben zijn achternaam vergeten, dichtersavondjes organiseerde. Ik keek met enig dedain op mijn veel jongere collega neer: hee, ik kreeg vijftig gulden, hij kreeg niks. En hij woonde nog bij zijn moeder, in Alphen aan de Rijn.

Ik werkte toen bij One World Poetry, benn w posset, die we in Hallo muur zullen tegenkomen als bernhard, eveneens zonder hoofdletters, dus die was niet moeilijk te raden voor mij. Een ouwe junk met inderdaad staalblauwe ogen wiens voornaamste taakopvatting eruit bestond: zo snel mogelijk een einde aan de werkdag maken. Op café, en zuipen maar. Benn betaalde en het kon niet op. Het begrip ‘verslaving’ begon te dagen.

Erik Jan was mijn opvolger bij One World Poetry, heb ik lang gedacht, in Hallo muur vind je dat niet terug, daar is alleen sprake van dat hij hem in het theater ontmoette. Er kwam hoe dan ook een vriendschap uit voort die tot benns dood zou duren.

Ik ben Erik Jan daarna lang uit het oog verloren, ik was hem al bijna vergeten. We kwamen elkaar rond de milleniumwende eens tegen op de Dam, voor een filiaal van Peek en Cloppenburg, en we schrokken allebei een beetje. Wij kenden elkaar, maar waarom? Ik was op dat moment een in ieder geval gesubsidieerde kunstenaar, ik had een paar bundels uitgebracht, wat was er met hem gebeurd?

Hij sprak toen van de poetry slams, waar hij de laatste tijd aan meedeed, en dat hij bovendien een goede baan had, hij vertelde dat het wel leek of hij succesvol was, tot zijn eigen verbazing. We lachten ongemakkelijk. Haha. Hij bleef iemand die je weliswaar graag mag, maar waar je geen echte verbinding mee aanlegt, een zelfde afstand bleef bestaan, misschien was hij wel teleurgesteld over zijn door mij niet opgemerkte succes, poetry slam, was dat niet iets voor amateurs, voor dichters die niet konden schrijven? O, ik was zo blij met me eige, de man die tot ook zijn eigen verbazing kon leven van zijn werk, zijn door verder niemand opgemerkte succes.

Al die verbazing.

En ik vertel dit allemaal omdat ik daar ook best een boek over zou kunnen schrijven, als ik dat maar deed. Hallo muur is het boek waarvan je denkt dat je het kunt schrijven, maar je kunt het niet. Het is een losjes gestructureerde autobiografie, nou ja losjes: alle gebeurtenissen in de roman zijn gerelateerd aan de allengs onhoudbaarder wordende alcoholverslaving van de auteur, en uiteindelijk zijn pogingen om daarvan verlost te raken.

Na afloop van de – alcoholvrije, dus weinig geanimeerde (zie je wel, zo werkt dat) – boekpresentatie las ik Hallo muur in één ademloze sessie uit. De volgende middag schreef ik de auteur, naast een paar andere dingen die hierboven al aan de orde komen: ‘Het aardige aan dit boek is, dat je alles wat het “leven als mens” zo moeilijk maakt, als schrijver inzet en weet te sublimeren – de buitenstaander in jezelf, zeg maar. Zo’n boek is in zekere zin het gevaarlijkste wat je kunt schrijven: die afgekloven thematiek zo dicht op je huid en dan toch zonder zelfvertedering, zonder zelfmedelijden, over jezelf gloriëren, of nee, de glorie geldt hier uitsluitend de schrijver, de mens glorieert niet, die kruipt onder zichzelf uit, die zet zich uiteindelijk recht. Wat op zich ook een prestatie is, en fijn om te lezen bovendien.’

Hallo muur is hoe dan ook een hoopvol boek. Ook al kost het de auteur zijn huwelijk, moet hij als drieënveertigjarige man maandenlang bij zijn moeder en later in een vochtige stacaravan bivakkeren, op het eind komt alles min of meer goed. ‘Ik heb op dit moment geen vriendin, maar er is wel iemand die ik zo leuk vind en van wie ik zo vaak droom dat ze mijn vriendin is, dat het voelt alsof ze mijn vriendin is.’ En: ‘Ik ben doorgegaan met hardlopen: eerst rende ik vijf kilometer, toen tien, toen vijftien en nu doe ik er twintig.’

Ik besloot mijn brief aan deze vriend, die ik hier dan toch mijn vriend zal noemen, omdat we de laatste jaren, zij het altijd van enige afstand zoveel lief en vooral leed gedeeld hebben, als volgt: ‘Ik zal je hier een kleine bekentenis doen, of nee, een bekentenis is het niet eens: ik mocht laatst van mijn tandarts een week niet drinken, omdat hij iets aan mijn wegrottend gebit wilde doen, omdat ik omgerekend naar jouw leeftijd al zestien jaar geleden had moeten stoppen met roken, of beter nog, veertig jaar geleden er nooit aan was begonnen. Ik had het een jaar uitgesteld, omdat de vorige keer dat ik “om medische redenen” een week niet mocht drinken ik al na een paar dagen zeker wist dat ik liever dood was dan nuchter. En het grappige was nu, dat het me helemaal niet zo zwaar viel, deze keer: ik ontdekte dat de hunkering naar het eerste glas precies dezelfde hunkering is als naar het volgende – dat het dus eigenlijk geen fuck uitmaakt of je nu wel of niet drinkt. Deze kennis stelde me in zekere zin gerust: mocht de natuur mij roepen, dan kan ik gemakkelijk stoppen. Het was meer uit gemakzucht, dat ik, toen het weer mocht, mijn gewoonte weer heb opgenomen. Enfin, wie weet treed ik ook ooit nog eens toe tot het illustere gezelschap van de blauwe knoop. Als je maar niet denkt dat ik er ooit bij ga hollen. Of, zoals jij op een van de laatste bladzijden van Hallo muur opmerkt: “Ik weet wel dat ik liever drink dan doodga.”‘

Door: F. Starik

hallomuur

Erik Jan Harmens
Hallo muur
Uitgeverij Lebowski
€ 19,95
224 pagina’s