Change gonna come

Op 19 mei vertelde Gustaaf Peek in het Bijlmer Parktheater onderstaand verhaal, dat hij speciaal voor Bijlmer Boekt! schreef. Het is geïnspireerd op een legendarisch optreden van soulzanger Arthur Conley in cultureel centrum De Ganzenhoef in de Bijlmermeer in 1980. Conley zou zich later permanent in Nederland vestigen. Naast Peek traden onder meer Akwasi, Smita James en Jetty Mathurin op. De volgende Bijlmer Boekt! is op 30 september, met o.a. Kees van Kooten.

//

Change gonna come

Laatste nacht in Ganzenhoef

Ze stoppen je in een boot en, poef, je bent in Amerika. Overal waar ze maar handen nodig hebben, gratis mensen. En Amerika is maar een van de haltes, ze varen ook naar landen lager op de wereldkaart. Voor de passagiers maakt de windrichting weinig uit. Elk gewas krast even rood, elk touw knelt even scherp. Zwarte vrouwen en mannen die vrij willen zijn, thuis willen komen, dansen willen op hun eigen muziek.

In Amerika kijkt niemand om, we zijn allemaal gewoon gebleven. Maar hier. Nog een keer op een boot, meenemen wat je dragen kunt, de treeplank af naar een koude kade, naar blanke gezichten, boos omdat ze je niet meer naar het werk mogen zwepen.

Moet je deze zaal zien, en de mensen. Wanneer de muziek hun benauwde keelklanken overstemt en ik ze alleen zou mogen herkennen aan de wilde worpen van hun heupen en de duisternis van hun huid, zou ik kunnen denken dat ik weer in Georgia ben, een vrijdagavond in The Royal Peacock.

Suriname, ik roep dat land al de hele avond de zaal in. Ze zijn hier en niet daar, maar telkens leven ze op wanneer ik hun oude land noem.

Ik ben als zij, net zo op de vlucht. Het is een vreemde avond, zoveel herinnert me aan vroeger en toch herken ik te weinig, het voelt alsof ik door bonzende tunnels het helle licht van het verleden nader. Ik ben in de war. Lang heb ik gedacht dat Amerika onze lichamen activeerde, dat politieknuppels en de betraande straten van de ghetto ons de dansvloer op dreven. Maar als Dick achter me de beat inzet, zie ik ze hier net zo bezeten bewegen. Ik mis iets, misschien heb ik niet goed opgelet. In second grade durfde ik bij Miss Williams mijn vinger niet op te steken voor de wc. In Amsterdam heb ik het net zo lang opgehouden tot ik het op een dag durfde, het waagde om aan een agent naar de weg te vragen. Een paar keer links, de gracht af en dan zou ik op de juiste straat stuiten, ik kreeg er een knipoog bij. Hij droeg een van die waterige snorren, niet mijn type.

En toch, deze buurt, al die hoge gebouwen, al die bomen die de ruimte maar niet kunnen vullen. Waar we ook wonen in de witte wereld, we zijn nooit in de meerderheid. Dus waarom zijn we met z’n allen hier? Te veel dezelfde koppen, te ver buiten de stad, schuilend bij elkaar.

De dansvloer is luid, ze kennen de woorden, begrijpen wat ze zingen. Je zou het moeten zien, Otis. Amsterdam, Nederland, even moeilijk op een kaart aan te wijzen als Vietnam. God, wat ben je al lang weg. De tijd heeft ons wreed verwisseld, heeft van mij de oude vader gemaakt die naar foto’s moet kijken om zich het gezicht van zijn dode jongen te herinneren. Vanavond heb ik je weer aangeroepen, Otis. Iedereen reageerde alsof ze gisteren nog afscheid van je hadden genomen.

Zouden we hier samen hebben gestaan, als je niet was overleden, niet in dat idiote, zinkende vliegtuig was achtergebleven? Ik kan me je hier niet voorstellen, je droomde altijd zo groot. Ik heet Lee nu, ik wilde iets achter me laten, iets wegmaken, het is moeilijk uit te leggen. Ben je hier? Zweef je hier rond, ben je in iemand op de dansvloer gevaren? Want ik hoor je, broeder, broeder, ik kan je horen. Help me. Ik heb al zo lang niet meer op een podium gestaan. De microfoon voelt vreemd in m’n handen, koud en boos, als een wapen. Daarom heb ik alleen maar jouw liedjes gezongen, en die van Sam. Ik heb jullie moed nodig, jullie geduw in mijn rug.

Ze dansen hard, ze hebben het nodig. Sam wist altijd wat hij moest doen. Weet je nog, hij stak dan een vinger uit, één vinger, beet op zijn onderlip en de zaal sidderde, zuchtte. Al die meiden met hun hoge haar en ruwe benen.

Zing ik daarom? Zodat iemand me hoort, iemand me op dit podium kan vinden en me dan zal omhelzen? Er waren genoeg leuke jongens in Georgia, maar ook te veel moeders en broers, en scheermessen voor m’n dunne, zwarte nichtennek. Er zijn te veel kerken in Amerika. Ik ben zo veel gelukkiger hier. In Nederland is alleen het water zwaar, alle andere dingen lachen ze weg, of ze kijken de andere kant op, doen alsof het niet bestaat.

Maar zelfs in dit land zoeken we elkaar op, warmen we ons aan elkaars kleur. Gèènzenhooff. Bèèlmermeer. Waneer is een mens werkelijk thuis? Iemand laat een cassetterecorder meelopen, ik vind het goed, wie weet wanneer ik weer zo zing.

Je had gelijk, Otis. Ze moeten dansen, lachen, vrijen en vergeten. Vanavond tellen alleen nog maar hoop en verlossing en die eeuwige onrust tussen onze benen. Vanavond denken we niet aan vroeger, kijken we niet naar buiten. Vanavond kom ik ook uit Suriname.

Er schieten vonken uit de band, de vloer is te heet geworden om stil te blijven staan. Was het altijd maar zo, kon ik maar altijd in andermans melodieën schuilen. Zet ik een stap buiten deze wijk, dan word ik weer Lee, even bijzonder maar onherkenbaar als iedere andere vreemde Amerikaan. Maar nu durf ik weer Arthur Conley uit Hinesfield te zijn, de jongen die vanaf de kerkbanken beter dan de anderen wilde zingen, zuiverder en luider, die een huis voor zijn moeder bij elkaar wilde zingen, de zanger wilde zijn van een eeuwigdurend lied.

We naderen het einde, maar ik gebaar naar de jongens dat we geen haast hebben. Mensen hebben me altijd gezegd, wat lijkt je stem op die van Sam. Nu zullen ze horen dat ik het waard ben geweest, dat ik Sams klank koester en deel. Ik zal zingen zodat ze straks buiten even de kille wind niet meer voelen, zodat in hun krappe kamers straks de muren even niet meer op hen drukken, zodat ze even van de hongerigste armen dromen, zodat ze straks even, heel even, over straat lopen alsof ze hier hoog boven de anderen zelf hebben gezongen.