Stadsgedicht

Onder de grasmat

Voetstappen boven m’n hoofd? Ja, voetstappen. Niet zacht, niet
hard. Daartussenin. Iemand verplaatst zich. Je hoort het net.
Onzichtbaar vloerverkeer. Dan zegt m’n moeder dat Johan
Cruyff sinds kort boven haar woont.

Oren gespitst. Gedempte geluiden die je anders vergeet. Ineens
is het stil. Weer gaan zitten? Wanneer zal hij opstaan, verder
lopen naar het geringste, laat hem dorst krijgen en dan naar de
keuken, laat de bel gaan

en laat het dat een heel eind zijn naar de deur of laat hem
een sprong van vreugde maken. ’t Blijft stil. Laat hem naar de
badkamer lopen, laat hem zoeken naar wat hij is kwijt geraakt,
kan het niet vinden, laat hem rennen naar alle kamers

van het huis. Stilte, nog steeds. Ik kijk naar het plafond
Witte aarde. En dan is hij opgestaan, wervelen z’n voeten van
de schijnbewegingen, iets kwijt, keuken, bel, ’t hindert niet
waar hij heen moet, ik hoor

hem aan de onderkant van de grasmat, ’t is weer stil. Zachtste
echo van deur dicht. Loopt door, ik haal hem in, loop onder
hem in de gang, naar links, nee, naar rechts, moet zich al
omgedraaid hebben

haal ik hem weer in. Trilling van buitendeur. Ren ik naar de
kamer, moet nog in huis zijn, missschien de laatste treden van
de trap, zie ik door het raam al uit m’n gehoor verdwenen
nog net drie, vier snelle passen.

K. Schippers

Geschreven naar aanleiding van de dood van Johan Cruijff. Verschenen in Het Parool op 25 maart.