Het andere verhaal – Arnon Grunberg

“Over vrijheid doen allerlei misverstanden en spraakverwarringen de ronde maar zeker is dat zij vrijwel altijd positief wordt gewaardeerd. Dat mag alleen al blijken uit het feit dat twee grote politieke partijen in Nederland het woord ‘vrijheid’ in hun naam hebben opgenomen.
Vrijheid moet wel meer zijn dan iets aangenaams, zij is een ideaal, maar wat voor ideaal precies? Waarnaar streven we als we naar vrijheid streven? Of hoeven we er niet naar te streven omdat zij er altijd is, zelfs in de meest benarde omstandigheden?
De viering van de vijfde mei komt kort gezegd hierop neer: eens waren we onvrij, nu zijn we vrij. Ruw samengevat is dat overigens ook wat het Joodse paasfeest, Pesach, vertelt: ooit waren we slaven in Egypte, nu zijn we vrije mensen. Al liggen de gevaren van slavernij altijd op de loer. Vandaar dat we ons het verleden moeten herinneren.
Misschien is dat de oerdefinitie van vrijheid, althans de definitie die de Grieken eraan gaven: geen slaaf zijn.
In dat opzicht gaat vrijheid over macht, want wat de slaaf typeert is dat hij geen macht heeft. Volgens Foucault is machtsmisbruik het schijnbaar omgekeerde van slaaf-zijn. Schijnbaar, want de oude Grieken waren van mening dat een heerser die zijn macht misbruikte slaaf was van zijn lusten, dus onvrij.
Maar Foucault voegt daaraan toe dat de Grieken de slaaf ook zagen als iemand zonder ethiek; wie geen macht heeft kan ook niet ethisch handelen. In een interview formuleert Foucault het fraai: ‘Ethiek is de weldoordachte vorm die vrijheid aanneemt.’ Vrijheid is voor jezelf zorgen, zegt Foucault, en voor jezelf zorgen betekent ook voor je omgeving zorgen. Wie zijn omgeving verwaarloost, verwaarloost zichzelf.
Toen ik tijdens de viering van het Joodse paasfeest aan een gemêleerde groep van volwassenen en kinderen vroeg: ‘Wat betekent vrijheid voor jullie?’ – antwoordde een volwassene: ‘De hele dag in bed blijven liggen.’ En een kind zei: ‘Veel chocolade eten.’ Waaruit mag blijken dat sommigen van ons slaven zijn of op zijn minst parttime slaven van primaire verlangens en driften. Onze cultuur moedigt deze specifieke vorm van slavernij ook aan.
Ik geloof dat ik in de context van de vijfde mei, hoewel die wellicht niet in het leven is geroepen om al te filosofische discussies te voeren over de diverse vrijheden die naast en onder elkaar kunnen bestaan, mag stellen dat vrijheid een ideaal is dat zowel met macht als met ethiek te maken heeft.
Eerst iets meer over macht. Wij kennen niet alleen het verlangen om onze macht te maximaliseren, dat wil zeggen de ander te laten doen wat wij willen, wij leren ook noodgedwongen van jongs af aan het streven naar macht te beteugelen. Dat is feitelijk waar het dictum op neerkomt dat mijn vrijheid eindigt waar die van u begint. Mijn macht wordt begrensd door de uwe en waar u niet bij machte bent om mijn macht te begrenzen doe ik er goed aan dat toch zelf te doen om morele en praktische redenen, omwille van het collectief. Omdat ik geen slaaf wil zijn van mijn driften. De ander zo min mogelijk schade toebrengen is ook de basis van de meeste ethiek.
Maar hoeveel van mijn wil tot macht of mijn verlangen naar vrijheid – het lijkt me nuttig te beseffen dat die twee in elkaar overlopen – moet ik opgeven in de hoop op een betere en vredige samenleving?
Laat ik specifiek worden en een grijze zone benoemen waar het legitieme vrijheidsverlangen van het individu botst met de wensen van het collectief, dat betrouwbaarheid en voorspelbaarheid heel belangrijk vindt, dat graag wil kunnen verifiëren. Hebben wij de vrijheid om ons verleden te verzinnen en daarmee onszelf als het ware opnieuw uit te vinden? Of oefenen wij daarmee te veel macht uit over de ander? Zijn onze ficties schadelijk voor andere mensen omdat zij primair ons eigen belang dienen, of zoals de schrijver Coetzee zegt, dat wat wij voor ons belang houden?
Zonder de invloed van de genetische loterij en die van opvoeding, onderwijs en dergelijke te willen ontkennen geloof ik dat wij ten dele onze eigen constructie zijn. Ik kan sympathie opbrengen voor het determinisme, maar voor zover vrijheid een ideaal is is, het zeker ook het ideaal om boven nature en nurture uit te stijgen. Ik ben, nee ik moet meer zijn dan het product van diverse omstandigheden.
Dat is macht, of een noodzakelijke illusie van macht, willen wij althans niet gereduceerd worden tot een wezen dat reddeloos is overgeleverd aan een machine die hij niet kan besturen.
Dat wij ons verleden niet mogen vervalsen wanneer wij de ander daarmee ontegenzeggelijk benadelen is duidelijk. De loodgieter die beweert een tandartsopleiding te hebben gevolgd en vervolgens gebitten van zijn patiënten gaat repareren brengt schade toe. Maar er zijn andere, minder destructieve en legitieme verlangens die aan het vervalsen van het eigen verleden ten grondslag kunnen liggen. Denk bijvoorbeeld aan een man die uit de gevangenis komt en zich vestigt op een plek waar men niets weet van zijn smadelijk verleden zodat hij in alle rust aan een nieuw leven kan beginnen.
Of verzwijgen hetzelfde is als vervalsen is de vraag, maar als essentiële zaken uit het verleden worden achtergehouden geloof ik dat we van een vervalsing kunnen spreken, om de woorden verzinsel of fictie te vermijden.
Niet iedereen sleept een dramatisch verhaal met zich mee, maar iedereen heeft geheimen. De mens is een drager van informatie, juist ook van geheime informatie. Alleen al daarom is de kreet ‘ik heb niets te verbergen’ naïef. Wij mogen niets te verbergen hebben voor Justitie omdat wij de wet niet overtreden, maar wie echt niets te verbergen heeft zou als het ware zonder huid door het leven gaan. Het onderscheid tussen privé en openbaar, tussen de verschillende levens die een mens leidt zou niet meer bestaan.
Het construeren van het eigen ik, of beter gezegd van verschillende ikken, veronderstelt dat wij bepaalde aspecten van onszelf geheim houden. Weinig zou ons zo machteloos maken als te moeten leven in een situatie waarin onze gedachten te lezen zouden zijn. Het beschavingsproces of sociaal wenselijk gedrag, voor zover die twee van elkaar te scheiden zijn, is feitelijk het onderdrukken, oftewel het geheim houden, van verlangens en driften, fantasieën.
Zo luidt een grap dat je browsergeschiedenis iets is wat je geheim moet houden om je huwelijk in stand te houden. Er zijn kennelijk plekken, het internet is er een van, waar wij een deel van onze geheimen openbaren, zij het bij voorkeur niet voor iedereen.

Jezelf vormgeven betekent niet per definitie je verleden verzinnen, maar ik vermoed dat het in praktijk daar wel vaak op neerkomt. Zeker als we accepteren dat verzwijgen en verzinnen soms moeilijk van elkaar te scheiden zijn. De vraag is dus niet of wij ons eigen verleden mogen verzinnen, wij doen dat automatisch al, zij het dikwijls niet bewust, de vraag is hoever wij daarin mogen gaan.
Laten we nog even kijken naar die constructie. Als we aannemen dat we tot op zekere hoogte onze eigen constructie zijn, dan moeten we ook concluderen dat het verhaal dat we over ons leven vertellen niet het enige verhaal is wat over dat leven verteld kan worden. Andere verhalen zijn mogelijk, die net zo waar of onwaar zijn als het eerste verhaal.
Als we dat geaccepteerd hebben moeten we misschien ook aanvaarden dat er ruimte zit tussen de constructie van het eigen ik, het verhaal over het leven, en de maker van de constructie, die we allicht het bewustzijn kunnen noemen. En die maker is geen God, hij is eerder een arbeider die een aantal onderdelen heeft gekregen en die over de vaardigheid beschikt om van die onderdelen verschillende maaksels te maken.
Ik kan overvallen worden door emoties en ervaringen die zo heftig zijn dat ze mij mee lijken te slepen, maar ik heb het vermogen te beseffen dat ik meer ben dan degene die rouwt, dan degene die ziek is of degene die vernederd wordt. Dit besef veronderstelt afstand tussen de verteller en het verhaal, tussen de creatie en de maker ervan.
Als wij vrijheid als ideaal serieus nemen moet wij erkennen dat wij de potentie hebben iets anders te zijn dan wat wij nu zijn. Ik kan mij geen vrijheidsideaal voorstellen dat zich neerlegt bij de mens als weerloos product van het noodlot. Hoewel er, ik kan dit niet genoeg benadrukken, goede argumenten zijn aan te voeren voor zo’n mensbeeld. Maar we hebben het over vrijheid als ideaal en dat lijkt mij de enige zinvolle manier om over vrijheid te spreken.
Niet alleen mag de ander ons niet dwingen in een uniforme rol die wij voortdurend moeten vervullen, dat zou ons tot slaaf maken. Wij moeten ook proberen onszelf niet in zo’n uniforme rol te dwingen. De verwarring tussen het meester zijn over jezelf en het reduceren van jezelf tot één aspect ligt op de loer. Ik ben nog alleen maar Jood, blank of Marokkaan. Ik ben nog alleen maar man. Natuurlijk kan de ander ons dwingen tot een dergelijke uniformiteit, maar ik geloof dat wij ons zowel tegen de dwang van buiten als de dwang van binnen moeten verzetten.
Alleen al in de voorstelling iemand anders te kunnen zijn herken ik vrijheid.
Op psychiatrisch niveau zou deze redenering zo luiden: verzet je tegen de diagnose. Of althans: val niet samen met de diagnose. Een bekend gevaar, de arts als meester, de diagnose als dwangbuis. Of de diagnose klopt of niet, een terechte aanspraak maakt op waarheid of niet, is van ondergeschikt belang. Waar het om gaat is dat als genezing bestaat die erin gelegen is de diagnose ongedaan te maken.

Voor zover ik de indruk heb gewekt dat het verhalen verzinnen over onszelf per definitie een bevrijdende en positieve activiteit is, wil ik dat nuanceren. Coetzee schrijft in de correspondentie met een psychotherapeute getiteld Het goede verhaal: ‘Behoort het daarom niet tot de taken van de therapeut om de patiënt duidelijk te maken dat het hem/haar niet vrij staat zijn/haar eigen waarheid te verzinnen, dat verhalen over onszelf verzinnen ernstige gevolgen kan hebben in de echte wereld?’
Einde citaat. Dat denk ik ook. Al was het maar omdat het gevaarlijk kan zijn de empirische werkelijkheid los te laten. Wanneer wij een verhaal construeren dat door onze omgeving niet geaccepteerd wordt, als onwaar wordt afgewezen, dreigen wij niet alleen te vereenzamen, het geconstrueerde verhaal dat alleen door de maker voor waar wordt gehouden is ook een definitie van waanzin.
Coetzee nuanceert zijn uitspraak over de onwenselijkheid van het verzinnen door het voorbeeld van Don Quichot. Ergens weet Don Quichot zelf dat hij geen dolende ridder is, maar hij blijft doen alsof omdat hem dat zelf en de wereld interessanter maakt. ‘Levendiger en vermakelijker,’ schrijft Coetzee.
Zeker is dat Don Quichot een hoge prijs betaalt voor zijn avonturisme en het uitleven van zijn fantasie, kortom zijn waanzin.
Wij weten dat Don Quichot tot de verarmde Spaanse adel behoorde, toen een tijdlang door de wereld zwierf als een ridder van de dolende figuur, vervolgens weer terugkeerde naar de verarmde Spaanse adel. We weten niet zeker wanneer hij beter af was, toen hij aan zijn wanen leed en anderen daarin meesleepte of toen hij zogenaamd genezen zijn realiteit tot zich door liet dringen. We weten ook niet zeker of hij niet waarheden verkondigde en zag in zijn wanen.
Don Quichot laat ons achter met een fundamentele onzekerheid, namelijk dat wij minstens twee verhalen over hem kunnen vertellen. Een over de waanzinnige die laat in zijn leven genas. En een over de ridder die waanzinnig leek maar veel waarheden verkondigde en een voller en rijker leven leed als dwaas dan als gerespecteerde burger.
Deze onzekerheid, het besef dat er goede argumenten bestaan om het andere verhaal te vertellen, is een voorwaarde voor vrijheid.
Volgens Wittgenstein heeft de mens een intuïtieve liefde voor waarheid, zelfs als die waarheid slecht voor hem is. Of Wittgenstein daarin volledig gelijk had is de vraag, ik denk wel dat mensen hun ficties graag voor waarheid aanzien, dat het moeilijk is te leven met het besef dat veel van onze waarheden van nu de vergissingen van morgen zijn.

Toch geloof ik dat we geen keus hebben om dat te aanvaarden als we vrijheid als ideaal willen eren. Dat is ook wat Don Quichot ons leert: de aanspraak op waarheid die geen tegenspraak duldt, is geen spel meer maar bittere ernst, onvrijheid.”