Het Parlement van de Dingen

Wij zijn groot en alom, zwieren los van elkaar, wij bestaan nooit uit ik, wij zijn wij, Laminaria digitata, geen zwerm, kudde of school, toch altijd met veel, talrijk en talloos, ontelbaar verspreid, wij spannen samen, innig verstrikt of separaat waaiend in bossen vol vliezige vingers.

Wij staan rechtop in de stroom, blijven zuiver van loof zonder tak of stam, onder spiegels van water wieren wij uit, niet dun gezaaid maar in groten getale, uit onze hoofdbladen groeien lovertjes.

Ons loof is gegolfd, wij dragen roesjes langszij. Wij zijn gelatineus. Wij zijn bruin van kleur, in schemerlicht ogen we zwart en aan land in schellak gezet, purper besuikerd.

Wij zijn gymnastisch van aard, ontspringen uit stelen, dragen razendsnel blad dat vorkt en vingert. Wij arceren de zee, zijn traliewezen, we gedogen en sluiten op en in, mild zijn wij voor hen de we kennen en ons onbeschadigd laten.

Bevochtig ons, wij hebben drijflichamen, wij zijn meegaand van aard, wij zien het gebeuren, wij grijpen niet in, wij betijen, we passen ons aan, zijn ontwikkelbaar, deze tijd is onze tijd, dit water ons water. Wij volgen de golven, zijn opportunisten, wij verdragen slib, penetrerende zonnestralen, verzuring én droogstelling aan lucht bij eb.

We slaan onze ankers om stenen, markeren de kust, reguleren het schokken van golven, al zwierend rukken we op zonder haast, wij ontvouwen ons, groeien in breedte waardoor onze kronen in licht blijven baden. We stuwen de zee, laten groene wieren als losse sla los en stillen de rode wieren die bang zijn voor de zon. Wij zijn een zilt universum, een opsekops bos, tegenhanger van het regenwoud: ‘s werelds onontbeerlijk kelpwoud.

Wij zijn meerjarig. We vermenigvuldigen ons, kunnen tellen en meten, voorstadia van medusen rekenen op ons, wij reduceren gewicht nu de mens zwaarder wordt, houden luchtwegen vrij, we verwijderen tandplak en de restjes van tumoren.

Toch belagen graaigrage schepen ons, klitten netten in ons, men verpulvert ons, maalt ons en hapt in ons, maar sidderroggen zoeken nog altijd hun prooi in ons, vliegende vissen en zeeoren schuilen in ons en rifbaarzen leven in ons.

Laat onze zeeën koel en rustig stromen, wij worden broos aan land of raken bezonken, wij willen wieren, zijn onverstoorbaar, wij zijn met zoveel.

//

Deze tekst werd geschreven door Miek Zwamborn voor Het Parlement van de Dingen. Miek is schrijver, vertaler en beeldend kunstenaar. In haar werk spelen landschap en geschiedenis een belangrijke rol. Aan de hand van historisch beeldmateriaal, reisverslagen en wetenschappelijke rapporten pluist zij bestaande verhalen na om met deze fragmenten via verschillende media een koppeling naar het heden te maken. Zij publiceerde de romans Oploper (2000), Vallend Hout (2004) en de dichtbundel Het krieken van sepia (2008). In 2013 verscheen haar derde roman De duimsprong bij uitgeverij Van Oorschot.

Doe ook mee aan de wedstrijd! Naast in 500 woorden je stem te lenen aan een Dier of Ding, mag je ook in 2000 woorden ageren voor of tegen het bestaan van het Parlement van de Dingen en de (focus van de) klimaatdiscussie. Klik HIER.