Stadsgedicht

Achterklap, slappe lach

Hoe lachen vrienden als ze er niet meer zijn? In het hoofd van een ander,
zegt Philip nou iets over Jutka, Paul over Flip, ik over Paul of Jutka over
mij, luister, kom anders iets dichterbij: Philip weet

niet dat hij wordt bespied, wij wel, Paul (1924–2002) en ik (1936- )
achter hem. Hij merkt de camera van Jutka niet. Over wie heb je het? Philip
Mechanicus (1936–2005), fotografen onder elkaar,

in de Hazenstraat, op de Nassaukade, Zwanenburgwal, Stroomarkt, Prinsen-
gracht, studio’s van Paul Huf en Flip, het plein van Barcelona. Jutka Rona
(1934–2016) drukt ons af in de Gabriël Metsustraat,

begint ze te lachen en nu lacht Flip ook. Geschilferde brugleuningen,
opgebroken asfalt, vingertoppen over ribbelig baksteen. Van grote hoogte
schuin onder je de stad van de fotografen. De lach

van Paul, knipoogt Jutka, ze is alweer buiten, bluf van het perspectief,
een gebouw krijgt de slappe lach, om zichzelf. Boot botst tegen de kade.
Roerloze bladeren, tuinen binnen een huizenblok.

Jutka Rona ziet de luwte in een beweging. Hoogmoed van geuren. Iets
grappigs dat ze vergeet. De trucs van de kleur. Stationshal krijgt andere
letters. Foto’s van het eerste uur vrij.

scan foto 600 dpi

Foto: Jutka Rona

//

Dit gedicht van Stadsdichter K. Schippers werd tevens gepubliceerd in Het Parool.