Stadsgedicht

DE GELAAGDE STAD

Als slib dat op de bodem ligt en de rivier optilt,
ja alles valt, blaren en vruchtbeginsels dalen
in een tempo dat het onze ver te buiten gaat.
Wat wij wegsmijten en doorleven wordt een fris
tapijt waaronder, in diep donker, de geschiedenis.

– Toen ik een kleuter was en langs de Amstel liep,
grootmoeders handen in de mof van astrakan; en toen
mijn dochter slagen maakte in haar skiff; hebben mijn
ouders in dat laatste oorlogsjaar een eend gewurgd,
hun drieste hoop vervuld? – Laag boven laag en alles valt,

vertrapt en ingeklonken, met geweld te sleuren naar
onwillig oppervlak. Nu zit ik op de drempel naar een tuin,
verleden likt mijn enkels maar dicht naast mij gloeit
de toekomst aan: kleindochter, zonder taal nog, grinnikt
boven vette knietjes. Alles valt maar zij gaat staan.

- Anna Enquist