Stadsgedicht

Zaterdag 1 januari 1927

Komen ze net uit Buster Keaton, ‘hoe vond je
de splinter?’, ‘die kleine?’, ‘mocht z’n
vriendin ’m in de locomotief gooien’,

vooruit, nu op een streep van het trottoir
anders sterf je, richting Rozengracht, zaterdag
1 januari 1927, de tas met de nog niet

verlopen tramkaart en de bewaarde kastanje.
Hoeveel stappen, fluit iemand achter je My Blue
Heaven, beluister je de ruimte, loop je

naar de Hugo de Grootkade in een zwart-witte stad,
merk je dat ze daar net zo lopen, lachen, praten.
Je wilt iets zien wat je zelf niet hebt

uitgezocht, ‘stalen ze die locomotief’, ‘met z’n
liefje er nog op’. Wat doe je als je toekijkt,
draag je een hoed of sta je wat jonger stil.

Je steekt niet eens over, in de tas zat nummer 22,
kon ze haar jas mee halen lang na die splinter.
Waarom geen dia’s, ik stoot een hele wijk om.