Boek van de week

‘Schrijven is altijd een uiting van onmacht of de vrucht van een inzinking, het verraadt complexen, ofwel een kwaad geweten. Let maar eens op: hoe groter de bellettrie, des te groter de hysterie.’ – Ludvík Vaculík

Vašek werkt bij de Staatsbank, heeft een vrouw en twee zoons en, naarmate het boek vordert, steeds meer cavia’s, waar hij om hun gedrag te begrijpen steeds wredere experimenten mee uitvoert. Niet voor dierenvrienden, wel voor liefhebbers van literaire uitingen van onmacht en inzinking.

De onbenullige bankbediende namelijk gaat welhaast onderdoor aan het mysterie van schijnbare willekeur dat de bewakers van de bank aan de dag leggen: enkele medewerkers worden aan het eind van de dag gecontroleerd op diefstal, want iedereen probeert te stelen. Meestal wordt het geld door de beveiligers gevonden maar nooit keert het terug op de bank. De biljetten, zo beweert een ingenieur van wie niemand precies weet wat hij voor de bank doet, verdwijnen in een eindeloze maalstroom, de economie dreigt een instorting, alles zal verloren gaan. Naast zijn ongezonde obsessie voor cavia’s, levert dit de verteller ook een bezetenheid betreffende de ingenieur op. Tijdens een poging deze man in zijn natuurlijke omgeving te bespioneren raakt Vašek bijvoorbeeld opgesloten in diens schuur, waaruit hij door zijn ongehoorzame zoontjes – kort tevoren door hem met stenen bekogeld – wordt bevrijd. Niks wijzer.

Nergens heeft die arme Vašek nog controle over; zijn zoontjes zijn twee etters, op de bank begrijpt niemand zijn zorgen, de ingenieur (met ogen als ‘zich steeds vernauwende kijkspleetjes van de geest die uitzichtloos opgesloten zat in het holle bot van de schedel’) wil niet met hem praten en de collega die hem het houden van cavia’s aanraadde keert hem de rug toe. De cavia’s, echter, kan hij wel de baas. Terwijl hij liefdevol doch hardvochtig hun wel en wee beschrijft waaiert zijn proza alle kanten uit en leest Cavia’s op proef niet alleen als een allegorie op het communistische regime in Tsjechië en misschien wel de menselijke aard in ‘t algemeen, maar vooral ook als een van heerlijke stijlbloempjes overgoten visie op stad versus natuur, vrijheid versus onvrijheid en, niet in de laatste plaats, de jeugd:

‘Als ik een dom kind tegenkom, verwonder ik me erover dat zoiets kan bestaan. Zijn er in het bos soms domme jonge eekhoorntjes? Niemand die van volwassen sufkoppen en uilskuikens houdt, maar die minieme slome donders en minuscule uilskuikens glibberen onder de dekmantel van de jeugd vrijelijk tussen ons door, maken misbruik van onze verzoeningsgezindheid ten aanzien van alles wat maar klein is, terwijl ze onze liefde en goedheid, geduld en minzaamheid, opofferingsgezindheid en verdraagzaamheid in dank aanvaarden. En toch zijn zij het juist die, als ze groot zijn, al je goede kanten uit je lijf rammen.’

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Vašek zijn relaas aan de jonge lezer richt. De vraag is of deze jonge lezers, voorlijk als ze moeten zijn, ooit over deze leeservaring heen zouden komen. Ik heb het blije vermoeden dat dit, ook in het geval van de oudere jongere, niet de bedoeling is.

//

Deze boekentip werd geschreven door Roos van Rijswijk. Roos schreef korte verhalen voor o.a. Tijdschrift Ei, De Revisor, Slang, De Gids, Tirade, Das Magazin. Las die verhalen voor, verrassend vaak in kroegen maar ook op bijvoorbeeld Festival Mooie Woorden en op Writers Unlimited. Is mede-oprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs voor het korte verhaal. Publiceert over een paar maanden haar debuutroman bij Uitgeverij Querido.

Cavia’s-op-proef

Ludvík Vaculík
Cavia’s op proef
Leesmagazijn
Vertaler: Kees Mercks
270 pagina’s
€ 18,95