Boek van de Week

“Dimphy zat naast me omdat ik zei dat ze daar moest zitten en jij zat tegenover ons en het was laat en je zat te wiegen en ik zag de slangen en ik wist dat ze er niet echt waren godverdomme maar ze waren er, ze waren er en ik zei het en ze begreep me niet en ze verdiende een tik.”

Laat ik beginnen met dit: terwijl ik dit schrijf (het is nu de 13e van februari) zit ik in Berlijn.
(Je zou bijna denken dat het je door de redactie van SLAA wordt aangeraden om te refereren aan een stad, bij deze boekentip rubriek. Iedereen zit in Berlijn of in New York. Misschien lezen we thuis minder boeken. Misschien is dat het. Hoe dan ook! Waar was ik?)
Ik geef les aan de Kunstacademie in Arnhem en met de eerstejaars studenten Creative Writing gaan we ieder jaar een week naar Berlijn. Omdat ik zelf ook ieder jaar naar Berlijn ga om te schrijven besloot ik er een week aan vast te plakken. Ik ben er immers nu toch, nietwaar?

De afgelopen week met de studenten was druk: veel lopen, vroeg opstaan, veel praten, uitleggen, lachen, vergaderen, soms heel erg lang vergaderen en elke avond heb ik teveel gedronken. Het voelde alsof ik weer op kamp was. Vanochtend nam iedereen de trein terug naar huis. Ik zwaaide ze uit op het stoepje van het hotel. Een goeie zwaai, zo eentje met een gestrekte arm. Daarna ging ik weer terug naar de ontbijtzaal.
En toen was ik alleen.
Door de speakers klonk Ain’t no love in the heart of the city van Bobby “Blue” Bland.

Soms valt alles samen.

Ik vertel dit omdat dit vanochtend was, en jullie nu een idee hebben in wat voor gemoedstoestand ik verkeer. Ondertussen zit ik in een appartement, ergens ver weggestopt in Bezirk Weissensee, en draai ik Ain’t no love in the heart of the city steeds opnieuw. Na een hele week praten over waarom een tekst wel of niet werkt en bij wie dan en waarom en hoe en wat en in godsnaam waarom doen we dit gekkenwerk eigenlijk, moet ik ineens zelf uitleggen waarom Van dode mannen win je niet van Walter van den Berg een van mijn lievelingsboeken aller tijden is.

Ik las Van den Bergs laatste boek voor het eerst toen ik vorig jaar mijn Einzelgängerreis naar Berlijn had. Ik begon er in tijdens de treinreis, en diezelfde nacht sloeg ik het boek om half vijf dicht. Daarna heb ik een tijdje naar het plafond liggen staren. Als vorm en thema zo goed in elkaar overlopen als in dit boek, dan moet u me maar een platitude vergeven. Als een boek gaat over agressie, over geweld en vernedering en liefde en familie, dan moet het je wel bij de strot grijpen, anders doet een schrijver iets fout. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, er zijn duizenden eerste deuren te nemen, maar Van den Berg koos de lastige route (júíst voor hem de lastige route, omdat het gegeven van de gewelddadige stiefvader autobiografisch is) om voor het perspectief van de slechterik te kiezen en deze met zoveel liefde en zoveel vrees te beschrijven dat je wel mee moet in de stroom zodra het boek aanvangt. Hij spreekt je direct aan, die man, die slechte man. Hij grijpt je en je moet mee en ergens snap je hem ook wel, want de wereld loopt ook vol met mensen die je voor je bek wilt slaan, ik snap dat wel, maar onderwijl denk je steeds aan die jongen, aan die arme jongen en dan ineens zit je live in diezelfde tweestrijd en moet je mee tot het eind en ben je overgeleverd aan de grillen van die man en aan het vernuft van een geweldige schrijver als Walter van den Berg. Ik denk niet dat je Van den Berg een unsung hero mag noemen, dan zou je hem en alle mensen die mooie woorden over zijn vakmanschap hebben opgeschreven of uitgesproken tekortdoen, maar ik ben van mening dat hij zo vaak bezongen zou moeten worden als mogelijk.

Zo.
En nu ga ik eindelijk taart eten bij Sowohl Als Auch.
Daar ben ik door al dat schrijven nog helemaal niet aan toegekomen.

Door: Hanneke Hendrix

Van-dode-mannen-win-je-niet

Walter van den Berg
Van dode mannen win je niet
Uitgeverij De Bezige Bij
€ 18,50
224 pagina’s