Stadsgedicht

WACHTEN

Een jaar lang wachten op winterakonieten,
op het bestellen van concertkaarten, op flarden
weekmakende muziek die straks, hier –

wachten met haast, onrust, op het vinden
van je plaats in de zaal, op deze stoel drie uur
lang, zoveel minuten, zoveel maten –

wachten op het goud van de cello’s, het zwart
silhouet van de hobo. De benauwde stoomfluit
van zijn a, het openslaan van dikke partijen –

op de kleine jongens in hun koorhemden, hoog
voor het orgel, met strakke wangen en droge lippen;
wachten tot het wachten stolt, een verdriet

zonder grenzen bezit neemt van al wat je weet,
een honger je opvreet bij de treurmars waarmee
dit begint. Nog even heb je gedachten: kraaien

boven Jeruzalems bleke muren, een file op weg
naar Golgotha – dan zakken je schouders, raak je
vervuld van belachlijk verlangen. Het geeft niet.

Muziek van drie eeuwen terug en het is nu. Weldadig
antwoord op vragen die je nooit had, verdachte
troost die je opslurpt als zuiver water.

Die rare krullenkop van vroeger doet het wachten
teniet, wiegt je zacht, in de zaal. Hij is de trooster,
het is hier, hij heet Bach.

Anna Enquist