Liekes Leeslijst #3: Onzekerheden die houvast bieden

vierkant_tekst

Onzekerheden die houvast bieden

Mijn vaderland, een appelpit. Een gesprek met Angelika Klammer - Herta Müller
Vertaling: Ria van Hengel, Uitgeverij De Geus, 2016

Dit boek, Mijn vaderland, een appelpit, las ik alweer een tijdje geleden, maar afgelopen week heb ik delen ervan herlezen omdat Herta Müller in dit uitgeschreven gesprek zulke mooie en belangrijke dingen zegt over taal en politiek, over de kracht van literatuur in tijden dat vrijheid onder druk staat. Müller, die opgroeide in het Roemenië van Ceauşescu, beschrijft onder andere de periode waarin ze tot in den treure getreiterd, achtervolgd en afgeluisterd werd door de geheime dienst van haar land. Zo komt ze op een dag thuis en merkt dat een deel van de vossenvacht die ze als kamerkleed gebruikt heel zorgvuldig is afgesneden. Een moment denkt ze dat ze gek is, misschien is de vacht afgescheurd, maar een paar weken later is het weer raak: opnieuw heeft iemand terwijl ze weg was een stuk van de vacht afgesneden en weer teruggelegd.

Ook in haar jeugd, wanneer Ceauşescu nog niet aan de macht is, speelt tirannie direct en indirect een vormende rol in Herta Müllers leven. Haar moeder is na de Tweede Wereldoorlog vijf jaar lang te werk gesteld in een Sovjetkamp en daar nogal beschadigd uit gekomen:

Vrouwen die zoals mijn moeder de deportatie hadden overleefd, waren uiteindelijk door hun kapsel en hun kleren duidelijk van de niet-gedeporteerden te onderscheiden: zij die altijd thuis waren gebleven omdat ze bij de deportatie nog te jong of al te oud waren, de niet-gedeporteerden dus, droegen een vlecht en een enkellange plooirok. En de gedeporteerden droegen kort haar en een korte jurk. Dat was een cesuur. (…) In het kamp werden de vrouwen vijf jaar lang kaalgeschoren, soms als straf, soms vanwege de luizen. En bij de dwangarbeid droegen ze dezelfde grove Russische kamppakken als de mannen. Geen van die vrouwen heeft daarna nog een vlecht laten groeien of een enkellange plooirok laten maken, dat zegt toch alles. De deportatie maakte een eind aan driehonderd jaar boerendracht, dat hoefde niemand te beslissen en dat kon ook niemand meer tegenhouden, dat ging helemaal vanzelf, door de ontsteltenis. Het was een harde, duidelijke consequentie, waarover nooit werd gepraat.

Deze passage maakte veel indruk op mij. Als de verschrikkingen van het Sovjetkamp in staat waren een eind te maken aan driehonderd jaar boerendracht, wat hebben ze dan nog meer veranderd? Elders in het boek vertelt Müller over de dingen waar men onder Ceauşescu niet meer over praatte – vanwege de censuur, maar misschien nog wel meer vanwege de met censuur hand in hand gaande zelfcensuur. Je gaat immers wel twee keer nadenken over wat je zegt als iemand heimelijk je huis in sluipt om je vossenkleed aan flarden te snijden, zelfs al is niet precies duidelijk wat diegene van je wil. En waar het veranderen van kledingstijl zichtbaar is, gaat het veranderen van taal onopgemerkt: de verandering bestaat uit het feit dat sommige dingen niet meer gezegd worden en uit de taal verdwijnen. Angst vervormt de taal doordat ze de werkelijkheid onuitspreekbaar maakt. Dictators weten: hoe groter de trauma’s die we veroorzaken, hoe minder mensen over onze daden zullen willen praten. Op den duur neemt de zelfcensuur het werk van de wettelijke censuur zelfs over. Zelfcensuur is bovendien de hardnekkigste vorm van censuur: bijna dertig jaar na de val van Ceauşescu’s regime werkt de intimidatie nog altijd door in Müllers werk. Ook al schrijft ze nu over de verschrikkingen, haar taal is voorgoed veranderd.

‘Censuur!’ hoorde ik iemand roepen toen van de week bekend werd gemaakt dat de NS voortaan geen ‘dames en heren’ meer zou gebruiken in de trein (dit is inderdaad een grote gedachtesprong, maar ik wil hem toch maken, want ik word een beetje moe van mensen die te pas en te onpas het woord ‘censuur!’ een discussie in slepen – zie ook de discussie omtrent het afschaffen van Zwarte Piet). Wie zoiets roept, moet zich afvragen of het verdwijnen van de woorden ‘dames en heren’ betekent dat het gevaarlijker is geworden voor dames en heren in de trein. Is dit niet het geval (ik verklap alvast: dit is niet het geval), dan is er van censuur geen sprake, omdat er geen sprake zal zijn van zelfcensuur.

Voor wie wel reden heeft tot bang zijn is er, schrale troost misschien, in ieder geval nog de literatuur als veilige plek. Literatuur is namelijk de taal van de mogelijkheden – en die mogelijkheden bieden gek genoeg houvast. Of zoals Müller zegt:

Ik wilde helemaal geen literatuur schrijven, ik wilde houvast vinden. Bij het lezen van boeken dacht ik altijd, de mooie zinnen, die meer zijn dan de inhoud van hun woorden, weten, zolang je je blik erop gevestigd houdt, hoe het leven in elkaar zit. (…) Ook de zinnen die ik zelf schreef konden meer over mij en het dorp en die zwijgende kindertijd zeggen dan mijn mond bij het spreken. En dat verschil lokte mij en maakte me bang tegelijk. Dat verschil leidde tot iets wat ik niet kon voorzien. Wat ik niet snapte doorzagen de zinnen, misschien wel omdat ik woorden moest vinden die noch mij noch zichzelf kenden en meer konden uitdrukken dan mondeling gezegd kon worden. Dat juist het onzekere bij het schrijven waarheid afdwingt die overeenkomt met de werkelijkheid omdat ze daar niet bij blijft staan, omdat ze er boven uitstijgt – dat gaf mij houvast.

/////

Lieke Marsman is dichter en schrijver. In 2010 verscheen haar debuut Wat ik mezelf graag voorhoud, dat een jaar later onder meer de C. Buddingh’-prijs won. Haar tweede bundel De eerste letter verscheen in januari 2014. Haar debuutroman Het tegenovergestelde van een mens, over klimaatverandering en eenzaamheid, is deze maand verschenen.

Illustratie door de ongeëvenaarde: Ellis van der Does