Stadsgedicht

Amsterdam, help me

In het DeLaMar doorboort Freek de Jonge
zondagmiddag de macht. Bert Koenders geniet. In
het theatercafé vertelt de minister me na afloop
dat hij Erdogan één keer heeft gesproken.

‘Moet u niet regeren?’ vraag ik. ‘Dat ga ik nu
doen, er is veel contact met diplomaten.’
Een vrouw spreidt in de hal met twee handen haar
rok, aan de punten, ze buigt voor een vriendin.

Op straat de verkiezingen en een uithangbord van
de liefde, open wond op een elektriciteitskastje,
iemand zoekt een kat, een vrouw, waar is ze
gebleven. Amsterdam, help me, er moet iets

gebeuren om ons weer samen te brengen, kan het
niet alleen. M’n hand trilt, laat het wachten
ophouden, de tast is zo ruim, beweegt daar iets,
ik ben de meetlat van alles en toch gaat het met

gemak door zonder mij, ik ben de besmettelijke
ziekte die maar 1 mens heeft, je bent het
allerbeste wat me ooit, ssst, echt gedacht
dat het kon, de anderen zijn genezen.