Stadsgedicht

Keldergaten, lantaarnpalen

In de tijd van Karel Knal en de wonderschoenen kreeg ik
de kicksen van Jan van Diepenbeek, opraaien, prop papier
met elastiek erom. Niemand had kicksen,

droeg ze op straat, keldergaten, lantaarnpalen, alles was
een doel. De naam Van Diepenbeek in glimmende cirkeltjes
tussen de noppen, half bedekt door kluiten

aarde als het had gemodderd, op schoenen van Ajax, van het
Nederlands elftal. Jan was back, had overal gespeeld, pleister
op m’n knieĆ«n, deed ze nooit meer uit.

Karel Knal was van Uschi en Kick Geudeker, je had ook Kick
Smit, droeg ze binnen en buiten, in de keuken, op school,
Uschi deed ook nog de karikaturen op strokies.

Is er buiten geen doel, vroeg me moeder, wonnen we van een
andere buurt op de kicksen van Van Diepenbeek, Ajax, Nederlands
elftal, m’n vader had ze op kantoor van Jan gekregen,

alleen voor mij, fietste ik langs het water van de Baarsjes,
m’n kicksen nog aan. Het trapte zo lekker, noppen tegen de
pedalen, het zong in m’n hart,

onsterfelijk was ik geworden, 5-1, ging ik te ver naar
rechts, niet meer op de kade, zweefde ik in de lucht, trapte
me omhoog, weg van het water, fietste

ik me naar de daken, op de schoenen van, hoger en hoger, oud-
west onder me, trapte ik me de hemel in, fietsende vlieger op
de schoenen van Jan van Diepenbeek.