Stadsgedicht

De Valerius, afgebroken

Bedwelmd door het gewone springt de dichter
naar beneden. Er hangt geen net. Wie heeft
er in de Valerius gezeten. Ze hebben het

gebouw omgeduwd of is het uiteen gevallen.
Zandvlakte met kruinen van rupsbanden. Wat
doe je als je even weg bent, hangt ervan af

van waar je weg bent. Ongewervelde gedachten.
Een vlinder op het puin, gehakkelde aurelia.
Polsbandje dat toegang geeft en je weet niet

meer tot wat. Vestdijk: in het land waar de
paraplu’s het voor het zeggen hebben is
onbegrip bijna een deugd. Een zwaan entert

een brievenbus. Doem van krankzinnig, afgebroken,
nergens in voorkomen, niet mee kunnen doen.
Als je duim is uitgeschakeld weet je pas wat

hij doet. Verspreidden ze zich van het gebouw
over het park en de omringende cafés. Try-
out van het geringste. Tastzin in het open

veld. Kaartjes voor een gesloopte bioscoop,
de Alhambra. Hoogstpersoonlijke tegenwerking.
Opzien tegen het licht. Dezelfde schaduw in

verschillende films. Trap, springen, vraagteken.
Hoe pakt de nagalm uit. Er is niemand meer.
Wacht eens, lukt het je nog op de trap.

20170918172616_00001

Foto: M. van der Hoeven (privécollectie K. Schippers)