Stadsgedicht

Wat je aanraakt

In het Nieuwe DeLaMar vertelt hij
me dat een dichter zijn onderscheiding
is verloren en graag een nieuwe wil.
‘Het verkeer zit vast, de straten

zijn dicht,’ lacht hij, ‘net of het
zo hoort.’ Hij zwijgt, waar denkt hij
aan? De vluchteling Lao Tze leert je
naar het niets te kijken. De dertig

spaken verenigen zich in een naaf. Van
de ruimte hangt het gebruik van het wiel
af. ‘Kijk,´ zegt Lao Tze, ‘hier kneedt
men leem tot vaten, maar geen vat kan

zonder de leegte.’ Kan een gat zo groot
worden dat de sok er nauwelijks is, steeds
meer gaten, haast zonder wol? De leegte
rukt op, de burgemeester zit er middenin.

Deuren en vensters, van de ruimte hangt
het hele huis af en van hem de hele stad
nu hij zelf de leegte is geworden, tussen
de harp en de uil, tussen twee biertjes

op het plein, hangt hij boven de aftrap
van de wedstrijd, is hij de afstand
tussen twee bruggen als er op het water
van zijn stad viool wordt gespeeld. Oh,

E v d L, ben je op elk uithangbord het wit
tussen de woorden, vult je afwezigheid alle
plekken waar Amsterdam steeds opnieuw wordt
beschaduwd, beademd, gespeld, gespeeld.

- K. Schippers

Dit gedicht verscheen eveneens in Het Parool.