• slaa-carroussel-16nov
  • slaa-carroussel-liefde
  • slaa-carroussel-16novA
  • slaa-carroussel-westwords
  • slaa-bijlmerboekt 10-2014
  • anna-enquist
  • SLAA_carroussel_plaatjes-04
  • slaa-carroussel-02
SLAA Programma
oktober 2014

Het maandelijks overzicht van alle activiteiten
die de SLAA aanbiedt.

wo
01
okt

Misschien wel niet

Met: Jannah Loontjens, Hanneke Hendrix, Margriet Oostveen, Coen Simon en Lynn Berger. Presentatie: Jasper Henderson.

Op 1 oktober organiseert de SLAA een avond naar aanleiding van het verschijnen van de nieuwste roman van Jannah Loontjens, getiteld Misschien wel niet (Uitg. Ambo Anthos). Het is een roman over belangrijke hedendaagse thema's, zoals de invloed van social media op ons leven, de grote moeite om keuzes te maken en modern ouderschap.

Een aantal sprekers zal een persoonlijke column voordragen die zich verhoudt tot de inhoud van het boek. Het ontmoeten van anderen via online wegen en de weerslag daarvan in de literatuur, de veranderingen van intimiteit online en offline, of de sores van moderne gezinnen.
Misschien wel niet biedt een intieme inkijk in het leven van een hedendaagse vrouw in al haar gedaantes. Ontroerende, filosofische gedachten lichten op middenin het alledaagse. Sterk werk!
- Saskia de Coster

Synopsis:

Misschien wel niet beschrijft vier dagen uit het leven van Mascha. Ze woont in Amsterdam, heeft net als haar vriend een goede baan en samen hebben ze twee kinderen. Ze leidt een leven dat exemplarisch lijkt voor deze tijd, waarin social media en een grote keuzevrijheid het leven veraangenamen, maar ook ingewikkeld maken. We chatten, WhatsAppen, twitteren, Facebooken en worden online verliefd.

Deze enkele dagen uit Mascha?s leven schetsen een hedendaags beeld waarin velen zich zullen herkennen. Ze beleeft losbandige avonden met haar vrienden, doet haar best een goede moeder te zijn, houdt haar relatie onder de loep en heeft een geheime Facebook-affaire. Dagelijks voert ze de strijd met het nemen van haar verantwoordelijkheden.

Misschien wel niet is een uitzonderlijk rijke roman, waarin niet alleen de lotgevallen van een jonge vrouw worden beschreven, maar ook de belangrijke thema's van deze tijd worden behandeld - een tijd waarin het steeds moeilijker wordt om te durven kiezen.
do
02
okt

VAN DE NEUSHOORN EN DE DINGEN DIE VOORBIJ GAAN

Met: Lodewijk van Oord, Christiaan van der Hoeven (WNF) en Sanneke van Hassel.

Op 2 oktober organiseert de SLAA in samenwerking met Uitgeverij Cossee een avond naar aanleiding van het verschijnen van de debuutroman van Lodewijk van Oord, Albrecht en wij. Een bijzonder boek, waarin neushoornstier Albrecht, dierentuindirecteur Edo Morell en neushoornspecialiste Sariah Balan de hoofdrollen innemen. Het boek is humoristisch met een originele plot en speelt met vragen die al sinds mensenheugenis de gemoederen bezig houden: hoe verhoudt de mens zich tot het dier? Hoe ver kun je gaan in het exploiteren van een dierentuin? Mag de mens verantwoordelijk zijn voor het in stand houden van een diersoort of moeten we de natuur zelf haar werk laten doen? Prangende vragen dus, en dat alles op de set van een (fictieve) noodlijdende dierentuin in Amsterdam die alleen van haar noodlot gered kan worden als neushoornstier Albrecht, de laatste in zijn soort, als topattractie wordt ingezet.

Deze avond zal - naast het presenteren van de roman - draaien om de vraag of het uitsterven van de neushoorn en andere diersoorten wel een echt probleem is. Lodewijk van Oord zal een verrassend standpunt innemen en in gesprek gaan met Christiaan van der Hoeven, expert op het gebied van wildlife crime bij het WNF. Ook schrijfster Sanneke van Hassel spreekt zicht uit over het onderwerp.

Wij nodigen je van harte uit om na het gesprek te blijven borrelen, in gesprek te gaan met de sprekers en een kijkje te nemen bij de boekentafel van Boekhandel Over het water, waar verschillende boeken te koop zullen zijn.

Dit evenement is gratis toegankelijk. Je kunt je hier aanmelden voor het Facebookevenement.
do
09
okt

Noorderwoord

Met: Monic Hendrickx, Timen Jan Veenstra, Marja Pruis, Rayen Panday, Lamyn en Het Specie Trio.
Presentatie door: Christine Otten.

De tijd dat heel hip Amsterdam alleen de pont durfde te nemen om eens per maand over de vintagemarkt in de IJhallen te struinen is allang voorbij. Met de komst van het EYE, de Tolhuistuin en verschillende inspirerende ondernemingen wordt aan het grote publiek bewezen wat bewoners al jaren weten: Noord verdient de aandacht.

Voor de 4e keer organiseert de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) in samenwerking met schrijfster Christine Otten een programma vol variété en verhalen in het Zonnehuis. Noorderwoord is een literair evenement voor jong en oud, Noord-bewoner en niet Noord-bewoner: iedereen is even welkom.

Tijdens deze editie is het publiek getuige van wat er ontstaat wanneer een gevestigd actrice en een jonge theaterschrijver samenwerken. Timen Jan Veenstra van de Tekstsmederij schreef een innemend monoloog over het leven van Simon Vinkenoog dat zal worden uitgevoerd door niemand minder dan Monic Hendrickx (Penoza, De Poolse bruid)

Initiatiefneemster Christine Otten interviewt Marja Pruis over haar laatste boek Kus me, straf me, een bundeling van essays waarin de thematieken schaamte en intimiteit centraal staan.

Ook het humoristische vlak wordt geraakt deze avond. Cabaretier Rayen Panday staat, nadat hij Nederland veroverde met zijn cabaretvoorstelling ?Drie keer Rayen?, dit najaar bij Noorderwoord op de planken.

De avond zal muzikaal worden ondersteund door het Het Specie Trio (Cris Corstens op sax, Martin van Leusden op drums en Ton van Erp (Cultuurhuis Noord) op contrabas. En natuurlijk zal onze huisdichter Lamyn de avond openen met een voordracht uit eigen werk en de avond eindigen met een tijdens de avond geschreven gedicht.

Heeft u altijd al de muze van een dichter willen zijn? Woont u in Noord, wilt u Noord op haar best ontdekken, óf bent u gewoon op zoek naar een prachtig avondvullend programma? Kom dan zeker langs!

zo
12
okt

Kundera's feest der onbeduidendheid

Milan Kundera (auteur van onder meer De grap en De ondraaglijke lichtheid van het bestaan), een van de belangrijkste hedendaagse schrijvers, beziet in zijn romans de wereld met een briljante, vaak verwrongen gevoel voor humor: bizarre orgies, rampzalige feestjes en gestoorde wetenschappers passeren de revue. Terwijl hij in zijn werk vaak de veelomvattende problemen van de menselijke identiteit wil aankaarten, schroomt hij niet te spelen met dubbelzinnigheden en paradoxen, vaak gepaard met een flinke dosis ironie.

Twaalf lange jaren heeft het geduurd voordat er weer een nieuwe roman van zijn hand verscheen, maar eindelijk is het zover: Het feest der onbeduidendheid. In deze roman zijn de vrienden Alain, Ramon Charles en Caliban op zoek naar het eindeloos goede humeur dat volgens de ernstige filosoof Hegel onontbeerlijk is voor de ware humor. Intussen denkt Alain over de navel als erotisch middelpunt van het lichaam, ontvlucht Ramon de lange rij bezoekers voor de engelen van Chagall, wil Charles een toneelstuk voor het marionettentheater schrijven en volhardt de voormalige acteur Caliban in zijn nep-Pakistaans waarmee hij niemand nog langer imponeert, behalve een Portugese dienstmeid.

De roman is een bespiegeling op de vraag wat er gebeurt als we een grap niet als grap herkennen. Tijdens ons eigen feest der onbeduidendheid verkennen ook wij deze vraag via Kundera's werk, met de hulp van filosoof/cabaretier Tim Fransen, schrijfster/filosofe Désanne van Brederode, NRC-criticus Arjen Fortuin, historicus Arnout le Clercq en Hoofd Cinema De Balie Dirk van der Straaten. Isolde Hallensleben presenteert de avond.

Na dit programma is om 20.00 uur de film The Joke (1968) te zien, de verfilming van Kundera?s debuutroman. De film werd kort na verschijning door de autoriteiten verboden, vanwege de kritiek die hij leverde op het communistische regime. Pas na twintig jaar mocht de film weer worden vertoond.

Als bonus is zaterdag 11 oktober The Unbearable Lightness of Being in De Balie te zien ? voor het eerst in jaren weer in de bioscoop!

Dit programma is een samenwerking tussen Ambo|Anthos uitgevers, De Balie, Jonge Historici en SLAA.
wo
29
okt

De wereld van Christa Wolf

Naar aanleiding van de herdenking van de val van de Berlijnse Muur, 25 jaar geleden, organiseren Goethe-Institut en SLAA een avond over het leven en werk van Christa Wolf (1929-2011), een van de beroemdste schrijvers uit de voormalige DDR. Met: journaliste Jana Simon (kleindochter van Wolf), schrijfster Nelleke Noordervliet, germanist Jerker Spits en historicus Jacco Pekelder.

Let op! Deze avond is deels in het Duits.


Jacco Pekelder zal een korte inleiding geven waarin hij Wolfs werk in zijn historische context plaatst, waarna Nelleke Noordervliet een lezing geeft over het literaire belang van het werk van Christa Wolf. Vervolgens interviewt Jerker Spits de Berlijnse Jana Simon, die in 2013 het boek Sei dennoch unverzagt publiceerde, waarin een aantal gesprekken met haar grootouders Christa en Gerhard Wolf verzameld zijn. De gesprekken beginnen in de zomer van 1998. Jana is dan 25, wordt net journaliste en begint vragen aan haar grootouders te stellen over het verleden. Door de jaren ontstaat zodoende een dialoog tussen generaties: ze spreken over de politieke betrokkenheid van het schrijverskoppel en de strijd van de grootouders, wiens radicaliteit en existentialisme voor hun kleindochter bijna niet meer te begrijpen is. En ook spreken zij over verloren vriendschappen en verraad, over de meer dan 60 jaar durende liefde van het echtpaar Wolf, over het schrijven, en het gezamenlijke geluk en ongeluk in het nieuwe herenigde land. De gesprekken reiken tot aan de dood van Christa Wolf in 2011 en verder. Aan het einde ontmoeten kleindochter en grootvader elkaar nog eenmaal met zijn tweeën.

Wolf Christa

De wereld van Christa Wolf vindt plaats in de Tuinzaal van de Tolhuistuin. De Tolhuistuin is pas sinds kort officieel geopend en daarom kunnen wij ons voorstellen dat u behoefte heeft aan een duidelijke plattegrond. Die is hier te vinden. De Tuinzaal staat in de legenda aangegeven met nummer 7.
 
 
 

word vriend
van slaa
en krijg
veel korting

 
  • 29 oktober 2014

    VIDEO: Het feest der onbeduidendheid in de Balie

    Op 11 oktober 2014 was u uitgenodigd voor ons eigen feest der onbeduidendheid in de Balie Amsterdam.

     

    Een partijtje ter ere van het verschijnen van de nieuwe roman van Milan Kundera: Het feest der onbeduidendheid. U werd niet thuisgebracht, maar wel uitgedaagd om te denken over de vraag: wat gebeurt er eigenlijk wanneer een grap niet als grap wordt herkend?

    Isolde Hallensleben (voor de gelegenheid gehuld in een Karl Marx is my bitch-shirt) presenteerde deze Kunderamiddag. NRC-criticus Arjen Fortuin sprak over sentiment, over een jeugdliefde herlezen en nieuwe dingen ontdekken. In het tafelgesprek gingen filosofe Désanne van Brederode, historicus Arnout le Clerq, Arjen Fortuin en Isolde Hallensleben verder in op het oeuvre van Kundera, waarbij een prachtige diversiteit aan standpunten en meningen kwam bloot te liggen.

    Hoofd Cinema De Balie Dirk van der Straaten liet een fragment zien van The Joke, de verfilming van Kundera’s debuutroman. De film werd kort na verschijning door de autoriteiten verboden, vanwege de kritiek die hij leverde op het communistische regime. Pas na twintig jaar mocht de film weer worden vertoond.

    Tot slot liet cabaretier/filosoof Tim Fransen een fragment horen uit het radioprogramma Met het oog op morgen, waarin perfect geïllustreerd wordt hoe ongemakkelijk iets kan worden als men de grap niet als grap herkent. Luister hier het fragment terug waarin Tim Fransen (vanaf 41:33) op de radio wordt geïnterviewd en zijn grap totaal niet begrepen wordt. Een belangrijk stukje informatie: Tim Fransen heeft nog nooit klarinet gespeeld.

    Heeft u ons partijtje gemist omdat u aan het genieten was van de allereerste echte herfstdag? En heeft u nog geen tijd gehad om onze nabeschouwing te lezen? Geen probleem. De Balie is zo vriendelijk geweest Het feest der onbeduidendheid te filmen. Zo kunt u er, op uw eigen gemak, nog eens voor gaan zitten.

     

    Milan Kundera’s Feest der Onbeduidendheid – SLAA from De Balie on Vimeo.

     

  • 24 oktober 2014

    Boek van de week

    Elke vrijdag geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip om het weekend mee door te komen. Deze week: Stijloefeningen van Raymond Queneau (Uitgeverij De Bezige Bij).

     

    Stijloefeningen is een boekje dat stamt uit 1947. In Nederland werd het voor het eerst in 1978 uitgegeven, en nog enkele malen daarna. Rudy Kousbroek vertaalde het en schreef een voorwoord, dat ook is opgenomen in de editie die deze maand uitkwam ter ere van het 70-jarig bestaan van uitgeverij De Bezige Bij. Nieuw toegevoegd hierin is een nawoord van Marjolijn van Heemstra. Het boekje omvat, kort gezegd, 98 variaties in stijl op één wat banale, maar in toenemende mate boeiende anekdote van een halve pagina lengte. Queneau herschrijft de anekdote op basis van specifieke stijlfiguren, genres, vertelperspectieven en -tijden.

    Raymond Queneau was, naast romancier en dichter, in de eerste plaats wiskundige, en ‘niet in een passieve betekenis’, zoals Rudy Kousbroek in zijn voorwoord schrijft. Zijn wiskundige inzicht gebruikte Queneau in zijn benadering van tekst. Hij schreef zijn romans aan de hand van een gedetailleerd mathematisch schema, en ook Stijloefeningen benadert zowel ‘het verhaal’ als taal als iets wat op te delen is in steeds kleinere, exacte (aanwijsbare) elementen, die, wanneer men ze kent en heeft doorgrond, naar wens kunnen worden gemanipuleerd. Dit boekje is een studie in het doorgronden van een reeks van 98 van die elementen.

    Tegelijkertijd is Stijloefeningen echter zoveel meer dan slechts een studie. Het is een ode. Want waar een wiskundige benadering van literatuur droog en rigide klinkt, blijkt uit de speelsheid waarmee de oefeningen zijn uitgevoerd niet alleen vakmanschap, maar ook een aanstekelijke liefde voor taal en literatuur. De stijloefeningen zijn zodoende geen zouteloze variaties op een thema, maar stuk voor stuk interessante, vermakelijke verhaaltjes. Ze illustreren bovendien welke macht een goede schrijver over zijn of haar lezer heeft, hoe hij de lezer kan beïnvloeden en diens interpretatie van het vertelde kan sturen. Schrijven is een ambacht, bewijst Queneau maar weer eens. Een ambacht waarin elk detail ertoe doet.

    Ter afsluiting dient niet alleen voor Queneau, maar ook voor Kousbroek de loftrompet te worden gestoken. Is het een prestatie om de zelfopgelegde stijloefeningen op dit niveau tot uitvoer te brengen, dan is het een welhaast nog grotere prestatie ze goed te vertalen. Het enige wat afbreuk doet aan de uitstekende vertaling is het feit dat er een paar foutjes in de tekst zijn blijven zitten. Desalniettemin zou ik dit boekje voor de luttele 7 euro die het kost niet aan me voorbij laten gaan.

    Door: Esther Kuijper

    Stijloefeningen

    Raymond Queneau
    Stijloefeningen
    Uitgeverij De Bezige Bij
    Vertaler: Rudy Kousbroek
    € 7,-
    152 pagina’s

  • 20 oktober 2014

    Wat zit waar in de Tolhuistuin?

    We organiseren regelmatig programma’s in de Tolhuistuin. Ook is ons kantoor er sinds dit jaar gevestigd. Maar hoe zit die Tolhuistuin nu precies in elkaar? Zuig het onderstaande in je op en raak nooit meer verdwaald.

     

    De Tolhuistuin is de overkoepelende naam voor een zalencomplex (het Paviljoen), een aantal losstaande kantoorgebouwen (onder meer de Staalvilla, waar het kantoor van de SLAA in huist) en de eigenlijke tuin. Daarom geven we bij de locatievermelding van onze programma’s die in de Tolhuistuin plaatsvinden achter de hoofdlocatie altijd tussen haakjes weer in welke zaal u die avond welkom bent. De SLAA programmeert in de Tolhuistuin voornamelijk in de zalen die vetgedrukt zijn.

    Alle zalen die zich in het Paviljoen bevinden (de IJ-zaal, de Tuinzaal, de Expozaal en de Grote Zaal) bereikt u via de hoofdingang van het Paviljoen. Deze bevindt zich aan de IJ-zijde van de Tolhuistuin; steek vanaf de pont linksaf over en u loopt er,  ná het passeren van de trap van restaurant THT en de fietsverhuur, tegenaan.

    Het Tuinhuis bevindt zich in de tuin, die u kunt betreden via de ingang aan de Tolhuisweg; ga vanaf de pont rechtdoor de Buiksloterweg op (water aan de rechterkant), in de eerste bocht die u tegenkomt gaat u linksaf de Tolhuisweg op. De ingang van de tuin bevindt zich, ná de Staalvilla, aan uw linkerhand. Om het Tuinhuis te bereiken slaat u na de binnengaan van de tuin direct rechtsaf.

    Zie hieronder ter illustratie de plattegrond van het hele complex.

    Tot ziens in de Tolhuistuin!

    plattegrond tht

    Plattegrond: Lauranne van Grinsven

  • 16 oktober 2014

    Boek van de week

    Op ongezette tijden geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip. Deze week: Morgen komt Liesbeth van Olivier Willemsen (Uitgeverij De Harmonie).

     

    Het is 1952. Twee jongetjes zitten in de vensterbank van een Weense woning. Ze wachten op Liesbeth. Ze kennen de wereld slechts vanuit het raam, omdat ze om voor de lezer geheimzinnige redenen het huis niet uit mogen of kunnen. Er is geen moeder. Er was een vader, maar die is ineens vertrokken en nu wachten ze op Liesbeth, die ze kennen en lief vinden en die voor ze zal zorgen.
    Het duurt lang voor ze komt, ze hebben honger, twee rollen PEZ-pepermunt is alles wat ze hebben.
    Dan komt Liesbeth, en de jongetjes voelen zich ondergedompeld in liefde, warmte, lekkere zuurkool (ze eten in het boek alleen maar zuurkool).
    Vader blijkt dood en Liesbeth brengt een andere man in huis, Egon, en vanaf dat moment beginnen in de verte de eerste alarmbellen te rinkelen. De jongetjes, eerst zo ontroerend en ongenaakbaar in hun denken en doen, worden kwetsbare wezentjes die zich zonder de zorg van hun vader nergens tegen kunnen verweren.
    Hoofdstuk voor hoofdstuk schuift Willemsen zijn jongetjes tergend langzaam richting de afgrond. En niet alleen de jongetjes. Ook de lezer wordt gekweld. Wat aanvankelijk als een mooi licht, bijna naïef verteld verhaal begon, wordt langzaam een zwart sprookje waarin we net zo weinig zien en net zo weinig weten als de twee weerloze hoofdpersonen.
    Naar het einde toe begint de omvang van de gruwelijkheden scherpere contouren te krijgen, het licht dooft langzaam, de duisternis neemt het over. De vragen die overblijven na het lezen van Morgen komt Liesbeth blijven nog dagenlang in je hoofd knagen.

    Door: Daphne de Heer

    Morgen komt Liesbeth(1)

    Olivier Willemsen
    Morgen komt Liesbeth

    Uitgeverij De Harmonie

    € 16,90
    144 pagina’s

  • 15 oktober 2014

    Verslag Kundera’s feest der onbeduidendheid

    Het is een prachtige zondagmiddag. Bladeren bedekken de tramrails op het Leidseplein en de zon schijnt herfst. Een prima middag voor wat filosofische verdieping, al vraagt mijn collega zich af of de mensen niet liever gaan wandelen met zulk mooi weer.

     

    Binnen in De Balie is het rumoerig. Vrouwen drinken wijn in de hoek, mannen durven eindelijk bockbier te bestellen. Zo anders is het in de salon, waar het licht door de glas-in-loodramen de zaal in schijnt en er een spannende stilte heerst. De eerdere zorgen van mijn collega blijken ongegrond: alle stoelen zijn bezet en met een verwachtingsvolle blik kijken de gasten naar de sprekerstafel.

    Kundera’s feest der onbeduidendheid wordt gepresenteerd en geopend door Isolde Hallensleben, die voor de gelegenheid een prachtig shirt heeft aangetrokken met de tekst: KARL MARX IS MY BITCH. Ze begint de middag met de onvermijdbare vraag: ‘Wie spreekt Kundera uit als Kundéra? Jullie? Ja, dat is dus niet goed. Het is Kúndera.’
    Dan is dat maar uit de wereld geholpen.

    Hallensleben introduceert Arjen Fortuin: NRC-criticus in hart en nieren, maar vroeger ook een doodgewone tiener die Kundera verslond. Fortuin vertelt ons over hoe hij boeken uit zijn studieperiode herlas om te ontdekken of hij ze als veertiger anders zou lezen. Dat doet hij inderdaad, blijkt. ‘Ja, dan kom ik er bij zo’n herlezing achter dat er ook een zoon aanwezig is.’

    Na Fortuins bijna nostalgische opening, nodigt Isolde Hallensleben Fortuin en de andere sprekers uit om aan de debattafel te komen zitten: filosofe Désanne van Brederode en jonge historicus Arnout le Clercq komen vanuit het publiek naar voren. Een interessant gesprek tussen vier verschillende Kundera-lezers volgt. Van Brederode kaart aan dat Kundera’s personages voor haar altijd vlak blijven, alsof het concepten zijn voor een nog komend verhaal. Ze noemt zichzelf geen Kundera-hater, maar ook zeker geen liefhebber. Ze is een kritische lezeres. Arnout le Clerq plaatst Kundera’s werk in een historische context.

    Er worden verwijzingen gemaakt naar Kundera’s poëzieperiode. Hallensleben en Van Brederode vinden het zo jammer dat daar geen vertalingen van te vinden zijn. Een Kundera-kenner uit het publiek onderbreekt: die vertalingen zijn er wél, maar die zijn in eigen beheer uitgegeven en daarom zijn ze moeilijk te verkrijgen. Kundera heeft nooit behoefte gehad aan de vertalingen. Poëzie schreef hij in zijn revolutionaire tijd, hij noemt dat zijn lyrische periode. Voor hem is de ommekeer gekomen toen hij ontdekte wat je met proza kan en hij heeft nooit meer teruggekeken.

    Na het gesprek legt Hoofd Cinema De Balie Dirk van der Straaten uit waarom zijn baan de leukste is. Van der Straaten is afgestudeerd op de herinnering aan Oostduitse films bij Duisters die in de DDR waren opgegroeid. Hij laat een fragment zien van The Joke, de verfilming van Kundera’s debuutroman. De film werd kort na verschijning door de autoriteiten verboden, vanwege de kritiek die hij leverde op het communistische regime. Pas na twintig jaar mocht de film weer worden vertoond.

    Tot slot laat cabaretier/filosoof Tim Fransen een fragment horen uit het radioprogramma Met het oog op morgen, waarin perfect geïllustreerd wordt hoe ongemakkelijk iets kan worden als men de grap niet als grap herkent – een vraag die centraal staat in Kundera’s laatste roman Het feest der onbeduidendheid. De filosoof in Tim Fransen komt naar boven als hij stelt: ‘of de grap succesvol is, hangt af van de kennis van het publiek. Een grap zonder context is hoe dan ook niet succesvol.’ En hij kan het weten. Luister hier het fragment terug waarin Tim Fransen (vanaf 41:33) op de radio wordt geïnterviewd en zijn grap totaal niet begrepen wordt. Een belangrijk stukje informatie: Tim Fransen heeft nog nooit klarinet gespeeld. Gelukkig voor de gasten is Fransen zo vriendelijk om de grap van te voren uit te leggen.

    Aan het eind van de middag nodigt Hallensleben iedereen uit nog een borrel te doen aan de bar.

    Was u inderdaad zo iemand die liever ging wandelen afgelopen zondag, maar bent u wel geïnteresseerd in Kundera’s feest der onbeduidendheid? Geen nood: VPRO’s Nooit Meer Slapen maakte een mooie reportage over deze middag en ging nog verder in gesprek met Arjen Fortuin. Vannacht te beluisteren op Radio 1. Bent u zo iemand die liever wel dan nooit slaapt? Wederom geen nood: vanaf morgen is het fragment hier terug te luisteren. Kunt u vannacht gewoon lekker slapen.

     

  • 14 oktober 2014

    Richard Flanagan wint Man Booker Prize

    De Australiër Richard Flanagan heeft met The Narrow Road to the Deep North de Man Booker Prize 2014 gewonnen.

     

    De Australiër Richard Flanagan heeft met The Narrow Road to the Deep North de Man Booker Prize 2014 gewonnen. Dat werd zojuist bekend gemaakt in de Guildhall, het stadhuis van Londen. Het winnende boek is vernoemd naar een Japans boek van haikudichter Basho. Flanagans roman verkent de betekenis van het heldendom, motivaties voor daden van extreme wreedheid en de dunne scheidslijn tussen slachtoffers en daders. De jury omschrijft het boek als ‘a harrowing account of the cost of war to all who are caught up in it’.

    Waar de prijs voorheen alleen werd uitgereikt aan schrijvers die in landen behorend tot het Britse Gemenebest wonen, mochten dit jaar voor het eerst ook andere Engelstalige schrijvers meedingen. Dat resulteerde in drie Amerikanen op de shortlist. De genomineerden waren, naast Flanagan: Joshua Ferris (To Rise Again at a Decent Hour), Howard Jacobson (J), Karen Joy Fowler (We Are All Completely Beside Ourselves), Neel Mukherjee (The Lives of Others) en Ali Smith (How to be Both).

    Flanagan

  • 14 oktober 2014

    Noorderwoord #4 report

    9 oktober, rond 19.45 uur, het is een drukte van belang rondom de ingang van het Zonnehuis.

    ‘Ik ga eigenlijk nooit naar literaire avonden,’ zegt een dame tegen het meisje achter de kassa, ‘maar mijn vriendin gaat hier elke keer heen en ze vindt het fantastisch. Dus ik dacht: toch maar eens proberen dan.’

     

    Er moeten inmiddels extra stoelen worden bijgezet. De kassameisjes krijgen te horen dat bijna alle kaarten verkocht zijn. Binnen in de zaal drinken de gasten nog even snel een kopje koffie en knabbelen op een koekje dat ze uit een geruite koektrommel kunnen pakken. ‘Het is hier zo lekker ongedwongen,’ verzucht een vrouw. Op de achtergrond speelt Het Specie Trio de zaal warm.

    Huisdichter Lamyn Belgaroui opent de avond met passie. Hij begint met een lied, dat overgaat in rauwe spoken word. Zoals altijd hangt de zaal vanaf zijn eerste woord aan zijn lippen.

    Initiatiefneemster Christine Otten nodigt daarna Marja Pruis uit om bij haar op de bank plaats te nemen. Tussen de twee schrijfsters ontstaat een openhartig gesprek waarbij Pruis grapt: ‘Zal ik anders maar op de bank gaan liggen?’ Ze vertelt onder andere over haar ontwikkeling als schrijfster, en over hoe de Groene Amsterdammer een grote rol speelde in haar ontwikkeling als essayiste. Toch vindt ze van alle tekstvormen de roman het hoogst haalbare.

    Hierna betreedt cabaretier Rayen Panday het podium. Panday komt niet uit Amsterdam Noord, maar wel uit Zaandam. ‘Ongeveer hetzelfde,’ zegt hij zelf. Hij geeft het publiek geen tijd om even te verzitten: direct begint hij met een reeks goede grappen. Panday gebruikt zijn multiculturele achtergrond als inspiratiebron. Hij drijft de spot met zichzelf maar is nooit schertsend. Zoals zijn moeder hem al zei: ‘Jongen, soms komt er iets op je pad.’ (insiders joke!)

    Timen Jan Veenstra van De Tekstsmederij heeft een monoloog geschreven naar aanleiding van gesprekken met Edith Ringnalda, weduwe van wijlen dichter Simon Vinkenoog. Edith Ringnalda is vanavond ook aanwezig. De monoloog wordt uitgevoerd door Penoza-actrice Monic Hendrickx. ‘Dat vind ik nu zo bijzonder,’ zegt Christine Otten, ‘dat een groot actrice als jij nog de moeite neemt om aan dit soort kleine projecten mee te doen.’ De integere Hendrickx haalt haar schouders op. ‘Als een tekst me raakt, dan raakt-ie me. En dit is zo’n prachtige tekst.’

    Prachtig is het zeker. Ontroerend ook. Met zachte maar zekere stem draagt Hendrickx de zinnen voor. Voor iedereen die ooit verliefd is geweest een herkenbare tekst, over verlaten worden, terugkijken en hoe door te gaan.

    ‘Hoe vond u het?’ vraagt Christine Otten aan Edith Ringnalda, die op de eerste rij zit. ‘Daar moet ik nog even over denken,’ antwoordt zij met Noordse nuchterheid.

    Als afsluiter komt Lamyn Belgaroui nog een keer op het podium. ‘Alle hippe plekken vinden hun thuis in Amsterdam Noord,’ spreekt hij, ‘dat ging van een uitzichtloos eiland dat is afgesloten van de rest van de stad tot een broedplek vol cultuur, theater en feesten. En dat is niet voor niets. Noord was altijd al de bom. Maar nu is het pas geëxplodeerd.’

    En zo is het.

  • 09 oktober 2014

    Nobelprijs voor Modiano

    De Nobelprijs voor de Literatuur 2014 is toegekend aan de Franse schrijver Patrick Modiano.

     

    De Nobelprijs voor de Literatuur 2014 is toegekend aan de Franse schrijver Patrick Modiano (1945), ‘for the art of memory with which he has evoked the most ungraspable human destinies and uncovered the life-world of the occupation’. Modiano schreef rond de 30 romans. Nathalie Doruijter, een medewerkster van uitgeverij Querido, meldt op Twitter dat alle exemplaren van Modiano’s boeken binnen vijf minuten na bekendmaking van zijn winst zijn gereserveerd. De uitgeverij bereidt momenteel herdrukken voor.

    Vorig jaar werd de Nobelprijs gewonnen door de Canadese korteverhalenschrijfster Alice Munro, het jaar daarvoor door de Chinees Mo Yan. Ziehier een overzicht van alle prijswinnaars.

    patrick-modiano-photo-franck-Courtes-pour-lire

  • 03 oktober 2014

    BOEK VAN DE WEEK

    Elke vrijdag geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip om het weekend mee door te komen. Deze week: Iedereen kan schilderen van Emma Curvers (Uitgeverij Atlas Contact).

     

    Een bevriende lezeres om wie ik veel geef moest me dit boek letterlijk een paar keer in mijn gezicht duwen voordat ik het wilde lezen. Niet wéér een verhaal over een bedeesde dorpeling die voor zijn/haar communicatiestudie naar Amsterdam verhuist en telkens terugkeert naar het veilige dorp omdat de stad zo boos is, dacht ik met al mijn vooroordelen. Maar, en u voelt dit aankomen: ik zat ernaast.

    Iedereen kan schilderen speelt zich af in het gezin Kostons. Dochters Iris en Mia wonen sinds kort op kamers en komen alleen thuis als het sociaal van ze verwacht wordt. Hoewel Iris de verteller van het verhaal is, draait het verhaal om vader Kostons, Hans. Vanaf de introductie met Hans weet je als lezer dat er iets bijzonders aan hem is, en hoewel zijn eigenaardigheden in het begin vooral charmant lijken, kom je er snel achter dat Hans Kostons kampt met een boel psychische aandoeningen. Zoals de achterflap al zegt: “Hans Kostons, eigenaar van een succesvol Zuid-Limburgs bedrijf in zelfsluitende ladesystemen, lijdt aan depressies, psychoses, koopziekte, hypochondrie, vernielzucht en suïcidale neigingen. De overige gezinsleden lijden aan Hans.”

    Curvers weet Hans langzaam te ontrafelen, waardoor je als lezer meemaakt wat Iris, Mia en moeder Elsbeth al jaren moeten doorstaan. Het leven onder het terreur van Hans is zwaar, maar Curvers beschrijft hem met zoveel tederheid dat het onmogelijk is hem echt als kwade antagonist te zien. Iedereen kan schilderen is een humoristisch boek met een tenenkrommend realisme en schurende situaties.

    Door: Sanne Pieters

    5327b02a4ab6c9.16173883

    Emma Curvers
    Iedereen kan schilderen
    Uitgeverij Atlas Contact
    €19,99
    207 pagina’s

  • 29 september 2014

    Lovende kritieken voor nieuwe Kundera

    Unaniem jubelende recensies voor de nieuwe Kundera.

     

    We hebben er twaalf jaar op moeten wachten, maar er is een nieuwe (korte) roman van Milan Kundera. Op 12 oktober gaan we dat vieren in De Balie. In de tussentijd beginnen de recensies in de grote kranten te verschijnen en die zijn unaniem positief, om niet te zeggen jubelend. Zowel de Volkskrant als NRC Handelsblad geven Het feest der onbeduidendheid vijf sterren dan wel ballen.

    ‘Een ode aan de ironie in zijn zuiverste vorm. [...] De ogenschijnlijk associatieve verhaallijn is niet echt losjes en de manier waarop Kundera zijn thema’s terug laat komen is ijzersterk en doordacht.’ – NRC Handelsblad

    Zowel de Volkskrant als Trouw noemen dit boek een ‘staalkaart’ van Kundera’s kunnen en opvattingen. De slotsom, zoals geformuleerd in het boek: ‘We moeten de onbeduidendheid niet alleen herkennen, we moeten van haar houden, van haar leren houden [...] de kinderen die lachen… zonder te weten waarom, is dat niet mooi?’

    Kundera Feest der Onbeduidendheid

    Vertaling: Martin de Haan

  • 26 september 2014

    BOEK VAN DE WEEK

    Elke vrijdag geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip om het weekend mee door te komen. Deze week: This is how you lose her van Junot Díaz (Riverhead Hardcover).

     

    Pulitzer Prize-winnaar Junot Díaz komt met een korte verhalenbundel over hoe je haar kwijt raakt.

    Díaz’ vader vertrekt in de jaren zeventig vanuit de Dominicaanse Republiek naar de Verenigde Staten omdat de lonen er hoger en de verwachtingen groter zijn. Na een paar jaar vliegen zijn vrouw en zijn kinderen over, onder hen de jonge Yunior die in 1974 in een achterstandswijk van New Jersey terechtkomt en zijn verhalen begint te vertellen.

    En die verhalen zijn rauw.

    Yunior houdt van vrouwen en van vreemdgaan. Dat lijkt misschien de basis voor een simpel plot, maar Díaz’ verhalen zijn alles behalve dat. Als Yunior vertelt over zijn jeugdliefde Nilda, omschrijft hij vooral hoe zijn thuissituatie is veranderd sinds de leukemiediagnose bij zijn broer. Díaz laat alter ego Yunior vreemdgaan, liefhebben, afstoten, verlaten en lijden. Toch kun je niet anders dan mededogen voelen voor de woedende Yunior. Hij is, ondanks het vreemdgaan en pijn doen, zo vreselijk sympathiek en op zijn eigen manier liefdevol. Als hij over liefje Magda spreekt:

    ‘Magda gets to her feet and walks stiff-legged toward the water.  She’s got a half moon of sand stuck to her butt. A total fucking heartbreak.’

    De stijl in This is how you lose her is onverbiddelijk. Diaz’ interpunctie is te verwaarlozen, hij gebruikt geen aanhalingstekens voor zijn dialogen en mengt Engels en Spaans door elkaar (een manier van taal inzetten waar het wondere woord Spanglish voor wordt gebruikt). O, ja: lezers die geen Spaans lezen, hebben soms gewoon pech. Het imperfecte taalgebruik past perfect bij de imperfecte Yunior. De lezer kan het niet helpen Yunior en Junot als één te zien, als één te horen, als één te lezen. Een boek van de straat over ontzettend veel liefde.

    Door: Sanne Pieters

    Junot Díaz
    This is how you lose her
    Riverhead Hardcover
    €19,95
    192 pagina’s

  • 24 september 2014

    DEBUTANTENSCHRIJFWEDSTRIJD

    Heb jij ergens op een stoffige harde schijf nog een heel oeuvre aan ongepubliceerde verhalen staan? Denk jij dat Nederland toe is aan jouw verhalen? Of hou je gewoon heel erg van schrijven en wil je weten wat een vakjury van jouw verhalen vindt? Doe dan mee aan de Debutantenschrijfwedstrijd!

     

    De debutantenschrijfwedstrijd is bedoeld voor schrijvers, jong of oud, die nog niet officieel met een roman of poëziebundel gedebuteerd zijn. De regels zijn simpel: non-fictie en fictie mogen maximaal uit 1500 woorden bestaan, voor poëzie geldt dat je met maximaal 3 gedichten mee mag doen. Je kunt de teksten tot en met 12 november op deze pagina plaatsen. Hier kun je ook bekijken wat de andere kandidaten hebben ingestuurd.

    De vakjury van de Debutantenschrijfwedstrijd bestaat uit een gemêleerd geheel van verschillende mensen die iets betekenen in de wereld van de literatuur. Wees erop voorbereid dat Arjen Fortuin (Boekenredacteur, NRC Handelsblad), Thomas Verbogt (Schrijver, EDITIO tutor Fictie), Auke Kok (Sportjournalist, EDITIO tutor Non Fictie), Daphne de Heer (Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam) en Niña Weijers (winnares Write Now 2010, debuutroman De Consequenties 2014) je inzending zullen beoordelen.

    En wat kun je daar dan mee winnen? Aan de Debutantenschrijfwedstrijd zijn twee prijzen verbonden: een juryprijs én een publieksprijs. De winnaar van de juryprijs krijgt onder andere manuscriptbegeleiding, publicatie op het NRC Boekenblog en een kaartje voor het Boekenbal. Winnaar van de publieksprijs – er kan op de inzendingspagina gestemd worden – wint een schrijfcursus, publicatie in Het Debuut en een kaartje voor het eerste debutantenbal.

    De Debutantenschrijfwedstrijd is een initiatief van NRC Boeken, EDITIO, CPNB en Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA). De bekendmaking van de winnaars vindt plaats op 7 februari 2015 tijdens het eerste Debutantenbal. Dat bal wordt georganiseerd door EDITIO, CPNB, De Balie en SLAA en zal plaatsvinden in De Balie in Amsterdam.

  • 17 september 2014

    #LEESVROUWEN LEEST JANNAH LOONTJENS

    Vorige week maakte de Leeuwarder Courant bekend dat de #leesvrouwen-leesclub zich over de nieuwe roman Misschien wel niet (Uitgeverij Ambo|Anthos) van Jannah Loontjens gaan buigen.

     

    Uit onderzoek blijkt dat mannen vaker gerecenseerd worden en vaker in de literaire prijzen vallen. De leesclub #leesvrouwen werd opgericht nadat journaliste Kirsten van Santen lezers van de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden in een artikel opriep om daar verandering in te brengen en een jaar lang alleen maar boeken van vrouwelijke auteurs te lezen.

    Vorige week maakte de Leeuwarder Courant bekend dat de #leesvrouwen-leesclub zich over de nieuwe roman Misschien wel niet (Uitgeverij Ambo|Anthos) van Jannah Loontjens gaan buigen.

    Op 1 oktober organiseert de SLAA in samenwerking met Ambos|Anthos een avond omtrent Jannah Loontjens nieuwe roman in de Tolhuistuin. Met o.a. Jannah Loontjens, Hanneke Hendrix en Lynn Berger. Hier kun je er alles over lezen.

    jannah5358d0ea0ac9d7.60283487

    Foto door: Karoly Effenberger

  • 12 september 2014

    Boek van de week

    Is het vals spelen om een bundel te tippen die je zelf nog niet gelezen hebt? Misschien wel.

     

    Elke vrijdag geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip om het weekend mee door te komen. Deze week poëzie: Sounding Ground van Vladimir Lucien (Uitgeverij Peepal Tree Press)

    Is het vals spelen om een bundel te tippen die je zelf nog niet gelezen hebt? Misschien wel.
    Maar na een innemende voordracht tijdens de afgelopen Bijlmer Boekt! kan ik niet anders.

    Er zijn echte podiumbeesten die van middelmatige teksten nog een geweldig optreden kunnen maken. Er zijn dichters die bundel na bundel verkopen, elke week ergens gepubliceerd staan, de mooiste gedichten schrijven, maar die op een podium verdwijnen achter hun teksten. En er zijn dichters zoals Vladimir Lucien.

    De St. Luciaanse dichter is voor het Read My World-festival naar Nederland gekomen en, hoewel er nog veel meer artiesten komen optreden die meer dan de moeite waard zijn, is alleen zijn aanwezigheid al reden genoeg om langs te komen. Luciens diepe, maar rustige stem versterkt zijn ijzersterke poëzie. Hij creëert een perfecte balans tussen persoonlijke ervaringen en algemene beelden. Hij registreert, is objectief, maar blijft dichtbij genoeg om de belangrijke details op te merken. En hoewel ik er nog nooit geweest ben, zorgt Lucien dat ik St. Lucia met al haar inwoners en gebruiken voor me zie.

    Niet vaak zie je een performance van een dichter die zo dicht bij zijn werk staat. Met zinnen als:

    She would return from those funerals in dark clothes alone
    and shaken with a leaflet dropping delicately from her hand,
    shrugging off another relative as she took off her bra,
    shedding her breasts, loosening her heart until the next
    cousin came, trough her, to our house like a guest
    wiping irretrievable earth from their feet

    ontroert Lucien de lezers en het publiek. Hij leeft zijn woorden en daardoor leef je met hem mee. Zo zeer zelfs dat mijn niet-zwangere collega tegen mijn wel-zwangere collega zei: ‘Ik was ook gewoon aan het huilen, hoor. Daar heb je geen hormonen voor nodig.’

    Vladimir Lucien, zondag 14 september om 18:30 op het Read My World festival in de Tolhuistuin. En hij heeft ook een paar bundels mee om te verkopen.

    Door: Sanne Pieters

    sounding-ground-cream

    Vladimir Lucien
    Sounding Ground
    Uitgeverij Peepal Tree Press Ltd.
    € 12,90
    73 pagina’s

  • 10 september 2014

    Typhoon draagt voor tijdens Kampvuur

    Jonathan Sipkema en Brian Esselbrugge maakten deze mooie sfeerimpressie van de Kampvuur-sessie van Rodaan al Galidi en Typhoon.

     

    Jonathan Sipkema en Brian Esselbrugge maakten deze mooie sfeerimpressie van de door SLAA samengebrachte Typhoon en Rodaan Al Galidi. Heb jij Into The Great Wide Open gemist maar wil je toch weten hoe het klinkt als Typhoon zijn taalkundige teksten voordraagt in plaats van rapt? (Geloof ons: dat wil je!) Bekijk dan hier het filmpje.

  • 10 september 2014

    Fotoverslag Kampvuur op ITGWO 2014

     

    In het eerste weekend van september was de SLAA op Into The Great Wide Open. Daar organiseerden we Kampvuur, een programma waarin schrijvers en muzikanten in drie setjes aan elkaar werden gekoppeld om de grenzen en overeenkomsten tussen hun werk te verkennen. De duo’s bestonden uit Emma Curvers en Mattheis, Vrouwkje Tuinman en Anne Caesar van Wieren, Rodaan Al Galidi en Typhoon. Kampvuur is een samenwerking van SLAA, ITGWO, Uitgeverij Atlas-Contact en Excelsior Recordings. De foto’s zijn van Sjoerd Tromp.

  • 06 september 2014

    Afscheid

    Stadsdichter Anna Enquist schreef dit gedicht naar aanleiding van het overlijden van dichter Gerrit Kouwenaar. Het verscheen op 5 september in het Parool.

     

    Afscheid

    Een sterfbed van taal zou je wensen;
    het verstoffelijkt zich waar je bij ligt, waar
    wij bij staan, een waarheid buiten je werk.

    Nu, wij, hier, in de stad waar je woonde, waakte,
    stierf – we staan met de hand op je bundels,
    het gemis van je taal gaan we dragen.

    Maar die zomeravond, uitzicht op blauwe
    bergen en jij met het glas: ‘Viva!’ – dat blijft
    een woordloos ontberen na dit vaarwel.

    - Anna Enquist

  • 04 september 2014

    Gerrit Kouwenaar overleden

     

    Uitgeverij Querido meldt zojuist het overlijden van dichter Gerrit Kouwenaar, volgens velen een van de grootste Nederlandse dichters. Zijn werken werden bekroond met vele prijzen, ook ontving hij meerdere oeuvreprijzen. Kouwenaar werd 91 jaar.

    Trager de wespen, schaarser de dazen
    groenvliegen grijzer, engelen gene, niets
    dat hier hemelt, alles brandt lager

    dit zijn de laatste dagen, men schrijft
    de laatste stilstand van de zomer, de laatste
    vlammen van het jaar, van de jaren

    wat er geweest is is er steeds nog even
    en wat men helder ziet heeft zwarte randen

    men moet zich hier uitschrijven, de tuin
    in de tuin insluiten, het geopende boek
    het einde besparen, men moet zich verzwijgen

    verzwijg hoe de taal langs de lippen invalt
    hoe de grond het gedicht overstelpt, geen mond
    zal spreken wat hier overwintert – 

    (Gerrit Kouwenaar: ‘de laatste dagen van de zomer’, Uitgeverij Querido)

  • 03 september 2014

    Een discussie over de staat van de roman

    Er heeft zich in verschillende media een discussie ontsponnen over de staat van de Nederlandse literatuur. Lees hieronder een samenvatting van het verloop ervan en vorm je eigen mening.

     

    De Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs voor het beste literaire debuut gaat dit jaar naar Sander Kollaard. De jury is enthousiast over zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, maar haalt ook stevig uit naar het gros van de debutanten en hun uitgevers, zo schrijft men op Dutch HeightsDe Van der Hoogt-prijs 2014 kende een groot aantal inzendingen, maar de kwaliteit van veel prozadebuten rechtvaardigde volgens de jury nauwelijks een uitgave in boekvorm. ‘Het betreft meestal autobiografische anekdotiek, die zonder veel literaire stilering de wereld in is gezonden. Originaliteit in de vormgeving is ver te zoeken en het experiment is zelfs morsdood. Het gebruik van de genre-aanduiding “roman” lijkt vooral commerciële doeleinden te dienen. Het is al te makkelijk alleen geldbeluste uitgevers verantwoordelijk te stellen voor deze situatie, al zouden zij scherper mogen selecteren en meer zorg kunnen besteden aan de tekstredactie. Ook de debuterende auteurs gaan niet vrijuit. Zij zouden minder snel tevreden kunnen zijn over hun werk en zich hoeden voor premature publicatie ervan.’

    Het jury-oordeel lijkt aan te sluiten bij een wijder verspreide mening over de staat van de nieuwe Nederlandse literatuur. Abdelkader Benali haalde dit voorjaar op Facebook nog uit naar ‘de’ jonge Nederlandse schrijvers: ‘Iedereen is hoogopgeleid, iedereen heeft ouders met “gekke” trauma’s, iedereen is een drop-out van het Montessori Lyceum, iedereen is neurotisch op het debiele af, iedereen is de hele dag aan het filosoferen over de ideale bereiding van een cappuccino, iedereen woont in Amsterdam, iedereen is ongelukkig, iedereen heeft geld, iedereen droomt van armoede, iedereen twijfelt aan zichzelf, iedereen heeft seks, iedereen zoekt liefde, iedereen heeft briljante a-logische redeneringen, iedereen is licht duizeling door alle verwendheid die men heeft ervaren, niemand slaapt thuis, maar ergens anders op locaties die een normaal mens nooit zou kunnen betalen. Iedereen is wezenloos middelmatig en niemand heeft een leven.’ Benali’s tirade werd echter niet onderbouwd met voorbeelden.

    Anderhalve week geleden sloot Nelleke Noordervliet zich in De Groene Amsterdammer aan bij Benali, en gaf daarbij een verklaring voor de vermeende tanende kwaliteit van de hedendaagse literatuur. ‘Er zijn geen grote lezers meer, en dus verdwijnen de grote schrijvers. Literaire essays zijn vervangen door blogs. De definitieve proletarisering van de smaak.’ De literatuur zou een verwaarloosbaar onderdeel zijn geworden van de vermaakindustrie: ‘nu krijgen doordachte en goed geschreven romans cynisch een plaats toegewezen in een niche voor ongevaarlijke dwazen.’

    Deze week plaatste Carel Peeters in Vrij Nederland een felle tegenreactie op dergelijk ‘literair defaitisme’. Hoewel Peeters de ‘pompeuze’ term ‘grote lezer’ liever niet bezigt, benoemt hij er toch een tweetal van: James Wood van The New Yorker en Daniel Mendelsohn van de New York Review of Books. Voor wat betreft de grote schrijvers noemt en roemt hij Stefan Hertmans, Oek de Jong, Tom Lanoye, Niña Weijers, Merijn de Boer en Jamal Ouariachi.

    Wat Peeters betreft gaan Noordervliet en co. er in hun defaitisme vanuit dat de literatuur er cultureel en maatschappelijk ooit betekenisvol ‘toe gedaan heeft’. Echter, meent Peeters, ‘dat is nooit zo geweest. Literatuur was altijd iets bijzonders, ook al was het voor wie er mee leefde heel gewoon. Wie er een zintuig voor had wilde er onderdeel van zijn, wetend wat er te halen viel. Literatuur is altijd iets voor goede verstaanders geweest, een jongensclub waar ook meisjes lid van waren. En zo is het nog steeds.’ Gegeven het legio aan verleidingen dat de hedendaagse lezer moet weerstaan – ‘televisieseries, films, muziek, documentaires, talk shows, games, radio, Facebook, e-mail en de giganteske wereld van internet’ – acht Peeters het ’bewonderenswaardig hoe de literatuur toch stand houdt en voor een groot deel doet alsof het leven gewoon doorgaat. [...] Dat het met de geletterdheid van Nederland ondertussen achteruit gaat valt niet te ontkennen, maar dat ligt niet aan de literatuur. Het zijn de “omstandigheden”, de eerder genoemde helse verleidingen.’

  • 29 augustus 2014

    Boek van de week

    De atlas van afgelegen eilanden. Vijftig eilanden waar ik nooit ben geweest en ook nooit zal komen van Judith Schalansky.

     

    Elke vrijdag geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip om het weekend mee door te komen. Deze week: De atlas van afgelegen eilanden. Vijftig eilanden waar ik nooit ben geweest en ook nooit zal komen van Judith Schalansky (Uitgeverij Signatuur).

    Eilanden, zeker de meer afgelegen exemplaren, hebben de neiging tot de verbeelding te spreken. Judith Schalansky maakt optimaal gebruik van dit gegeven in haar prachtig vormgegeven boek De atlas van afgelegen eilanden. Vijftig eilanden waar ik nooit ben geweest en ook nooit zal komen. Hoewel het boek door de uitgeverij wordt gepresenteerd als roman, is het eigenlijk een bundeling van zkv’s voorafgegaan door een essayistische uiteenzetting over wat het afgelegen eiland zo aanlokkelijk maakt voor schrijvers, lezers en andere ontdekkingsreizigers. Terwijl de absurditeit van de werkelijkheid vervaagt in de relativerende uitgestrektheid van de grote landmassa’s, komt ze op eilanden heel duidelijk naar voren, zo redeneert Schalansky: ‘Een eiland is een theatrale ruimte: alles wat hier gebeurt, wordt bijna vanzelf gecomprimeerd tot verhalen, tot kamerspelen in het niets, tot literaire stof. Kenmerkend voor deze vertellingen is dat de waarheid en verdichtsel niet meer uiteen te houden zijn, dat realiteit gefictionaliseerd en fictie gerealiseerd wordt … Het eiland schijnt een oord te zijn dat tegelijk werkelijkheid en zijn eigen metafoor is.’

    Met deze visie in gedachten zijn de verhalen die volgen des te fascinerender om te lezen. Nooit is duidelijk op welk punt van het spectrum tussen feit en fictie de vertellingen zich bevinden. Bij naslag blijkt dat sommige van de meest bizarre verhalen vrijwel volledig op waarheid berusten en dat enkele van de meer geloofwaardige fragmenten grotendeels verzonnen zijn. Zo is er een eiland waar tweederde van de nieuwgeborenen op hun achtste levensdag op mysterieuze wijze sterft (Saint Kilda); wordt beschreven hoe Napoleon Bonaparte op een eilandje op 1.850 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde vasteland stierf (Sint Helena); en wordt verhaald van het eiland Tromelin, een zandbank van 800 vierkante meter waar 60 slaven na een schipbreuk bijna 16 jaar lang wachten op redding. Acht van hen redden het.

    Het is goed te zien dat er in deze tijden nog uitgevers zijn die het aandurven een zo prachtig opgemaakt boek te publiceren, iets wat relatief kostbaar is en daarmee de verkoopprijs ook direct opjaagt. Echter, de uitstekende esthetische verzorging als wel de inhoudelijke kwaliteit van dit boek maken dat de 40 euro die je ervoor betaalt zich meer dan uitbetalen. Dit is een boek waar je uren en uren in kunt blijven bladeren, en ongeacht op welke pagina je het openslaat, je vindt altijd het begin van een wonderlijk verhaal.

    Door: Esther Kuijper

    16718_Schalansky - De atlas

    Judith Schalansky
    De atlas van afgelegen eilanden. Vijftig eilanden waar ik nooit ben geweest en ook nooit zal komen
    Uitgeverij Signatuur
    Vertaler: Goverdien Hauth-Grubben
    € 39,95
    144 pagina’s

  • 26 augustus 2014

    Terug van weggeweest

    Benieuwd naar wat je komend boekenseizoen te wachten staat? Lees verder voor de highlights.

     

    De SLAA is terug van weggeweest! Na een uiterst verkwikkende vakantie en een paar goede stapels boeken zitten we vol energie en ideeën voor een prachtig nieuw seizoen. Benieuwd naar wat je te wachten staat? Lees verder voor de highlights.

    Ook bij de SLAA pakken we graag de festivals mee. Als je dit jaar op Into The Great Wide Open bent kan je ons op zaterdag 6 september om 15 uur vinden op het Bospodium, samen met o.a. Typhoon, Vrouwkje Tuinman en Emma Curvers.

    Op woensdag 10 september vindt een speciale Read My World-editie van Bijlmer Boekt! plaats, met onder meer de Saint Luciaanse schrijver en dichter Vladimir Lucien. Gedurende het weekend daarna, van 12 tot en met 14 september, houdt het Read My World Festival zelf huis in de Tolhuistuin. Wij zijn in hun programmering ruim vertegenwoordigd, met onder meer een speciale aflevering van West Words. Kijk voor alle programma’s op hun site.

    De eerste week van oktober is boekpresentatieweek. Op 1 oktober is er een programma rond de nieuwe Jannah Loontjens, Misschien wel niet, terwijl we op 2 oktober een veelbelovende debutant van Uitgeverij Cossee presenteren.

    Ook staat er een nieuwe Noorderwoord in de steigers. De line-up spreekt voor zich: Monic Hendrickx, Marja Pruis, Rayen Panday, Timen Jan Veenstra en Lamyn Belgaroui.

    Uiteraard gaat er nog veel meer moois gebeuren dit najaar, dus zorg dat je onze site, Facebook en Twitter goed in de gaten houdt. Ook hebben we een hele leuke nieuwsbrief. En mocht je nu al weten onverzadigbaar te zijn op literair gebied, steun ons dan in ruil voor een fijne kortingspas.

    Op naar een fantastisch boekenseizoen! Tot binnenkort!

  • 12 augustus 2014

    Joyce Bloem (3)

     

    4 juli fietsten twee groepen literatuurliefhebbers door Amsterdam-Noord. We vertrokken van Ot en Sien en eindigden bij Noorderlicht. Op vier locaties stonden schrijvers: Asis Aynan, Renée van Marissing, Thomas Verbogt en Thomas van Aalten lazen allen een verhaal voor over Joyce Bloem, een jonge vrouw met een wat ongelukkig leven die doelloos door Noord zwierf, meer informatie hadden de schrijvers niet gekregen. Vier slices of life uit het leven van één vrouw. Hier het derde verhaal, van Thomas van Aalten.

     

    ‘Ik heb het niet zo op reünies,’ zei ik tegen Joyce.
    Ik zei dat ik er over na zou denken en dat ze me wel zou zien als ik me er overheen kon zetten. We spraken niets af, ik kon niets beloven.

    *

    Ik legde mijn telefoon neer en keek naar buiten. Het verkeer op het noordelijke gedeelte van de ring A10 stond helemaal vast. Eerst was er natte sneeuw. Die ging over in droge sneeuw. Ik had het al de hele ochtend in de gaten gehouden. Af en toe liep ik naar het raam en duwde de kunststof stroken van de luxaflex naar beneden. Ik liet mijn manager weten dat ik thuis zou werken.
    Dat had niet per se met de weersomstandigheden te maken.
    Gek om Joyce’ stem na al die jaren terug te horen. Dat was minstens vijftien jaar geleden. Eén keer heb ik haar nog gezien. Ze was met haar moeder aan het winkelen op het Buikslotermeerplein. Ze zwaaide vrolijk en opzichtig. In niets herinnerde de montere blik en de wuivende hand aan de situaties die we samen hadden meegemaakt.

    *

    Ik werk nu drie jaar voor het verzekeringsbedrijf. Ik neem schade op van auto’s. Van kleine krasjes in het koetswerk die door de fietsjes van buurtkinderen van een egomane bankier zijn veroorzaakt, tot wrakken met leeggelopen airbags, gerafelde gordels en bloedsporen op de versnellingspook. Nooit had ik als tiener kunnen voorspellen dat ik in deze branche terecht zou komen. Ik denk dat Joyce me uitgelachen zou hebben.

    Ik voelde geen behoefte om me weer onder te dompelen in herinneringen en vals sentiment. Joyce zien was tot daaraan toe, maar al die oud-klasgenoten die ik niets te vertellen had. Jongens die ongetwijfeld allemaal dikke en kale mannen waren geworden. De meisjes van toen, nu breedheupige deeltijdwerkers met kort rood haar.
    Maar het belangrijkste: ik had geen zin om mijn verhaal uit de doeken te doen. Ik was een schade-expert, gescheiden, vader van een zoon van acht. Woonachtig in een flat langs de snelweg. Meer was er niet. De angst dat één van mijn oud-klasgenoten zou beginnen over de ster in zijn ruiten, veroorzaakt door een cementwagen. Of iemand die probeerde zijn verzekering op te lichten en bij mij checkte wat hij moest doen om optimaal zijn geld eruit te krijgen.

    *

    Het schooljaar was in september begonnen. Ik had bij Joyce in de eerste twee brugklassen gezeten. Zij ging naar het vwo, ik naar de havo. Ik had altijd een zwak voor haar gehad tijdens de eerste twee schooljaren. Van relatief braaf hockeymeisje met beugel en een Burberry-vest had ze zich in 4 vwo ontpopt tot een stoere dame met stijlvolle zwarte jurkjes, trendy hakschoenen, donkerrood geverfd haar en rode lippenstift. Ook Joyce had duidelijk bewust gekozen voor haar positie als dropout, einzelgänger. Ze wilde nergens bij horen, koos duidelijk haar eigen stijl.
    Joyce volgde toneellessen op vrijdagmiddag en liep gewichtig met toneelscripts door de gangen. Met kerst was er een toneelopvoering: tranentrekkend slecht met witgeschminkte scholieren in mantels die de tragedie van Elektra pretendeerden te brengen. Ik vond het vreselijk saai en pathetisch, maar de tot wasdom verworden Joyce had diepe indruk gemaakt.
    Ik voelde me tot Joyce en Lucas aangetrokken, juist vanwege die eigenzinnigheid die ik zelf ontbeerde. Ik was wel nieuwsgierig naar dat grillige, dat anders zijn. Ik ontweek haar in eerste instantie. Tot ze mijn naam riep. Ze vroeg of ik zin had om mee te gaan naar de stad.
    ‘De stad? Volgens mij hebben wij gym.’
    ‘Precies. Gym. Een tussenuur dus.’
    Voor het eerst in mijn leven spijbelde ik. Dat het tot vier havo heeft moeten duren, is misschien een beetje triest. Alsof je op je dertigste begint met roken. Ik voelde hoe makkelijk het eigenlijk ging. Al die jaren had ik het niet gedurfd, was ik bang geweest dat men me zou betrappen. Alsof de conciërge je in de gaten zou houden. Daar gaat Simon uit vier havo. Eigenlijk heeft hij gym. Daar kwam bij dat spijbelen of mij verslapen me überhaupt niet trok, los van de gevolgen. Het paste niet bij me.
    Zoals dat op een middelbare school gaat, spreek je oude klasgenoten amper. Je ziet ze in de loop van de jaren muteren. Je accepteert dat ze niet meer in je directe sociale omgeving opereren, al was je in de brugklas nog op hun verjaardagen geweest en herinner je je de stupide, kinderlijke cadeaus uit die tijd. Dat ging van bouwpakketten voor jongens tot videobanden van een jeugdserie voor meisjes. Ineens hebben dat soort jongens grote voeten, puisten en bassende stemmen. Zie je plots tabaksrook uit hun beugelbek opstijgen. Is hun crossfiets vervangen door een scooter. De meisjes hebben borsten, oorbellen, make-up, en zijn qua ontwikkeling een paar lichtjaren verder dan de andere sekse – en soms denken ze dat alleen maar.
    Gedurende het hele jaar in 3 havo had ik Joyce niet gesproken. De eerste twee jaren in de brugklas waren we nog close, maar het verschil in niveau had kennelijk een wig gedreven tussen onze sociale contacten. We vonden het allebei prima. Tijdens schoolfeesten zagen we elkaar en groetten we elkaar nog, maar we hadden geen woord meer gewisseld.
    En die donderdagmiddag was de inleiding tot een nieuw tijdperk.
    Joyce was niet alleen in haar kledingkeuze een heuse jonge vrouw geworden. Haar lichaam was in die twaalf maanden als een kleurrijk gewas tot bloei gekomen. Alle vormen in ideale staat.
    Ikzelf liep wat achter. Mijn lichaam was nog knokig, slungelig. Er zat al wat haar op mijn zak, maar ik wist niet zo goed wat ik met mijn pik aan moest. Ik schrok me dood toen ik in 3 havo mijn eerste zaadlozing had (eigenlijk trok ik me toen pas voor het eerst af). Ik haatte mezelf als ik aan de meisjes uit mijn klas dacht terwijl ik de hand aan mijzelf sloeg. Niet dat ik vermoedde dat Joyce al volledig vertrouwd was met haar lichaam, maar ze straalde in elk geval vrouwelijkheid uit.
    Ik was nog echt een knulletje. Ik droeg Amerikaanse college-truien, tennisshirts en stone wash denims. Gelukkig had ik de stekels al twee jaar afgezworen (tot verdriet van mijn moeder) en liet ik mijn asblonde haar wat langer groeien (tot nog meer verdriet van mijn moeder).

    Het begon te sneeuwen.
    Joyce vertelde me dat ze die avond uit ging.
    ‘Vanavond? Morgen hebben we drie laatste lessen voor de proefwerkweek maandag begint.’
    ‘Lucas vertelde dat dat pas vanaf twee uur is.’
    ‘Daarvoor hebben we een bezoek aan dat museum.’
    ‘Hoe laat moeten jullie daar zijn?’
    ‘Negen uur.’
    ‘Als je vanavond om één uur thuiskomt, heb je nog minstens zeven uur om te slapen. Kan toch?’
    ‘Laat ik me dat mijn ouders eens uitleggen.’
    ‘Moet je dat uitleggen?’
    ‘Jij niet dan?’
    Ze haalde haar schouders op. ‘Ze zijn zelf jong geweest. Ze zijn heel erg beschermd opgevoed, mochten bijna niks. Ze zijn blij dat ze mij vrijer kunnen opvoeden.’
    Ik wist dat dat ‘vrijer’ vooral te maken had met de drukke banen van haar ouders. Ze konden het gewoon nauwelijks bijbenen en vonden het al lang makkelijk dat hun dochter een beetje haar eigen gang ging.
    ‘Nou ja, later dan.’
    Ze liep het fietsenhok uit, richting schoolplein.

    *

    ‘s Avonds spraken mijn ouders over de coniferen van de buren. Of die nu wel of niet te hoog werden. Mijn gedachten dwaalden af naar Joyce. Haar eigenwijze pedante toon waarop ze woorden uitsprak. Woorden waar ik me aan ergerde, maar die me ook nieuwsgierig maakten.
    Ik sneed mijn gehaktbal in tweeën en keek naar de mezen in de achtertuin die zich op de pindanetjes in de perenboom stortte. De boom stond precies in de lichtbundel van een potsierlijke lamp die mijn vader de zomer ervoor bij het tuincentrum gehaald had. De sierlijke witte lamp pretendeerde authentiek te zijn, als uit een verhaal van Charles Dickens. Maar hij was van kunststof en kostte tien gulden vijfennegentig.
    ‘Hoe gaat het met leren?’ Mijn moeder vroeg het uit routine, omdat ze wist dat ik toch wel al mijn proefwerken zou halen. Ik antwoordde dat het goed ging.
    Dat ik naar de havo was gegaan, had me twee jaar daarvoor gefrustreerd. Het kwam vooral door mijn mentor Sjors Verberne, die lul van een natuurkundeleraar met die snor. Hij vond dat ik beter ‘op mijn eigen tempo’ de school kon doorlopen. ‘Dan kun je daarna nog altijd vwo doen.’ Maar ik zag niet voor me hoe ik nog eens twee jaar op het Atlantis zou doorbrengen. Toch besloten mijn ouders voor de veilige weg te kiezen.
    Mijn vader lepelde de aardappelpuree naar binnen. ‘Het gaat al met al best goed op school hè.’
    Na afloop kwamen er pakken vanille- en hopjesvla op tafel. Het verontrustende daaraan was dat ze die traditie ooit hadden ingezet om mij als kind te plezieren, maar dat ze ermee door gingen terwijl ik allang die vla niet meer at.
    Mijn vader deed eerst een laagje vanillevla in het bakje, dan een laagje hopjesvla, dan weer vanillevla en ten slotte vruchtenhagel. Dan haalde hij de avondkrant uit de bus en liep een rondje met Tina om haar uit te laten op het grasveld achter ons huis. Als hij dan terugkwam, was de vruchtenhagel week geworden en één geworden met de vla. Dan zoog en slurpte hij alles naar binnen terwijl mijn moeder en ik de tafel opruimden.
    Mijn vader deed nooit wat in het huishouden. Hij was een onbeholpen stuntelaar in de keuken of het washok, maar voerde wel in en om het huis reparaties uit, en had een knutselschuur met golfplaten dak waar het altijd naar teer en zaagsel rook. Keurig was zijn gereedschap opgeborgen in speciale foedralen. Hij had een engelengeduld als het om klussen ging. Hij kon gerust uren bezig zijn met het afvijlen van een plastic buis of het dichten van een gat in een polyester tentdoek. Het resultaat was altijd perfect.
    Het lievelingsprogramma van mijn ouders was Te land, Ter Zee en In de Lucht. Mijn vader zat dan in zijn leren stoel en gniffelde om al die malloten die zich op een eenwieler met een rotvaart op weg naar een bel van een balk in het koude water donderde. Ook keken ze graag naar De Stoel met Rik Felderhof. Kleurrijke types die in een nagebouwd 17e eeuws kasteel woonde, of dubieuze clowns met een uitheemse beenderenverzameling. Vol verbijstering namen mijn ouders kennis van het andere soort, het soort mensen dat niet was zoals zij, normale mensen.
    ‘Hoe denken jullie over uitgaan?’ vroeg ik voorzichtig aan mijn moeder, terwijl mijn vader Tina uitliet.
    ‘Uitgaan?’
    ‘Ja.’
    ‘Je vader en ik gingen vroeger weleens naar een dancing.’
    ‘Dat bedoel ik dus niet. Wat zouden jullie ervan vinden als ik uitging?’
    ‘Disco’s enzo?’
    ‘Nou ja, een discotheek niet echt, nee. Gewoon, een café.’
    ‘Wat moet je daar doen dan?’
    ‘Mensen ontmoeten. Vrienden enzo.’
    ‘Die zie je toch al op school?’
    ‘Ik ben zestien. Het is 1992. De meeste leeftijdsgenoten gaan gewoon uit. Ouders hebben daar normaal gesproken geen enkel probleem mee.’
    Mijn moeder keek wat ontheemd.
    ‘Daar zal ik het eens met je vader over hebben.’ Ze zette de schaal van de gehaktballen in de vaatwasser.
    Mijn vader kwam binnen en stortte zich op zijn vlaflip. Ik vertrok naar boven. ‘Huiswerk maken,’ zei ik.
    Mijn ouders zetten de televisie aan.

    *

    In mijn kamer ging ik op mijn bed liggen, mijn handen onder mijn achterhoofd. Ik keek naar de schrootjes van het zolderdak en telde ze. Ik had ze al die jaren al talloze malen geteld, maar toch bleef ik het doen. Vijftien op een rij, dan onderbroken door een balk, dan weer vijftien, dan een kunststof buis van de elektriciteitstoevoer van de lamp aan het plafond, dan nog vijf schroten.
    Er hing een poster van een tennisser met een snor. De man keek alsof hij moest kakken. Ik had de poster ooit gekregen omdat het bedrijf waar mijn vader voor werkte sponsor was geweest van een tennistoernooi in 1987.
    Ik kwam overeind. Ik had nagenoeg dezelfde kamer als toen ik twaalf was. Ik stond op en haalde de poster van de schrootjes. Het plakband liet makkelijk los, alsof de poster er anders wel een paar dagen later vanaf zou vallen.
    Ik zette de knop van mijn verwarming voluit en luisterde naar het tikken van de buizen. De temperatuur in mijn kamer steeg. Ik trok mijn sokken uit en duwde mijn koude voeten tegen de hete banen van de verwarming. De radio in de vensterbank stond zachtjes op Radio 1, een sportverslag.
    Van mijn veertiende tot mijn zestiende bracht ik de avonden na het eten vaak zo door. Ik ging op mijn bed liggen en doezelde weg op de klanken van Langs de Lijn.
    Tegen tienen schrok ik op van andere tikjes dan die van de verwarmingsbuizen. Het waren korte, harde tikjes tegen mijn raam. Het geluid dat ik herinnerde van toen mijn ouders zich per ongeluk hadden buitengesloten na een avond uit. Toen gooiden ze kiezelsteentjes van de oprit tegen mijn raam. Ik schoof het gordijn opzij en keek naar beneden.
    Daar stond ze, Joyce Bloem. Ze stond in het licht van de lantaarns en zwaaide naar me. Ik zag een rood oplichtend puntje van haar sigaret. Ik opende het raam. Het sneeuwde.
    ‘Simon,’ fluisterden ze.
    ‘Wat?’ fluisterde ik terug.
    ‘Kom!’ Ze wenkte me.
    ‘Wat? Nu?’
    ‘Kom naar beneden, de wereld wacht.’ Het klonk grotesk en bombastisch.
    Ik wist dat mijn ouders nog beneden waren. Ik hoorde de televisie door het huis galmen. ‘Wat dachten je zelf? Dat ik naar beneden kwam via de regenpijp of zo?’ zei ik verontwaardigd.
    ‘Goed idee, kom via de regenpijp.’
    En daar, in een schimmige nis van het winkelcentrum, tongzoende ik voor het eerst met een meisje. En dat meisje was Joyce Bloem.

    Ik belde haar deze ochtend toch maar terug. Ze bood aan dat ik desnoods bij haar kon logeren vanwege het slechte weer. ‘Ga niet met de auto. Je komt vast te staan. De hele A2 en A12 zijn de komende week amper begaanbaar. Neem overmorgen de trein van tien voor half zes, ik kom je ophalen van het station.’ Dezelfde gretigheid als toen om mij naar zich toe te trekken, op het hysterische af. Ik had gegoogled op haar naam, maar kwam geen recente foto tegen. Ik zei nog zo dat ik het niet had op reünies. En al helemaal niet van mijn middelbare school. Nu had ik er toch mee ingestemd, uit nieuwsgierigheid.

    Joyce? Ze werkte nu in een laboratorium als chemisch analist. Ik kon geen beeld vormen van zo’n omschrijving, maar ik vermoedde dat ze een witte jas en een beschermende bril droeg en dagelijks data in een computer invoerde en analyseerde. Groter kon het contrast niet zijn met Joyce uit 1993. Van de glinstering en de bravoure was geen sprake meer; ze had een slepend been na een blessure op de squashbaan. Haar slapen waren grijs, de schoenen praktisch, de adem licht bedorven. Ze was getrouwd met een registeraccountant van Deloitte.
    ‘Weet je nog, dat je mij het natuurverschijnsel Noorderlicht uitlegde,’ vroeg ze na de slok uit het kopje met het logo van onze middelbare school. Ik heb de Latijnse naam onthouden: Aurora Norealis,’ zei ze hoopvol.
    ‘Borealis,’ verbeterde ik haar, en wilde eigenlijk hard wegrennen nadat ik me had voorgesteld dat ik haar nog één keer moest tongzoenen.

  • 04 augustus 2014

    Joyce Bloem (2)

     

    4 juli fietsten twee groepen literatuurliefhebbers door Amsterdam-Noord. We vertrokken van Ot en Sien en eindigden bij Noorderlicht. Op vier locaties stonden schrijvers: Asis Aynan, Renée van Marissing, Thomas Verbogt en Thomas van Aalten lazen allen een verhaal voor over Joyce Bloem, een jonge vrouw met een wat ongelukkig leven die doelloos door Noord zwierf, meer informatie hadden de schrijvers niet gekregen. Vier slices of life uit het leven van één vrouw. Hier het tweede verhaal, van Renée van Marissing: Joyce Bloem.

     

    Onderweg maar tijdelijk gestrand. Een deur die open staat is een uitnodiging en het is onbeleefd een uitnodiging af te slaan, nietwaar? Vandaar.

    Met een glas in de hand, is een mens nooit alleen. Ik ben er niet een die tegen objecten of vloeistoffen praat, maar vooruit, vanavond heb ik een opportunistisch geloof.

    Hoe nu verder? Pek. Pek. Van der Pek. Soms neem ik zijstraten, de overkant, omwegen om de sleur tegen te gaan, maar elke keer een andere gedachte, een andere melodie, net nog obladi, oblada in mijn hoofd, dus altijd anders. Op blije dagen ga ik sneller, net als op regenachtige dagen. Als de zon schijnt, wil ik nog wel eens stilstaan, een kleine minuut, mijn smoelwerk in het warme licht.
    ‘Kom even bij ons in de tuin zitten,’ zei mijn oma vroeger tegen me, als ik bij haar op de bank door oude kinderboeken zat te bladeren. ‘Dan krijg je een kleurtje.’ Ze woonden hier vlakbij, mijn opa en oma, in de bloemen buurt. Ik at vaak bij ze. Liep vanuit school naar hun huis, drie keer de hoek om, rechts, links, rechts. En ‘s avonds, na het bakje vla met een klodder aardbeienjam, liep mijn opa met mij mee naar mijn eigen huis, aan de andere kant van het park. Als hij me ergens op wilde wijzen, een vogelnest in een boom, een konijn in het gras bij de bomenrand, een struik in bloei of twee zwanen in de vijver, stond hij stil, legde zijn ene hand op mijn hoofd en wees me met zijn andere de richting die ik op moest kijken. Hij zei niks, hij wilde dat ik het zelf zou ontdekken, hij gaf slechts een hint. Soms liepen we langs het kanaal.
    Ik hou van het park, van het grind dat knarst en beweegt onder mijn voeten, de aarde en het gras, het water.
    Ik hou niet van de straat. Steen, hard, zonder beweging. De straat is de een doorgang, verondersteld dat ik een doel heb. Niet teveel nadruk op leggen. De straat zal zich aanpassen aan het park, aan de vijver. De straat zal doen alsof ze beweegt, golft, niet alleen in de bochten. Zij zal het ritme aangeven, als een drummer of bassist en ik jubel er melodieus overheen met saxofoon of lead-guitar.
    Als ik zeg ‘Jump!’, zal zij vragen: ‘How high?’

    Nee, Joyce, zo werkt het niet. Jouw tekst is ‘How high?’. Uiteindelijk blijf jij degene die zich aanpast, iedereen, iedereen heeft het gevoel dat hij of zij diegene is die zich altijd aanpast, omdat dat is wat de wereld van ons verlangt. Aanpassen, opgaan in.
    Ik wil opgaan in het water, drijven in het IJ. Voorbij de stad, voorbij de drukte en de lichten en het geluid, getoeter en geouwehoer, en voorbij het verticale voortbewegen.
    Ik wil een eiland zijn.
    Als ik het voor het zeggen had, maar ja.

    De straat is zo waar, zo fantasieloos. Wie zich op straat waagt, is altijd ergens, op een plek. Terwijl, als je in het water ligt, dan denk je toch dat je door God en alles verlaten bent. Nergens. Dat heb ik zelfs als ik in bad lig en mijn hoofd onder water houd.
    Een straat geeft duiding. U bevindt zich hier. Op straat moet je zelf je richting bepalen, het water, dat draagt je. Beslissingsloos word je ervan. Niks links of rechts, alleen maar met de stroom mee.
    Van God en alles verlaten, in de steek gelaten, was het maar zo makkelijk. Liet iedereen mij maar in de steek. Maar om een beetje rust te krijgen ben ik degene die in de steek moet laten. Niet de tuin in, niet de straat op. Het water in.

    Ik lig op mijn rug, mijn ogen dicht, en zorg dat mijn oren onder water zijn en dicht ploppen. Een heerlijke ruis. Ik lig in een schelp, ik haal zuurstof uit het water, ik lig hier goed, alleen, maar mocht er iemand aankloppen, zou ik de deur op een kier kunnen zetten en een stukje opschuiven. Ik zie een geliefde en ik hoor een lied dat me moed geeft. De moed uit bad te stappen en mijn stugge handdoek om mijn knokige lijf te slaan.

    Drijven in het IJ. Als ik te dicht bij de kant kom, zal ik mijzelf afduwen, richting het midden, en al watertrappelend zal ik een draaikolk forceren.

    Ik zal afdwalen richting het westen, om me heen kijken en met een half gespeelde verwondering, want ik houd mijzelf graag een beetje voor de gek, zal ik zeggen: ‘Hé, de Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij.’
    Mijn opa werkte op de werf. Mijn oma ook, in de kantine. Zal ik vanavond niet binnen op de bank blijven zitten, niet ronddobberen?
    Zal ik langs het terrein drijven, tegen de golven van de pont in zwemmen om te voorkomen dat ik tegen de wal gesmakt zal worden?
    Ik zal daar aan land klimmen, klauteren, wat onkruid vastgrijpen, een steigerpaal of een touw dat aan een bolder vastgemaakt is en in het water hangt, en me omhoogtrekken, uit het water, het land op. En als een hond zal ik de druppels van mij afschudden en dat zal dan dat zijn. Ik zal zoveel mogelijk de straat, het asfalt, de stenen ontwijken, en lopen over het gras, de aarde die modder zal worden als ik te lang op één plaats blijf staan en de druppels uit mijn kleren en schoenen zich mengen met de grond. Mijn natte haren zal ik met een nonchalant gebaar naar achteren duwen. Ik zal mijn neus snuiten in mijn hand, die ik afveeg aan mijn broekspijp, ik zal diep ademhalen en op de vraag ‘hoe nu verder’, zal mijn antwoord zijn: vooruit dan maar.

    Daar ga je, Joyce. Je glas is leeg. Loop de deur uit. De straat op. De wereld in. Kopje onder.

    Dit verhaal werd op 4 juli 2014 door Renée van Marissing voorgelezen in de Soepboer tijdens de Literaire pubcrawl: De nacht van Bloem, i.s.m. Boekhandel Over ‘t Water en het Over het IJ festival.

  • 28 juli 2014

    Joyce Bloem (1): Opluchting

     

    4 juli fietsten twee groepen literatuurliefhebbers door Noord. We trokken van Ot en Sien tot aan Noorderlicht. Op vier locaties stonden schrijvers: Asis Aynan, Renée van Marissing, Thomas Verbogt en Thomas van Aalten lazen allen een verhaal voor over Joyce Bloem, een jonge vrouw met een wat ongelukkig leven, meer wisten de schrijvers niet. Vier slices of life uit het leven van één vrouw. Hier het eerste verhaal: Opluchting van Thomas Verbogt.

     

    Het is net alsof een cirkel rond is, dacht Joyce Bloem toen ze door Noord fietste. En daar houdt ze van, van cirkels die rond zijn.
    Hier is ze geboren, hier groeide ze op, hier vertrok ze naar een ander leven en nu in de zomer van 2014 keert ze er terug.
    Vanochtend wist ze dat nog niet, maar soms zijn het kleine aanleidingen die grote besluiten veroorzaken.
    Ze werd uit zichzelf wakker, in haar kleine etage in De Jordaan, en werd niet gewekt door de wekker terwijl ze die gisteren gekocht had. Die was dus nu al kapot. Dat irriteerde haar.
    Ze was wakker geworden van de zon die in haar slaapkamer scheen en het was niet dat lekkere tintelende zonlicht waarvan je meteen een goed humeur krijgt. Nee, het was van dat zware licht dat een te warme dag aankondigt, zo’n klamme dag waarop alles veel te zichtbaar is.
    Als kind wilde ze op dit soort dagen nooit naar buiten, maar ze was geen kind meer en ging met haar nieuwe wekker terug naar het warenhuis, naar de klantenservice.
    Achter de balie zat een grote vrouw met Bassie-haar. Het was goed aan die vrouw te zien dat ze geen zin in de dag had, geen zin in het leven en ook geen zin in Joyce. Dat was dus heel veel geen zin.
    Het was dus onduidelijk wie wie bij deze klantenservice service moest verlenen.
    Joyce dacht: ik moet ergens over beginnen, want zij doet dat vast niet.
    Daarom zei ze: Deze wekker is kapot. Die heb ik hier gisteren gekocht.
    De vrouw zei: Bon.
    Joycy kan soms houden van korte instructies en gaf haar de aankoopbon.
    Wat er met die wekker?  vroeg de vrouw.
    Joyce zei: Hij maakt geen geluid.
    Hij maakt geen geluid, herhaalde de vrouw.
    Joyce voelde dat ze nog iets scherper moest zijn.
    Ze zei: De wekker wekt niet. Ik word er niet wakker van.
    U wordt er niet wakker van, zei de vrouw.
    Nee, zei Joyce.
    De vrouw vroeg: Wat heeft u met de wekker gedaan?
    Hoezo? vroeg Joyce.
    De vrouw snoof kwaadaardig: Dit is geen wekker die niet zomaar niet wekt.
    Hoe bedoelt u precies? vroeg Joyce.
    De is geen wekker die zomaar niet wekt, herhaalde de vrouw, terwijl haar gezicht donkerrood werd.
    Joyce dacht: ik moet hier weg.
    De vrouw vervolgde: U moet vreemd met de wekker zijn omgesprongen. Anders had de wekker het wel gedaan. Wij krijgen nooit klachten over deze wekker.
    Ja, zei Joyce, maar dan wekken die wekkers vast heel goed, maar de mijne niet.
    Ze zweeg even en zei toen – en ze voelde dat ze het misschien niet moest zeggen, maar het was net alsof ze de woorden niet kon tegenhouden: Mag een wekker die niet wekt nog wel een wekker genoemd worden?
    De vrouw keek haar borend aan. Ook leek ze zich te herinneren waarom ze geen zin in de dag, geen zin in het leven en geen zin in klagende klanten had en zeker niet in iemand die zich hardop afvroeg of een wekker die niet wekt nog wel een wekker genoemd mag worden.
    De vrouw stond langzaam op en keek om zich heen.
    Misschien wilde ze er wel iemand bij roepen, iemand van de beveiliging.
    Joyce maakte zich los van de balie en liep haastig weg, het warenhuis uit, naar het Centraal Station, door het centraal Station heen, naar de veerboot die naar de NDSM-werf ging.
    Het was net alsof zij niet zelf had gelopen, maar iemand haar had opgepakt en hier neergezet.
    Ze keek uit over het water en haalde diep adem.

    En nu loopt ze door Noord te dwalen over de Klaprozenweg, wat ze misschien een iets te mooie naam vindt voor deze weg die langs vooral lelijke bedrijven voert. Van de andere kant beseft ze ook dat ze in Noord is, waar een ander soort bedrijvigheid heerst dan aan de overkant van het water waar de toeristenterreur de stad voorgoed afgemat heeft. Bovendien weet ze dat het nodig is, lopen over de onheilspellende Klaprozenweg, om dadelijk vol op te kunnen gaan in een groot gevoel van opluchting, want die opluchting hangt in de lucht, dat is duidelijk. Het is zelfs zo dat die opluchting zich bijna fysiek manifesteert als de Klaprozenweg een lichte bocht maakt
    en ze in de verte het geluid van vrolijke stemmen hoort.
    Het is een vrolijkheid die lang uit haar leven was, die aan de andere kant van het water niet meer bestaat, want daar is vooral de harde vrolijkheid van bierfietsers hoorbaar.
    Dit is andere vrolijkheid, sprankelend, optimistisch, ja, de vrolijkheid van Amsterdam Noord, de vrolijkheid van een nieuwe tijd. Als de nieuwe tijd ergens echt nieuw wordt is het wel in Noord.
    En dan ja dan staat ze ineens in de Korte Papaverweg en weet ze niet wat ze ziet en ze versnelt haar pas, ze loopt naar café De Ceuvel, het is net of ze op weg is naar huis, alsof er daar op die wonderlijke, avontuurlijke, sprookjesachtige plek op haar gewacht wordt.
    Ik kom, hoort ze zichzelf zuchten, ik kom eraan, ik kom er eindelijk aan.
    En dan is ze in De Ceuvel waar een haast ondraaglijk lichte sfeer hangt en iedereen haar vriendelijk beziet. Ze gaat zitten en kijkt hoopvol om zich heen en dan beseft ze dat ze zojuist op weg naar dit café iets op een muur las, iets wat hoorde bij deze dag, deze avond, deze nacht, ja, ze weet het weer: Dansschool Eddy Spier. Goede naam voor een dansleraar Eddy Spier.
    Ze gaat opnieuw leren dansen om hier in De Ceuvel aan een stuk door te dansen. Maar ja, dan moet er nog wel iemand komen om mee te dansen, maar die komt vast wel. Ze wil er geen probleem van maken.
    Joyce Bloem strekt haar benen en wacht. Zo zit ze in haar nieuwe leven.

     

    Thomas Verbogt

    Dit was het eerste verhaal van de vier verhalen die tijdens de Literaire Pub Crawl op 4 juli 2014 zijn voorgelezen i.s.m. het Over het IJ-festival.

  • 15 juli 2014

    Reading is the New Black

     

    Iedereen is op vakantie, en de rest kijkt Orange is the New Black. Ik ben er ook maar aan begonnen, en op wat sentimentele momentjes na is het inderdaad pakkend vermaak, met genoeg scherpe maatschappelijke randjes om er ook na het kijken nog even over na te denken. Voor de liefhebbers: Het John Adams Institute is op het moment bezig schrijfster Piper Kerman met behulp van een crowdfundingsactie naar Nederland te halen. Op hun website kun je alvast een kaartje kopen voor het event waarmee je meteen ook een van de crowdfunders bent.

    Werken in de bajesbieb is een geliefd baantje, ook in OITNB zien we de ‘inmates’ fluks in de weer met allerhande, overigens knap in leer gebonden, boeken. Af en toe wordt er in beeld ook gelezen. Lezen: op vakantie en in de gevangenis kom je er nog eens echt aan toe. Op de website van The New Yorker stond een fascinerend verhaal over Daniel Genis, zoon van een Sovjet-dissident, zelf in de armen van de middelgrote criminaliteit gevallen, opgepakt en weggeborgen. En daar begon hij te lezen. Het redde zijn geest, lees hier over de leeslijst die hem 10 jaar en drie maanden hielp overbruggen:

    http://www.newyorker.com/online/blogs/books/2014/07/a-prisoners-reading-list.html

    reading-prison

     

    Daphne

  • 27 juni 2014

    Boek van de week

     

    Elke vrijdag geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip om het weekend mee door te komen. Deze week: 34 zeer korte verhalen en een vogelkat van Evelio Rosero (Uitgeverij Karaat).

    Afgelopen maand kwam bij Uitgeverij Karaat de bundel 34 zeer korte verhalen en een vogelkat (vert. Henk van Driel en Luc de Rooy) van Evelio Rosero uit. Rosero wordt gezien als een van de beste hedendaagse auteurs van Colombia. Hij publiceerde romans, verhalen, poëzie en kinderboeken. In 2007 kreeg hij internationale erkenning door De vertrapten, de roman waarmee hij in Spanje de Premio Tusquets won en in Groot-Brittanië de Independent Foreign Fiction Prize. In Nederland is hij echter nog relatief onbekend – onterecht, wat mij betreft.

    Rosero’s werk bouwt voort op de traditie van het Latijns-Amerikaanse magisch-realisme. In zijn werk klinken echo’s door van Juan Rulfo, Jorge Luis Borges en andere groten. Tegelijkertijd doen sommige verhalen door hun beknopte, zelfverzekerde stijl denken aan die van klassieke Russische korteverhalenschrijvers – Poesjkin, Tolstoj, Babel. Uit deze mengeling van invloeden verrijst niettemin het beeld van een schrijver met een zeer eigen stem, en één die zijn ambacht tot in de puntjes beheerst en onder controle heeft.

    Zodoende weet Rosero in zijn verhalen – met recht zkv’s – met een minimum aan woorden treffend een sfeer neer te zetten. De verhalen zijn veelal symbolisch en laten het normale en het bovennormale in elkaar overvloeien. Door de suggestieve aard van zijn verhalen is bij het lezen ervan een continue onderhuidse spanning voelbaar. Door de combinatie van zijn trefzekere stijl met een op het eerste oog inhoudelijke ongrijpbaarheid ben je na het feitelijke lezen van veel van de verhalen nog een tijd bezig met mentaal herkauwen.

    Nieuwsgierig? Lees hier vast drie verhalen uit de bundel.

    Door: Esther Kuijper

    Evelio-Rosero-34-zkv's

    Evelio Rosero
    34 zeer korte verhalen en een vogelkat
    Uitgeverij Karaat
    Vertalers: Henk van Driel en Luc de Rooy
    € 15,95
    104 pagina’s

  • 23 juni 2014

    Stadsgedicht

     

    Naar aanleiding van de ruzie om het oorlogsmonument in het Wertheimpark schreef stadsdichter Anna Enquist het onderstaande gedicht, dat op vrijdag 20 juni verscheen in het Parool.

     

    ONDER EN BOVEN DE GROND

     

    De herdenkers maken ruzie, hun bedoelingen

    zijn de beste, hun beitels de scherpste. Ze kerven

    verloren namen in steen langs opzichtig water. Niet

    hier, wel daar, op de geduldige grond, nee, ja,

    in een doolhof van muren, nee, in het gras –

     

    Intussen liggen ouders te woelen in onbarmhartige

    bedden, wordt het tijd voor kaplaarzen, oliejas.

    Ze dalen af, voddige Orpheus, dysfore Demeter, ze

    zoeken besmuikt de toevallige doden waar niemand

    naar taalt. Niet langs de grachten, de Amstel,

     

    maar bij de verborgen waterlopen, de overhuifde

    wateren van Amsterdam. Ze struikelen blind door

    een geur van stilstand in peilloze poelen – is het hier?

    Hier is het. – Hoe dood kan je zijn, ben je koud, wat

    denk je in dit donker? – O warme ouders,

     

    de zichtbare stad wacht tot je boven komt.

    Hoor de herdenkers bekvechten, stampen. Schaar

    je daartussen en schreeuw de namen, schreeuw

    alle namen, telkens weer, tot kwijtraken toe.

    De bedoelingen zijn de beste, de beitels gescherpt.

  • 20 juni 2014

    Boek van de week

     

    Elke vrijdag geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip om het weekend mee door te komen. Deze week: Legende van een zelfmoord van David Vann (De Bezige Bij).

    ‘Een van de beste debuten die ik in de afgelopen vijf jaar heb gelezen.’
    - Wim Brands in Boeken

    In 1980 pleegt de vader van David Vann zelfmoord. Met zijn geliefde aan de andere kant van de telefoon haalt hij de trekker over. Legende van een zelfmoord is een semi-autobiografische verhalenbundel, die steeds weer terugkomt op die ene gebeurtenis uit het leven van Vann. De korte verhalen versterken elkaar, maar staan ook op zichzelf. Ze belichten ieder een andere kant van hetzelfde verhaal.
    David Vann herleeft in zijn debuut het Alaska waar hij als kind opgroeide. Hij vertelt het verhaal van het tragische huwelijk van zijn ouders, de onvermijdelijke scheiding en de alles overschaduwende zelfmoord van zijn vader. Het boek bestaat uit vier korte en één langer verhaal, genaamd Sukkwan Island.

    Sukkwan Island
    Roy Fenn is een jongen van dertien jaar, wanneer hij met zijn vader Jim naar een eiland in Alaska trekt om daar in de wildernis te overleven. Jim heeft het niet goed voorbereid, er zijn onvoldoende voorzieningen en Roy wil het liefst terug naar huis, maar heeft het gevoel dat hij zijn vader niet in de steek mag laten. Het is Alaska, het is koud, de voedselvoorraden zijn bedorven en Jim ligt nachtenlang huilend in zijn slaapzak, terwijl Roy zijn best doet het gejammer van zijn vader niet te horen. Ze jagen als echte mannen, terwijl zijn vader ‘s nachts in een wrak verandert. Met wapens binnen handbereik loopt alles uit op een groot drama, waarin radeloosheid een grote rol speelt.

    Verdriet, verlies en onvermogen. De manier waarop David Vann de sfeer schetst en de relatie tussen vader en zoon weergeeft is van hoge kwaliteit. Er wordt weinig uitgesproken, maar de band tussen de mannen is pijnlijk zichtbaar. Je voelt het wringen in hun handelen, in de dialogen die vader en zoon voeren. Hoewel de korte, compacte verhalen sterk geschreven zijn, verveelt ook het verhaal Sukkwan Island niet in al zijn langdradigheid. Vanns manier van schrijven werkt toe naar een punt waarop alles onder spanning komt te staan.

    Door: Lauranne van Grinsven

    4495_Vann_Legende van een zelfmoord

    David Vann
    Legende van een zelfmoord
    De Bezige Bij
    Vertaler: Arjaan van Nimwegen
    € 12,50
    256 pagina’s

  • 16 juni 2014

    Asis Aynan in Nooit meer slapen

     

    In zijn verhalenbundel Gebed zonder eind maakt schrijver Asis Aynan ons deelgenoot van zijn schaamte en van zijn worsteling om van zijn gevoel van thuisloosheid af te komen. De bundel begint met een oorlogsverklaring van de Marokkaanse koning Hassan II en eindigt met een liefdesverklaring aan het water. Al schrijvende weet hij door reizen over land en in het hoofd de deken van pessimisme van zich te af te werpen. Pieter van der Wielen sprak in VPRO’s Nooit meer Slapen met Asis Aynan over o.a. heimwee, loyaliteit en historisch besef.

    Ter gelegenheid van het verschijnen van de nieuwe bundel Een gebed zonder eind van Asis Aynan organiseert Uitgeverij Jurgen Maas i.s.m de SLAA een bonte avond vol literatuur, muziek en gastoptredens. Voor meer informatie klik hier.

  • 13 juni 2014

    Win het nieuwe album van Typhoon: Lobi Da Basi

     

    Onze favoriete upbeat rapper Typhoon heeft de afgelopen jaren meermaals met ons gewerkt aan mooie projecten. Hij stelde onder meer zijn eigen theatershow samen voor de reeks 5kwarts, bewerkte oud-Perzische gedichten voor een pub crawl en gaf een denderende show weg bij een van de eerste edities van Bijlmer Boekt! Na jaren wachten komt er deze maand eindelijk weer een nieuw album van hem uit, Lobi Da Basi. De sampler die vandaag werd vrijgegeven belooft veel goeds. Maar het wordt beter. SLAA mag twee exemplaren van Typhoons nieuwe album weggeven. Stuur uiterlijk 18 juni een mail met je contactgegevens naar info [a] slaa.nl met als onderwerp ‘Winactie Typhoon’. Op 19 juni worden de winnaars bekendgemaakt. Zij kunnen hun album bij Typhoon persoonlijk ophalen: op de eerste releaseparty in de Tolhuistuin in Amsterdam op 20 juni, of op de tweede (jawel) releaseparty op 21 juni in Hedon in Zwolle. Begin de voorpret vast met de sampler van Lobi Da Basi, hieronder.

    UPDATE: De winnaars hebben inmiddels bericht ontvangen.

  • 13 juni 2014

    Boek van de week

     

    Elke vrijdag geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip om het weekend mee door te komen. Deze week: Wij van Elvis Peeters (Uitgeverij Podium).

    Wij is rauw, nietsontziend, heftig, grenzeloos en zelfs soms een beetje porno.

    Een vriendengroep van vier meisjes en vier jongens ontdekken de macht van het lichaam. De meisjes trekken hun rokjes op boven een viaduct, de jongens kijken toe. Ze spelen, manipuleren, hoereren. Zelfs wanneer één van de meisjes de steeds verdergaande, perverse experimenten niet overleeft, biedt de normloosheid houvast. Tot ook die gaat vervelen.

    Grenzen moet je bereiken en daarna verleggen.

    Het boek opent met een teder verhaal over een ijspegel die al jaren in een vriezer wordt bewaard. Als kleine jongen vond één van de personages het voorwerp zo prachtig dat het absoluut niet verloren mocht gaan, niet wetend dat hij er later een meisje mee om het leven zal brengen.
    Je wordt meegenomen met de jongeren en merkt dat je als lezer ook je eigen grenzen langzaam opschuift. Na de dood van het meisje lijken het verkrachten van een kat of het uitlokken van ongelukken daarbij in het niet te vallen. En je begrijpt de jongeren, die uit verveling in de broeierige setting van het Vlaamse platteland hun moraal verliezen. Er zijn geen drank en drugs in het spel, de jongeren voeren hun daden uit met hun volle verstand.

    De verzameling van bizarre handelingen en extremen gedachten van de personages uit het boek zijn niet geheel fictioneel. Ze zijn gebaseerd op nieuwsberichten van een generatie die zich verloren heeft in een wereld waarin alles te koop is. Het is meer dan een roman. Wij is de wereld waarin wij leven.

    Door: Lauranne van Grinsven

    media_l_159278

    Elvis Peeters
    Wij
    Uitgeverij Podium
    € 16,50 (€ 12,50 in midprice)
    176 pagina’s

  • 12 juni 2014

    Reportage: Whartons Wereld

     

    Op de site van de Jonge Historici schreef Christiaan Engberts een reportage over Whartons Wereld. Een avond over Edith Wharton die Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) in samenwerking met Jonge Historici organiseerde naar aanleiding van het verschijnen van de bundel Romeinse Koorts.

    De violen zwellen aan. Mooie mensen in nog mooiere kleren vullen het doek. Het gesprek gaat over de liefde. Een gedragen bariton kondigt het uitgangspunt van de film aan: “In a time of tradition, in a place of privilege, Newland Archer lived his life by the rules of his society… until he met a woman who lived by her own rules”. Meer violen en mooie mensen volgen in de trailer voor The Age of Innocence. De bariton vertelt ons dat deze film gebaseerd is op het prijswinnende boek met dezelfde titel. Wat hij ons niet vertelt, is dat dit boek geschreven is door Edith Wharton.

    Wie is deze schrijfster?

    Wil je de hele reportage over Whartons Wereld lezen? Ga dan naar de website van de Jonge Historici.

     

  • 12 juni 2014

    SLAA heeft u, nu nodig

     

    U, Nu! poster.drukHet Vondelpark bestaat dit jaar 150 jaar en daarom hebben Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam en Collectief Lucifer de handen ineen geslagen. Het project U, Nu! is het resultaat van deze samenwerking.

    Vijf fotografen en vijf schrijvers hebben op eigen wijze het Vondelpark verbeeld. Collectief Lucifer is met het project U, Nu! de uitdaging aangegaan om, naast de ontelbare opnames die er al gemaakt zijn in en van het Vondelpark, beelden te maken die bezoekers op een andere manier naar het park laten kijken. Schrijvers Anna Enquist, K. Schippers, Jan van Mersbergen, Miek Zwamborn en Maartje Wortel zijn gevraagd om een tekst te schrijven bij deze foto’s. Deze teksten, in de vorm van een gedicht, een korte mijmering of een persoonlijke herinnering, zullen tijdens een fototentoonstelling in het Vondelpark dit najaar te lezen zijn. Daarnaast is er de ambitie de foto’s en teksten te bundelen in een boek. Een intiem portret van het Vondelpark waarin alle ruimte is voor herinnering, fantasie en verbeelding bij het kijken naar de foto’s en het lezen van de teksten.

    Maar het drukken van dit boek kost geld en daar hebben Collectief Lucifer en SLAA u voor nodig! Via Voordekunst kunt u al voor een bedrag vanaf €10,- het project steunen en zorgt u niet alleen voor de realisatie van een prachtig boek, maar draagt u ook bij aan een herinnering voor nu en voor later aan het Vondelpark.

  • 11 juni 2014

    Noorderwoord Report #3

     

    De mannen eten pizza met hun handen. De meisjes prikken salade uit kartonnen bakjes. Over het Zonneplein beweegt een bank zich langzaam voort. De kleine zaal van het Zonnehuis wordt weer klaargemaakt voor een derde editie van Noorderwoord. Gekleurde stoelen staan in nette rijen, bij de bar liggen al koekjes klaar.

    ‘Het is bijna uitverkocht,’ hoor ik het kassameisje zeggen. De gasten zonder toegangsbewijs gaan er al vanuit dat de zaal vol zit, maar willen het toch nog proberen. Ze staan in een rij te wachten op mensen die hun reserveringen niet afhalen.
    ‘Ik vond het de vorige keer zo leuk,’ zegt een vrouw. ‘Ik dacht, ik ga gewoon even kijken of ik nog naar binnen kan.’ Ze houdt haar portemonnee gereed en vist er net genoeg muntgeld uit voor een kaartje.

    Christine Otten opent de avond met een stuk uit haar nieuwe roman Rafaël. Een verhaal over twee geliefden in Tunesië ten tijde van de Jasmijnrevolutie. Zij vlucht naar Nederland met hun kind in haar buik, maar dan gaan de grenzen dicht en hij staat erop bij de geboorte van hun zoon te zijn. Een verhaal dat een gezicht geeft aan duizenden anonieme bootvluchtelingen.

    Huisdichter en vredesambassadeur van Noord, Lamyn Belgaroui, is ook bij de derde editie aanwezig. Hij brengt een combinatie van spoken word en zang met deuntjes die goed in het gehoor liggen. Wanneer ik buiten sta, neurie ik nog mee met zijn liedjes.

    Gerbrand Bakker is de grote auteur van de avond. Hij zit verlegen op de bank en zegt dat hij niet zo’n prater is. Iets wat ook duidelijk terug te zien is in zijn boeken, die vaak bladzijdenlange beschrijvingen van landschappen en handelingen bevatten. Hij vertelt over zijn schrijvershuis, dat hij bouwde terwijl hij al tijden niet meer kan schrijven, en over een oom die fruitsalade maakte en hoe bijzonder hij dat altijd vond.

    22

    ‘Het is wel apart dat je hovenier bent én schrijver,’ zegt Christine. ‘Dat zie je niet zo vaak.’
    ‘Maarten ’t Hart!’ roept iemand uit het publiek. Er wordt gelachen.
    ‘Maar die heeft een moestuin, ik ben meer van de grote dingen,’ voegt Gerbrand er aan toe. De schrijver wordt steeds opener en spraakzamer. Zijn depressie, waarvan hij pas twee jaar geleden ontdekte dat het een depressie was, komt ter sprake, evenals het feit dat het al vier jaar geleden is dat hij zijn laatste roman schreef. En dat terwijl Gerbrand wel een snelle schrijver is. In een half jaar schreef hij zijn roman De omweg. Iedere ochtend werkte hij met de hoogste concentratie aan zijn boek. Of er snel een nieuw boek aankomt, weet hij niet. ‘Dat schrijven komt vanzelf wel weer, of niet.’

    Na Gerbrand betreedt Soula Notos het podium. Half Grieks, half Nederlands, een klein gezet poppetje met een duidelijke lichaamstaal. Ze maakt grappen over feta, haar gewicht en een dating-cv. Ze sluit af met een gedicht begeleid door het Specie Trio.

    Annemarie Slotboom heeft speciaal voor Noorderwoord een monoloog geschreven vanuit Ab Harrewijn, een van de geestelijken van de NDSM-werf. Acteur Peter Faber, een echte Noorderling, kruipt in zijn huid en speelt de monoloog. Hij nodigt ons uit om ons verhaal te vertellen en een richting te kiezen. Dan staat hij op en zegt dat hij niet Ab Harrewijn is, maar een acteur en vertelt het verhaal van Peter Faber zelf.

    Als afsluiter komt nog eenmaal Lamyn het podium op. Hij vat de avond samen en vertelt over zijn verleden met de Peter Faber Stichting. De leerling die nu voor zijn meester staat. Ik zie Peter Faber achter in de zaal trots kijken. Hij gaat staan wanneer hij klapt.

    09

  • 05 juni 2014

    Kira Wuck in het raam

     

    SSBA Salon kruist poëzie met prostitutie en zet dichters in het raam. Deze aflevering draagt dichteres Kira Wuck, bekend van Finse Meisjes, een gedicht voor over wasberen in de stad.

    Wil je meer horen van Kira Wuck? Vanavond kun je haar zien voordragen bij de Poetry Pub Crawl, georganiseerd door SLAA en Holland Festival. Een gids neemt de bezoekers mee langs vier kroegen in de Jordaan, waar onder anderen Typhoon en Kira Wuck werk voordragen dat is geïnspireerd op Perzische grootmeesters als Hafez en Roemi.

    De rondleiding met gids is helaas al uitverkocht, maar dat hoeft je er niet van te weerhouden om zelf de deelnemende kroegen in te duiken.
    Voor meer informatie klik hier.

  • 03 juni 2014

    De leugens van Dead Poets Society

     

    In Hollywood is er nog geen enkele film uitgebracht met een realistisch portret van een schrijvende schrijver. Wat op zich logisch is, het schrijfproces is filmisch gezien nou eenmaal niet zo interessant. Het geromantiseerde beeld van drugs, alcohol en verbroedering wint het van de eenzame, peinzende schrijver achter zijn houten tafel. Maar door deze films wordt wel het heersende beeld over schrijvers gevormd, zelfs meer dan door schrijvers zelf.

    Op de site van Esquire staat een interessant artikel over hoe de film Dead Poets Society, die vijfentwintig jaar geleden voor het eerst op het witte doek verscheen, deze leugens in stand houdt en jongeren die schrijver willen worden een verkeerd beeld van het schrijverschap voorschotelt.

    Dead Poets Society provided the fantasy that the glories of literature amount to a huge prep-school circle jerk. 

    Lees meer

    5.0.2

  • 02 juni 2014

    Hoe zichtbaar ben jij eigenlijk?

     

    9789041411267Schrijver Jan van Mersbergen schreef op www.revisor.nl een stuk over de zichtbaarheid van auteurs, het veranderende literaire landschap, het recenseren met één klik, Facebook en contracten met taart en champagne. Over leesexemplaren, redacteuren die soms meer tijd door lijken te brengen met alles wat zich om de boeken heen afspeelt dan met de boeken zelf en een met vissen geïllustreerd papieren boek.

    Schrijven doe je thuis en de uitgever maakt er een boek van. Een papieren boek. Een auteur is de zichtbare schrijver, in de krant, op tv, op leesavonden. Dat is allemaal veranderd. Schrijven doe je op een laptop en publiceren kun je zelf doen, via dezelfde laptop, op internet. En een auteur moet ook zichtbaar zijn op internet. Internet heeft niet alleen het schrijven veranderd het heeft ook het auteurschap veranderd.

    Afgelopen week kreeg ik een mailtje van mijn uitgeverij met daarboven de vraag: ‘Hoe zichtbaar ben jij eigenlijk?’ Lees meer

  • 29 mei 2014

    Mooie aftrap SLAA @Tolhuistuin!

     

    Dinsdagavond 27 mei programmeerde de SLAA voor het eerst in de Tuinzaal van de Tolhuistuin, haar nieuwe huis. Een zeer geslaagde avond was het, over de wereld van Pulitzerprijswinnares Edith Wharton. Na een fijne inleiding door Isabelle Groenhof (Literary Studies/American Studies) en een interview met Isabelle en de vertaalster van Romeinse koorts (Van Oorschot), Lisette Graswinckel, nam de Interbellum Leesclub (Marjolijn van Heemstra, Matin van Veldhuizen, Esther Gerritsen, Marijke Schermer) het podium om uiterst vermakelijk uit Whartons werk voor te dragen en in te gaan op verschillende thema’s uit haar werk. En ondanks het regenachtige weer was het volle bak – een teken dat Whartons werk ook in Nederland, gelukkig, nog niet in de vergetelheid is geraakt. We zijn trots en tevreden!

     

  • 22 mei 2014

    Bijlmer Boekt! viert zijn 10e verjaardag!

     

    Hoe ouder je wordt, hoe minder leuk verjaardagen zijn. Je ligt de nacht ervoor niet meer wakker in je bed, je kijkt niet meer uit naar de grote stukken taart, de cadeaus, het feest. Maar bij Bijlmer Boekt! is het anders, de tiende editie is net zo bijzonder als de eerste keer.

    De artiesten zijn gespannen als kleine kinderen die niet kunnen wachten om hun pakje uit te pakken. Kijken verwachtingsvol naar de stoelen die zich zo gaan vullen met meer dan tweehonderd mensen. Christine loopt voorzichtig op en neer tussen de zaal en kleedkamer. Wandelt nog een keer over het podium en twijfelt waar ze de microfoon wil hebben.

    Intussen is er een bus vol trouwe bezoekers op weg van de Balie naar het Bijlmer Parktheater. Een meisje maakt een foto van de mensen in de bus, waarop een oude vrouw vraagt of dat nu een selfie is. Paa Kofi draagt alvast twee van zijn gedichten voor, waarin hij gesproken woord afwisselt met zang.

    Schrijfster Maartje Wortel opent de avond. Ze kondigt alvast aan dat het stuk ongeveer tien minuten duurt. Dan weten we dat, ze leest nogal traag. ‘Maar van Pablo mocht het nog veel langzamer,’ voegt ze er aan toe. De contrabassist lacht en speelt klanken bij Maartjes woorden. De dode hond van het verhaal wordt begraven en in de vorm van zijn baasje weer tot leven gewekt.

    ‘Lieverd, toe nou,’ zei ze. ‘Dit is belangrijk voor me. Ga af,’ zei ze nog een keer. Hans ging op een stoel zitten, stak zijn tong uit zijn mond en begon te hijgen.
    ‘Wat doe je nou?’ vroeg Sanderijn.
    ‘Gewoon,’ zei Hans. ‘Je wilde toch dat ik de hond nadeed?’
    ‘Onze hond deed zo niet,’ zei Sanderijn.

    Na Maartje is het de beurt aan cabaretier Rayen Panday, die vertelt over bijles, Surinaamse moeders die altijd in caps lock praten en zijn pad. Het enige huisdier dat hij van zijn ouders mocht, omdat het klein genoeg was en waar helaas een boek op viel. ‘Ah mi boy, soms komen er dingen op je pad,’ voorzag Rayens moeder hem van wijs advies.
    De zaal vermaakt zich. Het meisje naast me blijft haar tranen wegvegen, omdat ze niet kan stoppen met lachen.

    Het jonge talent van de avond is Paa Kofi, die precies op zijn negende verjaardag aankwam in Amsterdam vanuit Ghana. Hij vierde deze dag altijd in zijn korte broek, maar oktober in Nederland betekent herfst. Hij spreekt en zingt en dicht. Vertelt zijn verhaal in het Bijlmer Parktheater aan iedereen die zich in de oranje stoeltjes heeft genesteld.
    Ook werd er speciaal voor deze editie weer een verhaal geschreven over de Bijlmer. Dit keer was het de beurt aan Lieve Joris. ‘Mijn verhaal gaat niet echt over de Bijlmer,’ zegt ze. ‘Ik heb de opdracht wat breder getrokken, maar het gaat wel over een cultureel diverse samenleving.’ Ze vertelt over Dubai, over een meisje van 50, een oude man en de enige plek in Dubai waar alcohol wordt geschonken.

    Als afsluiter van het feestje speelt Lucretia van der Vloot met haar pianist nog enkele nummers. Op haar roze flip-flops zingt ze een cover van Nina Simone. De decoratieve dunne witte sprieten op het podium en het donkere mannetje dat “I feel good” schreeuwt wanneer je op een knopje drukt, trekken mijn aandacht. Het decor is nog altijd hetzelfde gebleven.

    Hoewel ik niet zo van verjaardagen houd, was de tiende verjaardag van Bijlmer Boekt! een feestje. Ik heb me zelfs verheugd op het stukje taart na afloop in de vorm van een macaron, trakteerde mezelf op een boek van Maartje Wortel als cadeau en zag de winnaars van het verrassingspakket enthousiast met hun boeken door de lucht zwaaien.

  • 21 mei 2014

    Waarom je Oorlog en vrede zou moeten lezen

     

    Wat?! Tolstojs Oorlog en vrede al jaren in de kast staan en nog steeds niet gelezen? Misschien dat de The Huffington Post je zo ver krijgt. In zeven bullet points, zoals dat zo mooi heet, geeft de krant voldoende aanleiding om deze roman eindelijk eens open te slaan.

    cartoon

  • 16 mei 2014

    Daphne tipt: Treindromen van Denis Johnson

     

    Het is een dun boekje, Treindromen, nog geen 100 pagina’s, maar de intensiteit van het verhaal is groots en onvergetelijk.  Hoofdpersoon Robert Grainier is een man die onder je huid kruipt, als dagloner werkt hij begin twintigste eeuw aan allerlei projecten mee: houtzagen, spoorrails aanleggen, rauw mannenwerk. Wanneer hij op een dag een Chinese arbeider die verdacht wordt van diefstal met een groep mannen belaagt, gebeurt er iets dat de loop van zijn leven voorgoed zal veranderen en het einde van zijn kans op geluk zal betekenen. De absolute en ongepolijste werkelijkheid van het verlies dat hem te wachten staat blijft enigszins draaglijk door de koelbloedige wijze waarop Johnson Grainiers  alledaagse leven beschrijft. Maar daaronder gaapt de diepe afgrond van verdriet, en een paar blikken in die afgrond zijn genoeg om je de adem te benemen. Treindromen is net opnieuw in een prachtige uitgave verschenen bij Uitgeverij Ambo|Anthos, doe jezelf een plezier en lees dat, overigens prachtig vertaalde, boek.

    Treindromen van Denis Johnson (Uitgeverij Ambo|Anthos, vertaling Maarten Polman).

    Hieronder kun je hoofdstuk 3 lezen, om alvast een mooie indruk te krijgen.

     

    3
    Als kind was Grainier alleen naar Idaho gestuurd. Waarvandaan precies wist hij niet, omdat zijn oudste nicht het ene zei en zijn neef die na haar kwam iets anders, en hijzelf het zich niet kon herinneren. Die neef beweerde ook dat hij helemaal niet zijn neef was, terwijl de nicht zei dat ze wél neef en nicht waren – hun moeder, die Grainier net zo goed als zijn eigen moeder beschouwde als de hunne, was eigenlijk zijn tante, de zus van zijn vader. Zijn nicht en beide neven waren het er alle drie over eens dat Grainier met de trein was gekomen. Hoe was hij zijn eigen ouders kwijtgeraakt? Niemand heeft het hem ooit verteld.
    Toen hij in het stadje Fry in Idaho uitstapte, was hij zes – of mogelijk zeven, aangezien zijn laatste verjaardag lang geleden leek en hij dacht dat hij de datum misschien had gemist, en hij trouwens niet eens zou weten op welke dag die viel. Voor zover hij kon nagaan was hij ergens in 1886 geboren, ofwel in Utah ofwel in Canada, en had hij zijn weg naar zijn nieuwe familie gevonden via de Great Northern Railroad, waarvan de aanleg in 1893 was voltooid. Hij arriveerde na verscheidene dagen in de trein met zijn bestemming op zijn borst geprikt op de achterkant van een kassabon. Hij had de eerste dag van zijn reis al zijn eten opgegeten, maar diverse conducteurs hadden hem onderweg te eten gegeven. Het hele avontuur leidde ertoe dat hij alles meteen weer vergat, en algauw tastte hij volstrekt in het duister over dit vroegste deel van zijn leven. Zijn oudste nicht zei dat hij afkomstig was uit Noordoost-Canada en alleen Frans had gesproken toen ze hem voor het eerst hadden gezien, en dat ze het Frans er bij hem uit hadden moeten ranselen om ruimte te maken voor Engels. De beide neven zeiden dat hij een mormoon uit Utah was. Op zo jonge leeftijd kwam het nooit bij hem op er via zijn tante en oom achter te komen wie hij was. Tegen de tijd dat hij bedacht het aan ze te vragen, waren er vele jaren verstreken en waren ze allebei allang dood.
    Zijn vroegste herinnering was dat hij naast zijn oom Robert Grainier senior stond, waarbij hij niet hoger reikte dan de elleboog van deze naar rook ruikende man die hij al snel ‘vader’ was gaan noemen, in de onverharde straat in Fry binnen het zicht van de rivier de Kootenai, waar ze de massale deportatie uit het stadje gadesloegen van honderd of meer Chinese families. Aan het eind van de straat, op het spoorwegemplacement van houtbedrijf Bonner, hielden mannen met bijlen, pistolen en geweren in de hand zwijg- zaam toezicht terwijl die vreemde mensen op drie platte goederenwagons klauterden, snaterend als vogels, en hun kinderen in hun midden samendreven, weg van de randen van de open wagons. De kleine mannen met hun platte gezichten zaten aan de buitenkant van de drie groepen, hun knieën opgetrokken en hun handen om hun schenen geslagen, toen de trein uit Fry vertrok en op weg ging, ergens naartoe – het zou pas tientallen jaren later bij Grainier opkomen zich af te vragen wáár naartoe, toen hij een volwassen man was en op een haar na een Chinees had gedood… hem had willen doden. De meesten waren zo’n vijfenveertig kilometer naar het westen beland, in Montana, tussen de stadjes Troy en Libby, op een plek naast de Kootenai die bekend werd als China Basin. Tegen de tijd dat Grainier aan bruggen werkte, was de gemeenschap verstrooid geraakt en woonden er nog maar een paar her en der in het gebied, en was niemand meer bang voor ze.
    De Kootenai stroomde ook door Fry. Grainier had fragmentarische herinneringen aan een week toen de rivier buiten haar oevers trad en het lagere gedeelte van Fry overspoelde. Een paar van de meest fragiele bouwsels werden weggespoeld en braken stroom- afwaarts in stukken. Het postkantoor werd ondermijnd en meegesleurd, en Grainier herinnerde zich dat hij door iemand werd opgetild, zijn vader misschien, en boven de hoofden van een grote menigte dorpelingen opdook om te kijken hoe het gebouw weg- dreef op de stroom. Later werd het postkantoor door een paar Canadezen gevonden, gestrand in het laagland honderdvijftig kilometer stroomafwaarts, in Brits-Columbia.
    Robert en zijn nieuwe familie woonden in het stadje. Maar twee deuren verderop dreef een kale man, altijd in een overall van spijkerstof, altijd zonder hoed – een forse man met heel kleine, sterke handen – een winkel waar hij laarzen lapte. Soms, als hij uit het zicht was, wipten de kleine Robert of een van zijn neefjes graag naar binnen om een kwak bijenwas te schrapen uit de weckpot op zijn werkbank. De schoenlapper gebruikte die om zijn draad mee in te vetten wanneer hij stug leer naaide, maar de kinderen zogen erop alsof het snoep was.
    De schoenlapper zelf pruimde tabak, zoals zoveel lui. Op een dag hield hij de drie buurjongens staande toen ze langsliepen. ‘Moeten jullie kijken,’ zei hij. Hij boog voorover en spuwde een halve mondvol in een glazen conservenpot die tegen een tafelpoot aan stond. Hij raapte deze vergaarbak op en draaide het paar centimeter donkere speeksel dat hij bevatte in het rond. ‘Willen jullie hier wat van proeven, kinderen?’
    Ze gaven geen antwoord.
    ‘Vooruit, neem een slok! – Als jullie zin hebben,’ zei hij.
    Ze gaven geen antwoord.
    Hij goot het smerige vocht in zijn pot bijenwas, roerde het er met een vinger doorheen, hield de vinger bij hun gezicht en riep: ‘Neem maar hoor, wanneer jullie maar zin hebben!’ Hij schaterde het uit. Hij wipte op en neer in zijn stoel, terwijl hij zijn kleine vingers afveegde aan zijn schoot van spijkerstof. Er blonk een vage teleurstelling in zijn ogen toen hij om zich heen keek en niemand zag om over zijn poets te vertellen.
    In 1899 werden de stadjes Fry en Eatonville samengevoegd onder de naam Bonners Ferry. Grainier leerde lezen en rekenen op de dorpsschool van Bonners Ferry. Hij blonk nooit uit, maar hij leerde ontcijferen wat er op een bladzij geschreven stond, en dat hielp hem verder te komen in de wereld. In zijn tienerjaren woonde hij in bij zijn oudste nicht Suzanne en haar gezin nadat ze getrouwd was, volgend op de dood van hun ouders, zijn tante en oom, Helen en Robert Grainier.
    Hij ging in zijn vroege tienerjaren van school en werd, zonder ouders om zich druk om hem te maken, een lanterfanter. Toen hij op een dag in z’n eentje aan het vissen was in de Kootenai, zo’n anderhalve kilometer stroomopwaarts van het stadje, stuitte hij op een rondtrekkende zwerver, een ‘vagebond’, zoals zijn soort genoemd werd, verscholen tussen een paar berken in een schamel kampement, bezig met het verzorgen van een gewond been. ‘Kom eens hier. Alsjeblieft, jongeman,’ riep de vagebond. ‘Toe – alsjeblieft! Mijn kniebanden zijn doorgesneden, en ik wil je een paar dingen laten weten.’
    De jonge Robert haalde zijn lijn in en legde de hengel terzijde. Hij klom op de oever en hield halt op drie meter afstand van waar de man tegen een boom zat met zijn benen gestrekt, op blote voeten, het linkerbeen rustend op een bed van wintergroene takken. De oude schoenen van de man lagen aan weerskanten van hem. Hij had een baard en zat onder het stof, en overal kleefden bosresten. ‘Laat je blik rusten op een vermoorde man,’ zei hij.
    ‘Ik ga je niet eens vragen me een slok water te brengen,’ zei de man. ‘Ik heb een tong van leer, maar ik ga dood, dus ik denk niet dat ik gunsten nodig heb.’ Robert was als aan de grond genageld. Hij kreeg de indruk van een mondgat dat bewoog in een hoop bladeren en vodden en geklit bruin haar. ‘Ik heb alleen een paar dingen die gezegd moeten worden, anders neem ik ze mee in mijn graf…
    Goed dan,’ zei hij. ‘Ik ben achter in mijn knie gestoken door die kerel die ze Big-Ear Al noemen. En ik moet zeggen: ik weet dat hij me te grazen heeft. Dat is één. Breng dat nieuws naar je sheriff, jongen. William Coswell Haley, uit St. Louis, Missouri, is beroofd, in zijn been gestoken en vermoord door de vagebond die ze Big-Ear Al noemen. Hij gapte mijn bundel van veertien dollar van me terwijl ik lag te slapen, en hij sneed de pezen achter mijn knie door zodat ik niet achter hem aan zou gaan. Mijn been stinkt,’ zei hij, ‘omdat ik hier al zo lang lig dat de rot heeft ingezet. Je weet hoe dat gaat. Die rot verspreidt zich tot ik tot aan mijn ogen dood ben. Tot ik een lijk ben dat kan zien. Dat zijn gedachten kan denken. Dan, zo rond de vierde dag, ben ik er helemaal geweest. Ik weet niet wat er dan met ons gebeurt – of we in het graf onze gedachten kunnen denken, of dat we naar de hemel vliegen of bij de duivel worden afgeleverd. Maar dit is wat ik te zeggen heb, voor het geval dat:
    Ik ben William Coswell Haley, tweeënveertig jaar oud. Het ging me goed, met werk en vooruitzichten in St. Louis, tot iets meer dan vier jaar geleden. Rond die tijd was mijn nicht Susan Haley ongeveer twaalf, en aangezien ik destijds bij mijn broer in huis woonde, begon ik ’s nachts naar haar toe te gaan in haar bed. Ik kon niet slapen – zo erg werd het, mijn hart ging voortdurend als een razende tekeer – tot ik maar opstond van mijn strozak en naar de kamer van het meisje sloop en naar haar bed toe ging en daar gewoon stilletjes bleef staan. Nou, ze werd nooit wakker. Zelfs niet toen ik op een
    nacht met haar dekens ritselde. Op een andere nacht raakte ik haar gezicht aan, en ze werd niet wakker, ik graaide naar haar voet en kreeg er geen beweging in. Weer een andere nacht trok ik aan haar dekens, en ze leek wel dood. Ik raakte haar aan, lichtte haar hemd op, deed alles wat ik wilde. Alles. En ze werd nooit wakker.
    En dat werd zo mijn gewoonte. Elke nacht. Alles. Ze werd nooit wakker.
    Nou ja, op een dag kwam ik thuis, ik had gewerkt in de kaarsen- fabriek, een baantje waar je gemakkelijk aan kon komen als je niets anders had. Het waren vooral ouwe wijven die daar werkten, maar ze namen iedereen aan. Toen ik thuiskwam, zat mijn schoonzus Alice Haley in de tuin, op een natte winterdag, op het glibberige gras. Was daar zomaar neergeploft. Blèrend als een baby.
    “Wat is er, Alice?”
    “Mijn man ging ons dochtertje Susan met een stok te lijf! Mijn man ging haar te lijf met een stok! Een stok!”
    “Goeie genade, is ze gewond?” zei ik. “Of is ze alleen van streek?”
    “Gewond? Gewond?” schreeuwt ze naar me – “Mijn kleine meid is dood!”
    Ik ging niet eens naar binnen. Liet al wat ik bezat achter en liep naar het spoor en klom op een goederenwagon, en sindsdien ben ik nooit meer dan honderd meter van die spoorrails vandaan ge- weest. Heb het hele land doorkruist. Canada ook. Nooit meer dan honderd meter van die rails en bielzen vandaan.
    De kleine Susan had een kind in haar buik, vertelde haar moeder me. En haar vader gaf haar slaag om dat arme kind uit haar buik te drijven. Hij gaf haar slaag tot-ie haar vermoord had.’
    Een paar minuten hield de stervende man op met praten. Hij hapte naar adem, zette zijn handen op de grond aan weerskanten van hem en leek van houding te willen veranderen, maar had de kracht niet. Hij leek niet fatsoenlijk adem te kunnen halen, zo hijgde en piepte hij. ‘Ik zal nu die slok water nemen.’ Hij sloot zijn ogen
    en staakte zijn gevecht om lucht te krijgen. Toen Robert dichterbij kwam, ervan overtuigd dat de man dood was, sprak William Haley zonder zijn ogen te openen: ‘Breng het me maar in die ouwe schoen.’

    Treindromen, Denis Johnson, Uitgeverij Ambo|Anthos, 2002/2012.

    treindromen

  • 15 mei 2014

    De Tolhuistuin in Aanbouw

     

    De Tolhuistuin is weer open. Na zeventig jaar is de geheime plek van Noord niet langer verborgen achter meters hoge hekken maar toegankelijk voor iedereen.
    De verschillende creatieven, waaronder SLAA, die zich hebben gevestigd in de staalvilla of het oude poortgebouw van Shell, houden zich bezig met de programmering in en rondom de Tolhuistuin, waardoor er een breed cultureel aanbod is.
    Voor de een zal de Tolhuistuin een nieuwe culturele vrijplaats worden, voor de ander zal het vooral een podium zijn, een festival, een tuin, een restaurant of een plek om samen te komen met de Noorderlingen. Maar wat we hopen is dat het vooral een vanzelfsprekendheid wordt om naar de Tolhuistuin te gaan.

    Wil je meer weten over de Tolhuistuin of alvast een glimp opvangen van de nieuwe zaal? Bekijk dan de aflevering Aanbouw van AT5 hieronder:

  • 13 mei 2014

    From Nicolette to Teddy

     

    On 12 May 2014, translator Nicolette Hoekmeijer spoke the following words to writer Edward St Aubyn at a literary event revolving around his work.

    Ladies and gentlemen, Teddy, good evening.

    I was a decent, hardworking translator, and basically a responsable citizen, until in the spring of 1994 Edward St Aubyn came into my life. Within two weeks I found myself on the so-called Pillenbrug – the Pills Bridge – looking for dealers and hanging out with junkies.

    I am Nicolette Hoekmeijer, literary translator, and in 1994 I was asked to translate St Aubyns second novel, Bad News, which is now part two of the so-called Patrick Melrose Quintet. For those of you who are unfamiliar with his work: The Melrose novels describe stunningly well, in beautiful and precise prose, both a gruesome childhood in an aristocratic environment of absolute horror, and the resulting struggle to find meaning in life, to find a way to be able to live at all. Patrick’s only allies are his intelligence, his wit, his cynicism and his eloquence, which allow him to hide behind words. In Bad News, ‘my’ first Melrose novel Patrick is somewhere in his twenties and goes to New York to collect his father’s ashes. At this point in his life he is an extremely troubled and wealthy drug addict who is basically torn between the longing to drink himself senseless, to loose himself in booze, drugs and especially in anger, and on the other hand a strong, intellectual will to face and overcome the demons that haunt him. The sinister and dark, but at moments extremely funny, Melrose novels, are populated by snobs, drunkards, pedophiles, tyrants, philosophers, would-be philosophers, callous grandmothers, precocious children, cynics and addicts – all of whom have a different voice.

    Translation is, to me, recreating the original in another language, using the full potential of your mother tongue while retaining the characteristics of the original. In order to do so, in order to find the right voice for both the descriptive passages ánd the characters, you have to immerse yourself in the original, and emerge in your own language. The way to do this, for me, is greatly similar to so-called method acting: In order to find the right voice, I have to ‘become’ the character, or something close to it. So, in order to translate the thoughts and dialogues of for instance the drug users and dealers in Bad News, I practically had to feel their craving. Maybe that would be a bit overzealous, but at least I had to familiarize myself with the way addicts and dealers talk, with the exact words they use. Hence the Pills Bridge.

    This is basically what makes translating such an involving, exciting and in this case exhausting job. With Bad News I used to get up in the morning, shower and dress – unlike the corny image of the translator in pyjamas. Then I would make a pot of coffee, turn on my computer and get started, in good spirits and full of energy. By noon I would be carefully counting the remaining pills in all my pockets, negotiate with drug dealers, fretfully calculate if I still had enough pills to make it to the next dealer, wonder whether more coke would also mean more smack and how close would this combination bring me to a heart attack – or I would hang upside down on my couch, with a hand full of aspirines, in order to feel what Patrick went through and what he exactly did, when he struggled to swallow drugs on the back seat of a cab, without having water at his disposal. Luckily, after lunch, St Aubyn gave me some respite with gripping and consoling contemplations on desperation, destiny and redemption, or with his briljant and cutting dialogues, which make me laugh every time. But not much later the method acting translation roller coaster would get into motion again, and by the end of my working day I was back being Patrick Melrose, collapsing breathlessly on a hotel bed, after having crawled through the hotel’s hallway in the dark, unable to find the light switch, clasping my father’s ashes under my arm, unable to stand up and unable to find the right door. And even then unable to find the keyhole.

    I can tell you: Translating Bad News, my introduction to St Aubyns work, was both depleting and addictive. An addiction which St Aubyn has been facilitating for almost twenty years now.

    What makes all of St Aubyns works both an enormous challenge and an absolute feast for a translator, is his mastery of a diversity of styles, genres, registers, tones and voices. Underneath it all is an omni present and compelling irony, not to say cynicism. But as I am in the ‘lucky’ position to have a cynics voice deep inside of me, I don’t have to do much research for that. But what I definitely did have to do research for, what was maybe the biggest challenge for me as a translator is the aristocratic, upper class setting that charaterizes St Aubyns work. So my research took me straight from the Pillenbrug to Het Gooi, where I listened carefully to Dutch upper class intellectuals and nobility. It is undeniable: with a few exceptions, the Dutch upper class does not remotely sound like the English upper class. As a rule the English are more eloquent and have better debating skills, which they already train at primary school. The English make longer and more complex sentences, and they use both a higher register and more words with a Latin stem.

    This is an extremely tricky cultural difference, of which a translator has to be aware. It is all a matter of the right dose: if I would translate St Aubyns upper class characters one on one, word for word, into a high register Dutch, I would overshoot the mark. What is an aristocratic, eloquent and upper class setting in English should not become grotesque in Dutch. No matter how hilarious, there is a crucial difference between posh and grotesque.

    And now there is Lost for Words, or Met stomheid geslagen in Dutch. Luckily for me, translating Lost For Words was less physically strenuous. Most of the characters are sitting and thinking, or sitting and writing, or lying down, either being depressed or having sex. Sometimes they are reading, or, to be more precise: they should be reading, as they form the jury of a prestigious literary price. Lost for Words is a biting and hilarious take on the literary circus, and poses questions about literature, what it actually ís, and who gets to decide that. The novel is inhabited by characters who are either producing so many words they almost drown in them, and on the other hand characters who have great difficulty committing themselves to words, and therefore to meaning (like the one writer who is hardly able to put anything on paper because he feels: ‘to say anything at all would be a mistake’.

    There are many passages on structuralism, and semiotics, tersely articulated in the following quote: ‘Her need to decide what things meant came no doubt from having lived so close to the sense that they meant nothing at all’. As far as these philosophical passages are concerned: I did not have this voice, nor the knowledge, ready. But luckily, I have the right friends.

    The very ambigious take on words, the suggestion that words don’t mean anything at all, is a rather discomforting thought for a translator. As for a writer, of course.

    But in St Aubyns capable hands it is evident that words do mean a lot: they mean everything. He chooses his words with utmost care, he is able to paint a whole character in just a few words. I quote: ‘”Oh, dear, how unfortunate,” said Mrs Wo, with a perfectly judged laugh.’ With this ‘perfectly judged laugh’ St Aubyn instantly invokes a whole personality.

    As in his other novels, in Lost For Words the cynicism is kept in perfect balance by humor and compassion. And in the end, when you look behind, or through, all the words, you could argue that the novel, so rife with cynicism, ends in an ode to love. Which is one of the many reasons St Aubyns books are so dear to me: ultimately, intellect and love seem to be able to offer some sort of way out from under the dark shadows of the past.

    Many authors will, on occasion, thank their translators for all their hard work. But I would like to thank you, Teddy, for your books give me months and months of gratification, and make me understand life just a little bit better.

  • 09 mei 2014

    F. Starik tipt

     

    F. Starik las De schelmenjaren van Martin Bril van Astrid Theunissen en was ontroerd. Zijn tip: lees daarnaast ook Dirk van Weelden’s Het laatste jaar, een minstens even liefdevol en pijnlijk verslag van de vriendschap tussen de literator en de zakenman. Move the product!

    Een soepel geschreven portret van de in 2009 aan kanker bezweken meestercolumnist, de man met het grote talent voor zelfhaat. Het is voor mij natuurlijk ook een generatiedingetje, de Amsterdamse scene van de jaren tachtig en daarna, hongerige kunstenaars, die deels doorbraken en deels ten onder gingen, de Bril die je kende en die zich niet liet kennen – a trip down memory lane. Sappige anekdotes volop. Wat ik bijvoorbeeld niet wist, is dat de man nooit rijles heeft gehad, dat hij zichzelf heeft leren autorijden, in de tijd dat je in Amerika een rijbewijs kreeg uitgereikt als het je lukte op een parkeerplaats tussen twee paaltjes door te rijden zonder te botsen. En dat lukte.

    theunissen-bril-2014

    Ik las het boek in de trein uit, terugkerend van een avond waar ik moest optreden en ik had aan het eind moeite mijn tranen voor mijn medereizigers te verbergen. De man die alles kreeg maar chronisch ontevreden bleef.

    Eindelijk thuis schreef ik mijn lief: ‘Het duurde allemaal weer verschrikkelijk lang. En toch geniet ik ervan. Een beetje beroemd en de belangrijkste man van de bijeenkomst te zijn, ik zeg het maar eerlijk… daar zit toch wel een Martin Bril-achtig dingetje, met dit verschil: ik ben gelukkig. Met mijn werk. Met jou. Hij was dat niet. Niet met jou en niet met zijn werk, niet met zichzelf, niet met zijn vrouw, nooit. Beklopt en geprezen te worden, nagestaard en aangesproken: ja, dat vind ik toch ook fijn. Noem mijn naam. Bevestig mijn bestaan. Die eeuwig terugkerende opmerking van mijn moeder: “Dat het nu eindelijk toch echt iets met jou begint te worden”. Een man die er toe doet te zijn. Zo’n man. Met al zijn zwakheden, die hem alleen maar sympathieker maken, van een zekere afstand, that is.’

    Dit is niet echt een citaat, ik wil alleen de schijn van openheid wekken. Het gaat allemaal om herkenning, en de mensen herkennen je pas als je bekend bent: het is een cynisch, zielloos mechanisme, waar mijn generatie zich maar moeizaam bij heeft neergelegd. Bril was daarin een pionier, een voorbeeld, een held van onze tijd.

    F. Starik

  • 08 mei 2014

    Tip: Schrijver van de Week

     

    Keke Keukelaar is een van onze huisfotografen en gespecialiseerd in het schieten van schrijversportretten. Op haar Facebook-pagina post ze sinds kort iedere week de Schrijver van de Week, een reeks prachtige portretten. De schrijver van deze week is Remco Campert, die vanavond voordraagt in een bijna uitverkocht Stadsarchief rond het thema liefde en ouderdom. Klik hier voor meer informatie. Klik hier om naar Kekes website te gaan.

    Remco Campert

  • 07 mei 2014

    Over ouder worden en liefde

     

    Tot en met 28 mei 2014 is de tentoonstelling Over ouder worden en liefde met foto’s van Bert Nienhuis van bekende Amsterdammers toen en nu te zien in het Stadsarchief te Amsterdam. Onder de geportetteerden zijn enkele prominente Nederlandse schrijvers en dichters. Op donderdag 8 mei zullen verschillende van hen, te weten Remco Campert, Mensje van Keulen en K. Schippers, op uitnodiging van stadsdichter Anna Enquist en SLAA voordragen uit eigen werk. De onderwerpen van hun gedichten sluiten aan bij het thema van de tentoonstelling: liefde, ouderdom, het verstrijken van de tijd en het vastleggen ervan en over de stad Amsterdam. Bert Nienhuis wordt geïnterviewd door Anna Enquist, die zelf ook voordraagt uit eigen werk.

    Hieronder staan de toen-en-nu portretten van Anna Enquist, Remco Campert, Mensje van Keulen en K. Schippers, vergezeld door teksten van de auteurs.

    Anna Enquist (c Bert Nienhuis)

    Weerzien

    Hoe de mensen, hoe deze mensen, hoe
    een man en een vrouw na jaren elkaar –
    hoe na jaren deze mensen elkaar zullen
    zien, harnas van vroeger over het sleets
    lichaam, hoe in hun botten moeheid
    en deceptie jaar na jaar kerven.
    Hoe mensen, door afscheid op afscheid
    gestriemd en geslagen, het kijken
    verdragen in de laatste smalle kier
    die de tijd hen laat, in laat licht
    ontluisterd. Dat ligt aan de ogen;
    genadig wrikt tovenaar geheugen
    aan de deur van de tijd; ontzien
    in het zien (weggeblazen heupen,
    dood haar). Die daar staan ont-
    staan voor elkaar bedrieglijkerwijs
    in vijvers van vroeger. Zij bieden
    elkaar een diep water, hier.

    Zo zien een man en een vrouw na
    jaren elkaar of niet of anders. Vuur

    - Anna Enquist (Uit: Een nieuw afscheid, De Arbeiderspers)

    Remco Campert (c Bert Nienhuis)

    Een oud geluid

    Het is weer het oude geluid:
    hij zit zich te vervelen
    moet ik dit horen?
    zelfs de lezer die ergens in mijn hoofd meeleest
    wendt zich korzelig af
    je vervelen doe je maar als je veertien bent
    dan heb je recht op verveling
    desnoods tot op het desperate af

    nu op zijn tachtigste heeft het leven
    hem dat recht uit handen gespeeld
    die luie luxe is hem niet meer toegestaan
    in deze wereld
    waar zelfs het schraalst bamboefluitje
    van het armoedigste vuilnisbeltkind
    nog muziekmaakt

    - Remco Campert (Uit: Een oud geluid, De Bezige Bij)

    K. Schippers (c Bert Nienhuis)

     

    No, no Nanette

    Tea for two heeft voor de oorlog
    iets voor mijn vader gedaan.
    En ook voor mij.
    Hij liep langzaam om
    het langer uit een huis
    te kunnen horen
    en miste zo lijn 2.
    In de volgende zat mijn moeder.

    - K. Schippers (Uit: Een klok en profil, Querido)

    Mensje van Keulen (c Bert Nienhuis)

    Klik hier voor meer info over dit programma. Al overtuigd? Bestel hier kaarten.

  • 05 mei 2014

    Edward St Aubyn leest voor uit Lost for Words

     

    9 mei verschijnt in Nederland de vertaling van Lost for Words (Met stomheid geslagen, uitgeverij Prometheus, vertaald door Nicolette Hoekmeijer). Hieronder kun je alvast even genieten van het heerlijke ultra-Brits van Edward St Aubyn (Teddy voor vrienden). Volgende week, 12 mei, een hele avond van dit prachtigs!

  • 02 mei 2014

    Nieuws: Boektrailer nieuwe roman van Christine Otten

     

    15 mei verschijnt de nieuwe roman van Bijlmer Boekt! en Noorderwoord-presentator Christine Otten. Bij wijze van teaser hier deze kekke boektrailer:

    De Brabantse kapster Winny en de Tunesiër Nizar worden verliefd en trouwen. Ze wonen in Tunesië en verwachten een kind. Dan breekt de Jasmijnrevolutie uit en is het oorlog in hun buurt. Winny vertrekt naar Nederland om te bevallen. Intussen sluit Europa de grenzen voor immigranten uit Noord-Afrika. Maar Nizar wil koste wat het kost bij de geboorte van zijn kind zijn en met gevaar voor eigen leven probeert hij via Lampedusa naar het noorden te ontkomen.

    Rafaël is het waargebeurde verhaal van twee geliefden die er alles voor overhebben om bij elkaar en bij hun kind te zijn. Een spannend en actueel boek over grenzen, dromen, wilskracht – en liefde die regels, landsgrenzen en zelfs gevangenismuren overstijgt.

  • 01 mei 2014

    Downton Abbey in New York

     

    Dit is een artikel van Katja de Bruin voor de VPRO.

    In veel opzichten kan Edith Wharton de Amerikaanse opvolgster van Jane Austen worden genoemd. Ze bleef haar leven lang een onverbeterlijke snob met een perfect afgestelde sociale antenne.

    Als klein meisje droeg Edith Wharton een manteltje van zeehondenbont, en at ze in champagne gekookte ham die afkomstig was van varkens die met perziken gevoerd waren. Ze groeide op in het soort milieu waarin de heren men of leisure waren; mannen die nooit een dag in hun leven hoefden te werken. Terwijl  zij een hert schoten of een sigaar rookten in de bibliotheek, reden hun echtgenotes de hele dag in koetsjes rond om bezoekjes af te leggen of op z’n minst een kaartje af te geven.

    Het was het soort leven dat Edith, zo klein als ze was, nooit hoopte te gaan leiden, maar waar ze eenmaal volwassen maar al te graag over schreef. Wie probeert uit te leggen wat voor soort schrijfster Wharton was, komt algauw terecht bij Henry James, maar aangezien die ook niet meer gelezen wordt, is Downton Abbey in New York waarschijnlijk een betere aanbeveling.

    (meer…)

  • 25 april 2014

    Boek van de week

     

    Elke vrijdag geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip om het weekend mee door te komen. Deze week: De necrofiel van Gabrielle Wittkop (Uitgeverij Van Gennep).

    Ik houd niet van de dood en andere gruwelijkheden. Ik heb niets met boeken over verboden onderwerpen zoals bijvoorbeeld Lolita van Nabokov. Ik kijk niet graag naar shockdoc’s over mensen met vieze hobby’s, maar toch kon ik deze titel niet weerstaan.

    De necrofiel is een schandaalroman uit 1972. Nu, zo’n veertig jaar later, is hij pas voor het eerst in het Nederlands vertaald. In een wereld waar niets meer lijkt te shockeren, weet Gabrielle Wittkop lezers mee te nemen in het honderd bladzijden tellende dagboek van een necrofiel. De zinnen zijn zo poëtisch dat de macabere handelingen van het personage op echte liefde lijken.

    ‘Ik kan geen mooie vrouw of aantrekkelijke man zien zonder haar of hem meteen dood te wensen.’

    Dit is de tragedie van een antiquair, die alleen maar kan genieten van de geur van zijdevlinders. Een man die blauwbleke huiden streelt, verlangt naar starre blikken en onbewogen lippen. Hij heeft de doden lief. Of het nou vrouwen, mannen of kinderen zijn, het maakt de Parijse Lucien niet uit, zolang zijn geliefden maar overleden zijn.

    Midden in de nacht haalt hij de doden uit hun slaap, kust met ze in verlaten straten en neemt ze mee naar zijn appartement waar ze allemaal worden bemind. Maar niet voor lang, want telkens weer moet Lucien afscheid nemen. Geen geliefde kan hij bij zich houden, omdat het lichaam op den duur ontbindt. Wanneer de geur van zijdevlinder is vervlogen, moet hij op zoek naar een nieuw lijk om op te graven. Een nieuw lichaam om van te houden dat diep onder de grond ligt bewaard.

    Het dagboek is niet voor de lezer bedoeld, staat op de eerste pagina geschreven. Maar wie de moeite neemt het toch in te zien, heeft een meesterwerk gelezen.

    Door: Lauranne van Grinsven

    De Necrofiel

    Gabrielle Wittkop
    De Necrofiel
    Uitgeverij Van Gennep
    Vertaling: Hester Tollenaar
    € 9,90
    92 pagina’s

  • 24 april 2014

    De desillusionist

     

    Imagine a family like the Downton Abbey clan gone bad.

    Eind twintigste eeuw, het geld is op, het landgoed verkocht, een vader die zijn vijfjarige zoon verkracht uit verveling. Een moeder die zich gestort heeft op de New Age-beweging, een drugsverslaving en een huwelijk dat uit elkaar valt. Wat is er dan nog over? Een personage genaamd Patrick Melrose uit de befaamde Melrose-reeks van Edward St Aubyn.

    Op de website van The Atlantic staat een mooie en informatieve recensie over zijn nieuwste roman Lost for Words (in het Nederlands Met stomheid geslagen) waarin ook dieper ingegaan wordt op St Aubyns meesterlijke Melrose-reeks. En hoe de begaafde woordkunstenaar Edward St Aubyn net als enkele van zijn personages soms lijkt te verlangen naar gedachten die zo puur zijn dat ze geen woorden nodig hebben, dat hij wordt bevrijd van het talige, het cerebrale.

    Klik hier om het hele artikel te lezen.

    Op 12 mei is Edward St Aubyn exclusief te gast bij SLAA in de Tolhuistuin. Tijdens dit avondvullende programma rondom de Brit, zal schrijver en journalist Joost de Vries Edward St Aubyn interviewen. Ook vertaalster Nicolette Hoekmeijer is aanwezig en spreekt over het werk van Edward St Aubyn en zijn nieuwe boek, Met stomheid geslagen, dat vanaf 9 mei in de winkels ligt. Voor meer informatie: klik hier.

  • 24 april 2014

    Nabørrelen

     

    SLAA gaf op 18 mei een housewarming in de Tolhuistuin. Een børrel voor vrienden, bekenden en relaties om onze nieuwe stek te bewonderen in Amsterdam-Noord.
    Foto’s: Bianca Sistermans

  • 23 april 2014

    Bij nader inzien

     

    Maandelijks besteedt SLAA aandacht aan het veronachtzaamde boek. Een boek dat al enige tijd op de markt is, maar niet de bestseller is geworden die het volgens ons verdient te zijn. De manier waarop we je overtuigen van de kwaliteit van het boek is uiterst simpel. We plaatsen een fragment uit het boek online, zodat je zelf kunt oordelen. Deze maand: Mensen in de zon van Marijke Schermer (Uitgeverij Van Oorschot).

    Hij spoelt een paar rogvleugels af, snijdt de peterselie fijn en legt zijn mes exact langs de lijn die de schaduw van het kozijn op het aanrecht maakt, alsof hij daar zojuist het zonlicht heeft afgesneden.

    Vik

    Hij moet acht jaar oud zijn geweest want hij zat in de derde klas, de klas waar je in zat in het jaar dat je negen werd, en het was winter. Hij voelde zich voor het eerst autonoom, volwassen, in de betekenis die hij daar en toen begreep als: onafhankelijk, in staat beslissingen te nemen met kennis over hoe de dingen in elkaar steken – en met dingen bedoelde hij dan uiteraard geen dingen maar wel Belangrijke Zaken. Hij voelde dat hij tot grote daden in staat was. Hij wist dat hij dat aan de volwassenen om hem heen niet zou kunnen uitleggen, dat ze hem hoe dan ook niet zouden geloven, dat ze hem zagen als een kind en verder niets. Hij maakte daar, op zijn achtste, met zichzelf de afspraak dat hij zich dat moment en dat gevoel voor altijd zou herinneren. Hij was woedend geweest op de meester die hem opgedragen had een kleurplaat te maken omdat hij klaar was met zijn werk. Een kleurplaat! Hij was acht! Hij was geen baby. Hij keek uit het raam van het klaslokaal naar de stapel bielzen in het plantsoentje naast de school, dat de belachelijk overdreven titel Toren van Babel had, en dat kort daarvoor zogenaamd feestelijk onthuld was op een doordeweekse namiddag in de motregen. Hij keek naar die Toren van Babel, naar de rijtjeshuizen aan de overkant van de straat, naar de kleurplaat, naar de brave vlecht van het meisje voor hem. En hij voelde zijn hart en zijn hoofd groeien en groeien en te klein zijn voor zijn leven; hij wilde ruimte! Ruimte om te vullen, ruimte om grote dingen in te bewerkstelligen. Het was het eerste moment dat hij bewust was, dat hij werd overspoeld door een combinatie van geldingsdrang en levenslust. En hij was de belofte aan zichzelf nagekomen: hij had zich dat moment altijd herinnerd. En het is inderdaad dankzij die vulkanische drift dat hij grootse dingen heeft gedaan: boeken geschreven, films gemaakt, twee keer een bedrijf begonnen, geld verdiend en geld verloren, een drugs- en alcoholverslaving ontwikkeld, en ook weer overwonnen. Een scheppende kracht die hij nu echter al zo lang niet meer heeft gevoeld, dat de gedachte eraan hem een gevoel van verschrikkelijke heimwee geeft.

    (meer…)

  • 22 april 2014

    Het genre-debat

     

    Was Jane Austen zich ervan bewust dat ze literatuur schreef? Onzin, zo stelt Elizabeth Edmondson in The Guardian: Austens werk werd pas door het nageslacht geclassificeerd als literatuur.  Literaire fictie is volgens Edmondson louter een marketingterm. Lees hier het gehele stuk.

    jane austen

  • 21 april 2014

    BØrrelpraat

     

    Vrijdag 18 april gaf de SLAA een borrel voor vrienden, bekenden en relaties om hen kennis te laten maken met onze nieuwe stek in de Tolhuistuin. Bij deze gelegenheid sprak Daphne de Heer de volgende woorden tot de verzamelde aanwezigen.

    Lieve vrienden en bekenden van de SLAA,

    Welkom op deze SLAA borrel, welkom in de Tolhuistuin, onze nieuwe standplaats. De zinnen die ik nu ga uitspreken bevatten vaak het woordje ‘we’, en voordat ik verder spreek wil ik jullie heel graag voorstellen aan de mensen namens wie ik ook spreek. Dat zijn Maya Shamir, programmamanager, Esther Kuijper, producent en Lauranne van Grinsven, onze stagiaire.

    We hebben ons verplaatst, van het Leidseplein, het epicentrum van de gehaaste, verdwaalde, verdwaasde stadsmens, naar de overkant van het IJ: Amsterdam-Noord, een plek die voelt als een belofte.
    Hier aan de oever noemen ze het de goudkust: de gebouwen om ons heen worden bevolkt door creatieve gelukszoekers. De aarde trilt hier zachtjes onder de naderende niet te stuiten explosie van kunst en bedrijvigheid die op komst is.
    Het ruikt hier anders, het voelt hier anders. Waar men in het centrum al jaren in de weelde van culturele en commerciële voorspoed leeft, plant men hier nog zaadjes in de hoop iets moois te oogsten dat ook afstraalt op de rest van de buurt.
    Aan de overkant zien we een stad vol verhalen, geen straat of plein waar de welbelezen mens geen scène uit een roman of gedicht bij kent. Hier in Noord, maar ook in West en de Bijlmer beginnen die verhalen langzaam vorm te krijgen. De romans van de toekomst, de poëzie van de toekomst, spoken word van de toekomst: hier staat de pen nog op papier, de schrijver tuurt nog naar braakland; de straatjes, parken en pleinen, de bewoners, oude en nieuwe, wachten nog op een stem die hun wereld zal verwoorden.

    Aan de overkant daarentegen krioelt het van de schrijvers, de verhalen, de evenementen, de kroegen vol voorleesavonden. Er is in vijf jaar tijd hier in Amsterdam meer veranderd in het literaire landschap dan in de twintig jaar ervoor; we zouden dit met wat gevoel voor dramatiek De Eerste Grote Bloeitijd van het literaire evenement kunnen noemen. Nooit eerder werden schrijvers en literaire evenementen zo omarmd door het culturele leven, de media, door jongeren, door de hippe voorhoede, kortom door groepen die voorheen niet altijd aansluiting vonden bij een avondje literatuur. Er is al veel over dit fenomeen geschreven: literaire avonden zijn in, we genieten met een campari-soda in de hand van getapte jonge schrijvers die iets voorlezen, en na afloop genieten we van elkaar tijdens de afterparty.
    Voor je het weet vind je jezelf terug in een Centerparcs-vestiging in Flevoland waar een aardige mevrouw van Eenvandaag je probeert de diepte in te sleuren over een programma dat je een halfjaar later al niet eens meer maakt en heb je iets staan vertegenwoordigen wat je geworden bent in weerwil van jezelf. Het feit dat literaire avondjes hip zijn, verandert misschien de manier waarop mensen naar je programma’s kijken, maar het verandert de SLAA niet. En om even een persoonlijke noot toe te voegen: hip, lieve mensen, jullie hadden het allang door: ík ben het niet.
    Geen idee hoe jullie ooit tot de literatuur gekomen zijn (daar gaan we het straks over hebben wat mij betreft), maar bij mij ging het helemaal op de old skool manier: inspirerende leraar, boekenkast ouders, bibliotheek. Ik heb van mijn zestiende tot en met mijn negentiende alleen maar in de bibliotheek gezeten. Na school, na het eten, en dan weer lezen, in bed, voor school. Ik schaakte in die tijd ook nog. Dat deed ik in de weekenden. Ik las, ik schaakte. Maak je geen zorgen: die rugklachten zijn er gekomen.
    Ik vond knipselmappen de mooiste uitvinding die er bestond (het internetsurfen van toen), ik hield in een dik schrift alles bij wat ik had gelezen. Ik had twee vrienden. Niemand om me heen hield van lezen. Mijn ouders verwarden mijn leesdrift met studiedrift. Ik bleef zitten. Ik bleef bijna weer zitten. Maar het maakte allemaal niet uit, ik kon lezen, ik kon de wereld lezen, ik kon mezelf lezen, ik kon liefde lezen, ik kon dood lezen, ik kon nieuwe woorden lezen, ik kon onbegrijpelijke woorden lezen, ik wist: nu heb ik een vriend voor het leven.
    Er volgde een studie, nog meer lezen, en ook iets meer leven, dat werd ook wel tijd. Maar alles wat ik deed, iedereen die ik leerde kennen, elke verliefdheid die me te pakken kreeg, was geankerd in lezen. Ik kan geen herinnering tussen mijn zestiende en 26e oproepen die niet gelinkt is aan een boek of een gedicht.

    Terwijl ik dit opschrijf zie ik de persoon van toen smalend kijken naar de persoon van nu. Daar sta je dan. Met je stichting. Met je geworstel met geld en politiek, met volle of juist lege zalen, met je schrijvers, met je visitekaartje en je riante kantoor met een balkon op het zuiden, met je eindeloze reeks leuke maar vage kennissen en het gebrek aan tijd voor je echte vrienden, met je collega’s die af en toe gek van je worden, met je gebrek aan tijd om te lezen, met je geborrel en je genetwerk…
    Met je Amsterdam-Noord.

    Nee, met zulke jongere versies van jezelf heb je geen vijanden meer nodig.
    Inderdaad, soms is dit werk ver verwijderd van de leesliefde waar het ooit mee begon. Maar even voor de goede orde, dit werk gaat over veel, maar niet over mij.
    Eigenlijk was dit alles één lange opmaat om met jullie te delen wat dit werk, bij deze stichting met die onmogelijke naam zo ongelooflijk de moeite maakt.
    De anderen.

    De anderen, kortgezegd: dat zijn jullie. De hier aanwezigen.
    Dat zijn in de eerste plaats: de schrijvers. Behalve het feit dat jullie schrijven zou ik verder geen generaliserend woord over jullie kunnen zeggen. Juist daarom is het al jaren een feest om met jullie te werken en krijgen we elke keer weer op onze eindeloze reeks liefdevolle verzoeken om een bijdrage aan een van onze programma’s een verscheidenheid aan persoonlijke antwoorden, excuses en beleefd geformuleerde leugentjes terug.
    De mooiste en dierbaarste programma’s zijn ook vaak degene die we samen met een schrijver maken. Ons hart springt altijd op wanneer een schrijver met een mooi idee komt: de Hotel van Hassel-programma’s rond het korte verhaal met Sanneke van Hassel en Ditte Pelgrom zijn elke keer weer een uitputtingsslag die in de eindronde alle trainingsuren goedmaakt. De reeks 5kwarts waarin we jonge schrijvers vroegen hun eigen programma samen te stellen was de vrolijkste reeks ooit om te maken, want elke schrijver maakte er in de creatieve zin des woords zijn eigen feestje van. Oek de Jong entameerde vorig jaar samen met ons en De Balie een driedelige reeks over De toekomst van de roman. Een reeks zonder einde, en mocht dat einde er toch komen dan neemt de relevantie natuurlijk meteen met factor 100 toe.
    De dag dat Christine Otten op ons pad kwam met haar onstuitbare energie en ongelooflijke overredingskracht is er een die de SLAA zeker in zijn nog te publiceren memoires moet opnemen: uit deze oerknal ontstonden Bijlmer Boekt! en Noorderwoord, programma’s die vanuit zo’n diepdoorvoelde urgentie en passie zijn gemaakt dat ze vanaf dag 1 volle zalen trokken in het Bijlmer Parktheater en Theater Het Zonnehuis i.s.m. De Theaterstraat hier in Noord.
    Voor het najaar staan er twee grote projecten met twee grote geesten op stapel: een verkenning van de literatuur in de stad met theatermaakster Merel de Groot en een onderzoeksprogramma naar het wezen van de voordracht met dichteres Tjitske Jansen.
    Ik kan niet genoeg benadrukken hoe ongelooflijk veel plezier wij eraan beleven wanneer jullie naar ons toekomen met ideeën, blijf dat doen, want jullie creatieve inbreng maakt onze programmering altijd mooier. Wij bieden jullie met alle liefde een podium om iets te proberen, om iets te bestrijden, om iets uit te vechten en om iets uit te vinden.

    Op de tweede plaats: de fantastische cultuurpaleizen van Amsterdam.
    De SLAA is een stichting zonder huis, dus voor elk programma moeten wij onderdak zien te vinden. Tot onze grote vreugde zijn er in Amsterdam ontzettend veel leuke opvangtehuizen, die al dan niet tegen een kleine vergoeding hun zalen beschikbaar stellen. Vaak zijn ze veel meer dan een verhuurbedrijf: het Bijlmer Parktheater, Podium Mozaïek, Melkweg, De Balie, De Rode Hoed, Tolhuistuin, zijn zoveel meer dan een zaalverhuurder: met de mensen die er werken hebben we langdurige en intensieve samenwerkingsbanden opgebouwd, we versterken en stimuleren elkaar inhoudelijk en op de avonden zelf merk je ineens de toegevoegde waarde van een gemengd team dat meedenkt en literatuur graag een plaats in zijn huis geeft. We voelen ons welkom en gewaardeerd dankzij jullie.

    En op de derde plaats: de categorie betekenisvolle overigen.
    Daar valt nogal wat in. Van technici tot barpersoneel, van fotograaf tot boekhouder, van gemeenteambtenaren en fondsmedewerkers tot bestuursleden, zij vormen allen de onmisbare steunbalken waarop een relatief kleine organisatie als de SLAA leunt.
    Ook de losvaste al lang niet meer als zodanig functionerende denktank van de SLAA zorgt voor verrijkende input. Ze bestaat uit een groep mensen die in principe allemaal andere dingen doen, maar met wie één keer per jaar vier glazen sauvignon drinken vaak meer oplevert dan twee weken in een hutje op de hei zitten.
    Uitgeverijen en boekhandels. De een maakt boeken, de ander verkoopt ze, en ergens daartussen bevinden wij ons. Ik wilde iets metaforisch zeggen over geboortekanaal, darmkanaal, maar dat kwam zo lullig uit voor de boekhandel.

    Ja, en dan die nieuwe huisstijl. Ik moet oppassen dat ik niet de hele dag verliefd naar de nieuwe website zit te staren. Vanaf de dag dat we met ontwerpbureau Dog and Pony in zee gingen, wisten we dat we er in elk geval een beetje verzorgd bij lopen. Met dit nieuwste ontwerp, waarin u als lezer op dit moment te gast bent, hebben we het gevoel dat inhoud, plek en uitstraling helemaal samenvallen. Ik wil Karen Rosink van Dog and Pony die dit alles ontworpen heeft, en de man die alles technisch in elkaar gedraaid heeft, Marten Timan, namens ons team heel erg bedanken daarvoor.

    Tot slot dit. We zijn hier samen met vrienden en bekenden van de SLAA, en dat voelt als een warm bad. Daar op de bar staat een houder met drie vriendenboekjes en een mooie pen aan een touwtje. In dat boekje mag je alles kwijt wat je wilt: commentaar, nieuwe ideeën, je lievelingskleur, of -dier, wat je maar wilt. Maar ik stuur natuurlijk op iets anders. Ik bevind me op dit moment tussen de literatuurkenners, liefhebbers, schrijvers, kortom ik sta hoe dan ook voor eigen parochie te preken; een hartverscheurend verhaal over de duizelingwekkende betekenis van Literatuur hoef ik hier niet te houden, een melodramatische rede over de kwetsbare positie van instellingen als de SLAA haalt de sfeer er ook meteen lelijk uit. En ik wil best een dansje voor je doen als je de portemonnee trekt, of een exclusieve rondleiding door mijn mailbox geven, maar hoe je het ook wendt of keert: er was, is en zal altijd maar één legitieme reden blijven om je als vriend te committeren aan een club: gewoon omdat je die club leuk vindt, omdat ze dingen doen waar je blij van wordt, omdat je het echt en oprecht jammer zou vinden als die dingen niet meer zouden bestaan, omdat je wilt bijdragen aan de programma’s die we maken.
    We hebben naast de vriendenboekjes mooie, gloednieuwe foldertjes liggen, natuurlijk bij de bar, anders weten jullie ze alsnog te negeren.
    Maar los van dit alles staat het ware kapitaal van de SLAA hier vandaag verzameld voor mij. We vinden het een ongelooflijke eer om al die mensen waar we al jaren mee samenwerken hier vandaag bij elkaar te hebben, hier in Noord ons nieuwe huis, waar we jullie nog heel vaak hopen te ontvangen. Bijvoorbeeld 12 mei wanneer we ons eerste programma in het paviljoen hebben en de Britse schrijver Edward St Aubyn te gast is.

    Ik dank jullie voor jullie aandacht en komst.

    Daphne de Heer, 18 april 2014

  • 18 april 2014

    Boek van de week

     

    Elke vrijdag geeft de SLAA u een geheel subjectieve leestip om het weekend mee door te komen. Deze week: En de zon komt op en 53 andere verhalen van Anatoli Gavrilov (Uitgeverij Douane).

    ‘U kent de oude Russen, niet de nieuwe. Ten onrechte,’ zo schrijft Uitgeverij Douane ter inleiding op haar Nieuwe Russen-reeks. Die bewering is wat betreft het werk van Anatoli Gavrilov, dat nummer 4 van deze reeks vormt, in elk geval gerechtvaardigd. Gavrilov (1946) groeide op in de industriële havenstad Marioepol en woont nu in Vladimir, 200 kilometer ten oosten van Moskou. Hij werkte lange tijd als telegrambezorger en rondde in 1978 ‘s lands meest geachte schrijfopleiding aan het Gorki Instituut af. Zijn productie is laag en zijn verhalen zijn kort, meestal slechts één tot twee pagina’s. Ook zijn schrijfstijl is op het eerste oog beknopt. Toch liggen zijn verhalen met regelmaat zo zwaar op de maag dat dit geen bundel is die je in één ruk uit kan lezen. Zoals uitgever en vertaler Arie van der Ent het in een interview met shortstory.nu formuleert: ‘je moet ervan houden en je gaat ervan drinken, als je niet heel erg uitkijkt’.

    In elk verhaal weet Gavrilov binnen enkele zinnen een sfeer te schetsen, een wereld te creëren. Op afstandelijke, haast achteloze wijze beschrijft hij de meest schrijnende situaties en verweeft daar een subtiel en donker soort humor in. Gaandeweg beschrijft hij niet alleen de uitzichtloosheid van het Russische plattelandsleven, maar van het menselijk bestaan in het algemeen. Desondanks koesteren veel van zijn personages een vage hoop op ‘iets beters’, een kans, een uitweg, en formuleert Gavrilov uit naam van veel van hen prachtige observaties van de natuur, de wereld en het leven. En hieruit spreekt uiteindelijk toch een vreemd soort liefde, ook van de schrijver, voor dat leven, hoe uitzichtloos en nutteloos het ook is.

    Door: Esther Kuijper

    Gavrilov

    Anatoli Gavrilov
    En de zon komt op en 53 andere verhalen
    Uitgeverij Douane
    Vertaling: Arie van der Ent
    € 18,50
    288 pagina’s

  • 17 april 2014

    Voorpublicatie: Edward St Aubyn

     

    In zijn nieuwe roman Met stomheid geslagen neemt St Aubyn de wereld van de literatuur zelf op de hak. Het verhaal concentreert zich op de perikelen rond de uitreiking van een belangrijke literaire prijs. We volgen de politicus die het juryvoorzitterschap enkel op zich neemt omdat hij denkt dat het goed is voor zijn carrière; de verschillende schrijvers en redacteuren die het bed delen met dezelfde veelbelovende schrijfster die hen regelmatig inruilt voor andere mannen; de tv-presentatrice die zich door de genomineerde romans heen worstelt en ondertussen aan haar eigen thriller schrijft; de literatuurwetenschapster die zich probeert te verzoenen met haar anorectische dochter; de schrijvende Indiase maharadja die ervan overtuigd is dat zijn meesterwerk de prijs gaat winnen: St Aubyn beschrijft het hele circus genadeloos.

    HET FRAGMENT:

    Na een voorstelrondje en woorden van welkom, ging de vergadering verrassend venijnig van start toen Vanessa gelijk de aanval inzette met de bespottelijke bewering dat Het paleiskookboek helemaal geen roman was. Hoewel Malcolm er nog niet toe was gekomen het te lezen, wist hij dat de gerenommeerde, gevestigde uitgeverij Page and Turner nooit een boek zou insturen dat geen roman was, en bovendien was het onwaarschijnlijk dat Jo het verschil niet zou weten tussen een roman en een kookboek. Jo dwong in ieder geval respect af door zich van het juiste jargon te bedienen.
    ‘Het verbaast me dat je de literaire kwaliteiten niet op waarde weet te schatten,’ zei ze tegen Vanessa. ‘Je beweert een expert te zijn op het gebied van hedendaagse fictie, maar als je een ludiek, postmodern, multimediaal meesterwerk onder ogen krijgt, zeg je heel naïef dat het helemaal geen roman is.’
    ‘Het ís geen roman,’ zei Vanessa, ‘het is een kookboek. Het heet Het paleiskookboek omdat het een kookboek is.’ Ze bromde wat, in een kinderlijk soort woede.
    ‘Het vertelt het verhaal van een familie,’ zei Jo, die bewonderenswaardig kalm bleef terwijl ze onder vuur lag, ‘aan de hand van voedsel. Wat is er uiteindelijk universeler dan de taal van voedsel?’
    ‘Inuit, Catalaans, Gaelisch, welke taal je godbetert maar kunt bedenken,’ zei Vanessa. ‘Voedsel is namelijk geen taal, voedsel is iets wat je eet.’
    ‘Je hoeft niet zo’n toon aan te slaan,’ zei Penny. Ze had haar buik vol van Vanessa’s getier.
    ‘Kennelijk wel,’ zei Vanessa. ‘Kennelijk moet ik wel zo’n toon aanslaan, aangezien ik mensen tegenover me heb die niet voor rede vatbaar zijn en die geen flauw benul hebben hoe ze een boek moeten lezen.’
    ‘Ik vond de chicken curry met limoen en kardemom echt géweldig,’ zei Tobias, die met zijn languissante charme de strijdende Amazones wist te ontwapenen. Onder zijn jas, die hij in een raamkozijn had gelegd, bleek hij een vervaald paars T-shirt te dragen, met een rafelige spijkerbroek en een paar afgetrapte cowboylaarzen.
    ‘Precies, dat bedoel ik,’ zei Jo. ‘Waar het om gaat is dat het werkt op een ‘realistisch’ niveau, terwijl het tegelijkertijd functioneert als het meest vermetele metafictionele werk van dit moment.’
    Uit lichte irritatie over het feit dat Tobias zo’n kalmerende uitwerking op de vrouwen had, voelde Malcolm hem onwillekeurig iets te fel aan de tand over de titels die dan volgens hem op de shortlist moesten komen. Tobias leunde achterover, streek het haar van zijn voorhoofd en keek strak naar het plafond, waarna hij zonder enige inleiding – behalve dat hij met een ruk overeind schoot en een theatraal handgebaar maakte – begon te declameren.

    Vertaling: Nicolette Hoekmeijer. Met stomheid geslagen verschijnt 9 mei 2014 bij Uitgeverij Prometheus.

    Op 12 mei is Edward St Aubyn te gast in de Tolhuistuin. Klik hier voor meer informatie.

    StAubyn-Met stomheid_geslagen

  • 13 april 2014

    Stadsgedicht

     

    Een stadsgedicht voor Ajax door Anna Enquist. 

    SALUUT

    De stad kleurt rood en alles stinkt
    naar bier. De spelers op het podium –
    uit IJsland, Diemen, Afrika – hebben gladweg
    en zeker recht op winst. Kruisbanden
    knapten, kunstgras schaafde wreed hun huid.
    De huurlingen gaan huiswaarts, het jeukt
    in elke spier. Nog staan ze hier, beduusd,
    blasé, of blij. Hun trainer stapt naar voren,
    staart onpeilbaar naar de vloer. Hij heeft
    bereikt wat hij voorzag, viermaal op rij.

    De dichter maakt een buiging voor de Boer.

    Anna Enquist, Huangshan, april 2014

  • 24 maart 2014

    Stadsgedicht

     

    Het derde stadsgedicht van Anna Enquist. 

    ROOD POTLOOD, BIJLMERWEIDE

    Hier, aan de stadsrand, wortelen huizen in weiland,
    kruipt de vijver rond het eiland, gedenken bomen
    fluisterend onze schaatsende kinderen, nestelt de uil.

    Meer dan een vale morgen was niet nodig om dat eiland
    zijn geheim te stelen, stuk te slaan, de stammen om te hakken
    en de karren vol te laden met het bloedend hout.

    – Zo zullen ze ook ons onaangekondigd komen halen
    op een doordeweekse dag. Geveld en weggestouwd –
    De blote bodem huivert. Wij, hoogopgeleid en kwaad,

    vertrouwen op de rede. Beleid dicht bij de burger, inspraak,
    overleg. Deelraad, gemeente, waterstaat? Een weerwoord
    in het stemhokje is alles wat ons rest. Ik stap opzij.

    Wie steekt een vinger naar ons uit, wie troost ons? Je kan
    de vijver met rood potlood dempen, maar wie redt
    de fuut die radeloos op zoek is naar haar nest?

    Anna Enquist

  • 18 maart 2014

    Stadsgedicht

     

    Gedicht van Anna Enquist voor de Openbare Bibliotheek. 

    HET BOEKENPALEIS

    Als Alexandrië, met uitzicht op het water;
    wie aanmeert levert in wat hij aan boord bewaart.
    Verzameling van alles wat in schrift bestaat; de gevel
    draagt een spreuk: ‘Plaats voor genezing van de ziel.’

    Stop met de herrie: voetstappen, een lied, gekraak
    van deuren. Kom erin en zwijg. Op lange planken
    staan, schouder aan flank, de opgeslotenen bijeen.
    Als je je mond houdt kan je hun gefluister horen.

    Ze lokken je vanuit kartonnen kaften, ze willen
    hun verhalen aan je kwijt, ze lonken met hun letters,
    vechten om je overgave – en onder die strijd hoor je
    hun hese wanhoop over de vergetelheid. De echo

    van Egypte trilt door elke kast: hoe lang nog
    tot de fakkeldragers komen, onder het banier
    van welke god? Nog niet. Nog even zijn de woorden
    balsem, zinnen de genezing voor je ziel.

    Anna Enquist

  • 18 maart 2014

    Noorderwoord Report

     

    De huiskamers in Amsterdam-Noord zijn net een kermis. Televisieschermen met felle kleuren, laptops en telefoons die filmpjes van vallende dieren afspelen. Ergens twee roze flamingo’s voor het raam. Onderweg naar het Zonnehuis staat een meisje van het Amsterdams Guerrilla Theater. Ze speelt theater voor kauwgum kauwend publiek. ‘Deze mensen komen normaal niet in het theater, dat zie je,’ zegt ze. ‘En zo hoop ik dat ze er toch iets van meekrijgen.’ 


    Het podium in het Zonnehuis is klassiek: hoog met rode gordijnen. Een bank, een lamp en een plastic eend zorgen voor een huiselijke sfeer. Het Zonnehuis is vanavond even geen buurtcentrum, maar de locatie voor de tweede editie van Noorderwoord.

    Christine Otten presenteert de avond. Ze leest voor uit Sal Santen, een schrijver die opgroeide in Tuindorp-Oostzaan. Daarna neemt Hanna Bervoets plaats op het bankstel. Ze heeft Lieve Céline geschreven, een boek dat zich afspeelt in Noord.
    ‘Waarom speelt het zich af in Noord?’
    ‘Gemakzucht, denk ik. Ik woon er namelijk zelf.’
    Hoewel haar leven enorm veranderd is sinds ze van het centrum naar Amsterdam-Noord is verhuisd, wil ze er nooit meer weg. Een geluid dat ik hoor bij veel Noorderlingen die vanavond aanwezig zijn. Het publiek is divers, jong en oud zit door elkaar.

    Cabaretière Kirsten van Teijn is een aanstormend talent in de theaters. Ze wordt in de Volkskrant omschreven als ‘een assertieve idioot met zelfrelativering’. Zelf zegt ze: ‘Ik ben het liefst een sukkel in mijn eigen show.’ En ze heeft gelijk, pas wanneer het lullig wordt, is het grappig.

    Na Kirsten roept Christine Otten, Lot Douze naar voren. De vrouw is eigenaresse van de goedlopende boekwinkel Over het water, in Amsterdam-Noord.
    ‘Je hoort wel eens dat Noorderlingen niet lezen,’ zegt Lot. ‘Maar dat is helemaal niet waar, alleen in Noord heeft niet iedereen geld voor een boek.’

    Acteur Frits Lambrechts voert een monoloog op, geschreven door Marije Uijtdehaage. Het stuk gaat over dokter Kwint, een bekende figuur in Tuindorp Oostzaan. Frits Lambrechts speelt alsof hij de inmiddels overleden dokter zelf is. Met liefde en vol overgave.
    ‘Wonen in Noord is wonen in een gemeenschap,’ roept hij. Zijn hoofd loopt rood aan er vliegen kleine klodders spuug in het rond.

    Als laatste staat Lamyn Belgaroui op het podium. Hij is de huisdichter van Noorderwoord en heeft ter plekke een gedicht geschreven over de avond. Hij vertelt over de boeken van Hanna Bervoets, die zijzelf haar kinderen noemt, maar waarvan ze de inhoud na een jaar steevast is vergeten, over Frits Lambrechts en de voorleeshoek van de bibliotheek in de Molenwijk. ‘En er zijn nog zoveel meer mooie verhalen in Noord,’ zegt Christine.

    Op donderdag 5 juni vindt een derde editie van Noorderwoord plaats in het Zonnehuis.

  • 17 maart 2014

    Essayette: Realisme Regeert

     

    Waarom ‘Mijn strijd’ van Karl Ove Knausgård gelezen wordt. Door: Circe de Bruin

    Ze liggen al een tijdje prominent in de boekwinkels: dikke pillen met een eenvoudige titel op de voorkant: Vader, Zoon, Liefde, Nacht. Tezamen de romancyclus ‘Mijn strijd’. De populariteit van Karl Ove Knausgårds romancyclus ‘Mijn strijd’ is komen overwaaien uit andere delen van de wereld. Via Amerika en het Verenigd Koninkrijk uit Scandinavië, waar het al geruime tijd gonst van de persoonlijke drama’s rondom de auteur en maatschappelijke vraagstukken over de privacy van zijn omgeving. Door het autobiografische karakter van Mijn Strijd is de aandacht voor het leven van de auteur een verleidelijke, en misschien wel productieve weg om te begaan. Vooral in Noorwegen ontstond kort na uitgave van de cyclus ophef over schending van privacy. The New York Times schrijft: ‘In Scandinavia […] many commentators saw Mr. Knausgaard as violating fundamental social norms.’ Want niet alleen Knausgårds eigen leven is gedetailleerd beschreven (‘I have given away my soul,’ zei Knausgård in een interview met The Guardianin 2012), ook zijn naasten worden met naam en toenaam op papier gezet. Ex-vrouw Tonje was om die reden niet blij toen het eerste deel van Mijn strijd in 2009 uitkwam. Ze geeft in een interview aan haar eigen verhaal te willen schrijven (Kari Hestamar: ‘Tonje’s version’). Voelde zij zich te dicht benaderd in het werk van haar ex-man? Juist omdat Knausgård zonder verbloemende metaforen en vergaande parallellen schrijft over zijn leven, komt de literatuur dichter bij het reële leven. Om een voorbeeld te geven: ‘[T]oen klapte ik de deksel van de wc omhoog, liet me op mijn knieën zakken, sloeg mijn armen om het porselein en spuugde met zo’n kracht een geelgroene cascade in het water dat het opspatte tot in mijn gezicht, maar dat deed er niet toe, niets deed er toe. Het was zo heerlijk het eruit te gooien, zo ongelooflijk heerlijk.’ (Nacht, p. 111)
    Het is deze stijl die Karl Ove Knausgård gebruikt, die ook stof doet opwaaien in Engeland (The Guardian) en de VS (The New York Times). Hoewel niemand daar direct betrokken is bij de door Knausgård beschreven situaties en gebeurtenissen, zorgen de herkenning van het eigen dagelijks leven in zijn boeken en de sensatie rondom de schrijver toch voor de nodige belangstelling en ophef. ‘A masterpiece’, is dan ook het oordeel van The Guardian. Waarom is deze vorm van literair realisme momenteel zo populair? Ik zal kort een paar mogelijke verklaringen voorleggen.

    Fictie en non-fictie lopen bij Knausgård in elkaar over, en dat boeit ons. Hij vangt met zijn woorden de personages op een manier waarop zij zich tentoongesteld voelen, en de buitenwereld leest en bestudeert de levensgrote tentoonstelling geboeid. De route naar het werk, een nietszeggend gesprek tijdens de lunch, het aantal geleegde bierglazen na een avond en de kater de volgende ochtend worden haarfijn beschreven, in het tempo van het leven, afgewisseld met persoonlijke overpeinzingen die tijdens de handelingen langskomen. Overpeinzingen die wij van onszelf ook wel kennen. Dat Knausgård dat in alle gedetailleerde precisie op papier krijgt waardoor het ‘net echt’ lijkt, heet literatuur. Het literair realisme viert hier hoogtij, en het brengt ons leven onder woorden zoals wij het vandaag de dag zelf leven.

    De rauwe, onopgemaakte taal bevalt ons, hedendaagse lezers, beter dan de impressionistische benadering die we kennen van de weinig uitgelezen autobiografie van Marcel Proust, waar Mijn strijd vaak mee vergeleken wordt. De stijlfiguren in dat werk laten de dagelijkse bezigheid lijken op een stromend beekje of een schilderij van Monet, een parallel waar we (te veel) creatief denkvermogen aan moeten besteden. En wat zeggen we met deze stijl eigenlijk over onszelf? Welke helderheid kan het ons over onszelf verschaffen?
    Knausgård ging een andere weg. In een interview met Anna Luyten vertelt hij dat hij de grenzen van het realisme wilde onderzoeken – maar zou dat niet een al te saai relaas worden? Nee. Het resultaat bleek niets weg te hebben van een droog logboek: het werd een pageturner waar je geen genoeg van kunt krijgen en die ondanks het grote aantal bladzijden goed verkoopt. Dit willen we lezen.

    Mijns inziens past de realistische autobiografie bij deze tijd. De tijd waarin we als individuen allemaal op zoek zijn naar identiteit, de woorden zoeken om die te benoemen. Dat is precies wat Knausgård doet, zijn ‘schaamteloze’ (Paris Review) zelfstudie is daarom interessant. Knausgårds romancyclus komt met het literair realisme dichtbij wat we kennen als de werkelijkheid. Het is eerlijk – want vol schaamtevolle details – zelfonderzoek zoals we dat graag zelf zouden kunnen. Door de openheid die Knausgård creëert wordt het unieke, feilbare aspect van het mens-zijn helder en schrijnend zichtbaar. Niet in opgesmukte zinnen van halve pagina’s met talloze metaforen en galmende beeldspraak die ver van ons af staan, maar simpel, in een taal die we allemaal spreken in het dagelijkse leven, waar je snel doorheen leest. Het realisme is een vorm dat zich daar bijzonder goed voor leent. Ik raad iedereen aan een deel van Mijn strijd ter hand te nemen, omdat meelezen in het leven van een ander ook kan leiden tot zelfinzicht. En dat willen we toch allemaal?

  • 12 maart 2014

    Stadsgedicht

     

    Het tweede stadsgedicht van Anna Enquist.

    TRIPTIEK VAN BACON IN DE NIEUWE KERK

    Ze vegen ons als vliegen van de muur, voorspelt
    de schilder droog. De ruimte is te groot hier;
    in het hoogkoor, achter glas, schreeuwt hij het uit.

    Bezoekers klitten samen in een nis. Een film –
    hij rommelt in een smalle keuken, een vagant
    die zich het liefste binnen nauwe muren sluit.

    Wat hem te doen staat elke dag: de gruwel
    vangen, wanhoop persen in een lijst. Hij weet zich
    van gemis dat hem leegvreet de gijzelaar.

    Ik zag een reuzenmeidoorn in de winter,
    schaamteloos, zijn bloesem vol van dood. Het mes
    komt onafwendbaar dichterbij, omhels het maar.

    Anna Enquist

  • 10 maart 2014

    Noorderwoord Report

     

    Door: Circe de Bruin

    Op 13 maart a.s. vindt in het Zonnehuis de tweede editie van Noorderwoord plaats. De eerste editie, afgelopen november, was strak uitverkocht en een groot succes. Onze stagiaire Circe de Bruin schreef voor de laatste kwartaalkrant een verslag van die eerste editie. Voor eenieder die nieuwsgierig is naar wat dat nu eigenlijk is, dat Noorderwoord, is haar verslag nu ook online te lezen.

    Op een donderdag in november sjouwen we in de middag banken, kamerplanten en gebreide lampenkappen van de Theaterstraat over het Zonneplein in Noord. Langzaam verandert de lege ruimte van het Zonnehuis in een gezellige huiskamer, aangevuld met rijen kleurige stoeltjes voor het publiek. De rapper probeert ondertussen samen met het Specie Trio de bühne uit, en zo zit de sfeer er ver voor aanvang al goed in.

    Om half acht druppelen de eerste gasten binnen, nieuwsgierig geworden door de gebeurtenissen op het plein, of misschien wel door een flyer in de bus, een weekend eerder. De Noorderling is in ieder geval niet ondervertegenwoordigd, iets waar wel voor gevreesd was aangezien er sceptische geluiden hadden geklonken over de combinatie van literatuur en Noord. ‘Lang heb ik gedacht dat literaire activiteiten en Amsterdam Noord niet samen gingen,’ schrijft Leo Willemse op het blog van de OBA.

    Om 20.00 uur stipt blijkt definitief het tegengestelde waar. De zaal zit propvol – verwachtingsvol geroezemoes, de geur van koffie, bijgeschoven krukjes voor de laatkomers – en de avond gaat van start. Christine Otten begint met wat de rode draad van de avond zal blijken te zijn: het arme arbeidersverleden van Tuindorp Oostzaan. Ze leest voor uit autobiografisch werk van Sal Santen. De zaal luistert doodstil, gevangen door de blik van een achtjarig jongetje dat vertelt over de verhuizing van de overbevolkte Pijp naar Tuindorp. Na dit ingetogen begin komt de schwung in de avond wanneer rapper en buurtbewoner Lamyn twee teksten brengt onder begeleiding van het Specie Trio.

    En zo volgt ook de rest van de avond, variërend van verstilde voorleessessies tot hilarisch cabaret. Suzanna Jansen vertelt openhartig over haar boek Het pauperparadijs. Niet alleen de inhoud ervan wordt besproken in het gesprek dat Christine met haar aangaat, maar ook haar ervaringen tijdens het voorafgaande onderzoek en het schrijven van het boek komen aan bod. Armoede in de familie bepaalt de levenshouding van vele generaties die volgen, vertelt Jansen ons. Dat zet aan het denken.

    Minder zware gedachten worden opgeroepen tijdens het cabaret van Nathalie Baartman. Gewapend met een plat Twents accent weet ze iedereen, niet alleen de lachers, op haar hand te krijgen. Ze praat met ons over hypotheken, het stadse leven en het kiezen van namen. Haar liedjes ontroeren, en ze weet zowel de stilte als het rumoer in de zaal te benutten. Groot applaus wanneer ze na tien minuten plaats maakt voor Christine Otten, die deze avond niet alleen gastvrouw is, maar ook zelf vertelt, over haar laatste roman Om adem te kunnen halen en over het arbeidersverleden van haar ouders. Het is een persoonlijk verhaal, met name over de relatie met haar vader.

    Zo is de avond al ver gevorderd als Marja Kok de monoloog speelt die Malou de Roy van Zuydewijn schreef aan de hand van een authentiek Noords verhaal. We horen over de liefde tussen Piet en Gonda in Tuindorp, bij velen in de zaal al bekend. Er wordt dan ook af en toe nadrukkelijk geknikt, en aan het einde klinkt een collectieve ontroerde zucht. Kok speelt overtuigend en achteraf hoor ik buurtbewoners mompelen: ‘Zo was het echt. Piet was een bijzondere man.’

    Huisdichter Lamyn dicht tot slot de avond aan elkaar met hartverwarmende woorden. ‘Je weet hoe ‘t gaat, soort zoekt soort. Ik heb de mijne gevonden bij Noorderwoord.’ Het Specie Trio zet in, en de naborrel begint. De goede sfeer blijft nog lang hangen in het Zonnehuis. Dat belooft wat voor de volgende edities!

  • 05 februari 2014

    Nieuwe stadsdichter: Anna Enquist

     

    Anna Enquist volgt Menno Wigman op.

    Zojuist is de nieuwe stadsdichter van Amsterdam bekendgemaakt: Anna Enquist volgt Menno Wigman op. Haar andere voorgangers zijn F. Starik, Mustafa Stitou, Robert Anker en Adriaan Jaeggi. Enquist is met deze benoeming de eerste vrouwelijke Amsterdamse stadsdichter. Twee jaar lang zal Enquist de stad, haar bewoners en belangrijke gebeurtenissen in de stad bezingen of becommentariëren. De stadsdichter is door het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum aangesteld, maar werkt onafhankelijk. De Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) is verantwoordelijk voor de backoffice.

    Anna Enquist (1945), die relatief laat debuteerde met de bundel Soldatenliederen (1991), heeft een enorme staat van dienst, als schrijver en als dichter. Met haar debuutbundel won ze meteen de C. Buddingh’-prijs, en met haar tweede bundel Jachtscènes de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Inmiddels heeft ze zeven bundels op haar naam staan, waarvan Nieuws van nergens de meest recente is. Enquist schreef in 2013 Een kooi van klank, het geschenk voor de eerste Poëzieweek.

    anna-enquist

    Enquists eerste optreden als stadsdichter vindt vandaag plaats tijdens het Gedichtenbal, om 21.30 uur in De Brakke Grond. Tijdens deze avond zal wethouder Andrée van Es scheidend stadsdichter Menno Wigman persoonlijk toespreken ter afscheid, waarna Roeland Rengelink, lid van het Dagelijks Bestuur Stadsdeel Centrum, over het belang van de stadsdichter zal spreken. Henk Spaan spreekt een laudatio uit voor de nieuwe stadsdichter.

    Hieronder volgt Anna Enquists eerste stadsgedicht.

    DE STAD HERBOREN

    Liggend ontwerpt hij het stadsdak, prent
    het patroon van bladloze takken tegen fel
    blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg

    nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
    en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
    een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

    schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
    en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit
    en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in

    met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
    de veegwagen, roept de lantaarns aan,
    verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.

    In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
    en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift
    een heldere lusthof ontstaan. In het park

    gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
    murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,
    hij en ik, door de takken van de plataan.

    Anna Enquist, stadsgedicht 1, januari 2014

  • 01 januari 2014

    Verhuisbericht

     

    Na 31 jaar kantoor gehouden te hebben in De Balie verhuist SLAA per 1 januari 2014 naar de Staalvilla in de Tolhuistuin.

    ​In 1982 werden SLAA en De Balie samen opgericht om een politiek-maatschappelijke én literaire debatfunctie in de binnenstad van Amsterdam te gaan vervullen. Door de jaren heen hebben er veel veranderingen plaatsgevonden, zowel bij De Balie als bij de SLAA, maar de twee instellingen hebben altijd met veel plezier samengewerkt en zijn van plan dit voort te zetten.

    De verhuizing naar de Tolhuistuin betekent voor de SLAA, naast een grotere werkruimte die in de toekomst ook als literaire ontmoetingsplek gebruikt zal worden, dat er artistiek een nieuwe koers wordt ingeslagen. Amsterdam-Noord is een broedplaats, er bruist van alles en in die storm aan energie ziet de SLAA ruimte voor nieuwe samenwerkingen en meer literair experiment: stof genoeg voor een mooie wisselwerking tussen de stad en de lezer. Vanzelfsprekend zal de SLAA, naast o.m. De Balie, De Melkweg, Podium Mozaïek, het Bijlmer Parktheater, De Rode Hoed, EYE filmmuseum, ook programma’s gaan maken in de Tolhuistuin zelf, zodra het paviljoen in 2014 opent. Daarnaast betekent deze verhuizing een meer organische samenwerking met het nieuwe literaire festival Read My World, dat jaarlijks in het tweede weekend van september in de Tolhuistuin plaatsvindt.

    Ons nieuwe adres vanaf 1 januari 2014:

    SLAA
    Tolhuisweg 1
    1031 CL Amsterdam
    Tel: 020-6221165

    De medewerkers van SLAA zien uit naar de toekomst in Noord!

  • 01 januari 2014

    Stadsgedicht

     

    DE STAD HERBOREN

    Liggend ontwerpt hij het stadsdak, prent
    het patroon van bladloze takken tegen fel
    blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg

    nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
    en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
    een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

    schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
    en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit
    en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in

    met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
    de veegwagen, roept de lantaarns aan,
    verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.

    In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
    en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift
    een heldere lusthof ontstaan. In het park

    gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
    murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,
    hij en ik, door de takken van de plataan.

    Anna Enquist, stadsgedicht 1, januari 2014

  • 21 november 2013

    Essayette

     

    Waarom een eenentwintigjarige Proust zou moeten lezen. Door: Circe de Bruin

    Het is niet in één zin uit te leggen, waarom je jezelf al op jonge leeftijd door het werk van Marcel Proust heen zou moeten worstelen. Ik zal ook zeker niet beweren dat het zevendelige geheel gelezen dient te worden. De eerste drie gebundelde delen volstaan: De kant van Swann. Ik zal kort vertellen waarom deze klassieker, dit meesterwerk, dit magnum opus ook boeiend is voor onwetende, half ontwikkelde, drukbezette jeugdigen zoals ondergetekende.

    Marcel Proust

    Het werk van de twintigste-eeuwse modernistische schrijver valt met gemak in de categorie van James Joyce’s Ulysses, De Toverberg van Thomas Mann en Lev Tolstoj’s Oorlog en Vrede: het zijn allemaal dikke, taaie pillen waarbij er in de structuur van de roman weinig aandacht is voor een spanningsboog. Daarnaast worden ze door alle ons voorgaande generaties geroemd en tot in den treuren aangehaald. Dat laatste kan ervoor zorgen dat je op een regenachtige zondagmiddag uit nieuwsgierigheid één van deze boeken openslaat. Waarna je na één zin al snapt waarom je leeftijdsgenoten je dat niet aanraden:

    “Om deel uit te maken van de ‘kleine kern’, het ‘groepje’, de ‘kleine clan’ van de Verdurins volstond één voorwaarde, maar die was dwingend: je moest stilzwijgend een Credo aanhangen waarvan een der artikelen luidde dat de jonge pianist die dat jaar Mme Verdurins beschermeling was en van wie zij zei: ‘Het zou niet moeten mogen, zó Wagner spelen!’, zowel Planté als Rubenstein ‘de grond in boorde’, en dat dokter Cottard een betere diagnosticus was dan Potain.” (259 Liefde van Swann)

    De beginzin van Een liefde van Swann is zoals je ziet extreem gecompliceerd. Ten eerste beslaat hij ruim één derde van een bladzijde. Dat vraagt natuurlijk bovengemiddelde concentratie van de lezer om te voorkomen dat je zinnen moet gaan herlezen. Iets wat je in zo’n geval wilt vermijden. Daarnaast staan er toch zeker al vijf namen in dit kleine fragment. Daar kan ik aan toevoegen dat er nog veel meer namen rondlopen in de negentiende-eeuwse high society. En dan heb ik het nog niet over Tolstoj, die voor ieder personage, getrouw de Russische gewoonte, zeker vier verschillende namen gebruikt. Maar dat alles wordt nog overkoepeld door een tijd en plaats in een ver, ver verleden. Hopeloos ouderwets, zou je kunnen zeggen. Moeilijk je ermee te identificeren in een tijdperk waar de hele sociale rompslomp samengevat op internet staat.

    Maar het idee dat Proust schrijft over dingen die verleden tijd zijn is een misvatting. Toen ik met haperende discipline deel één Combray uit had gelezen begon ik per ongeluk, haast vanzelfsprekend aan het volgende deel. Aan het eind ging het snel en voor ik het wist was De kant van Swann uitgelezen. Het is zelfs zo ernstig dat ik overweeg het volgende deel ter hand te nemen. Maar voordat ik dat zal doen wilde ik eerst weten wat mij nou zo boeide. Dat is natuurlijk deels persoonlijk, maar ik vermoed dat het ook in het boek zelf ligt. Te beginnen met het societyleven dat zo ouderwets lijkt, maar dat misschien wel heel veel weg heeft van wat we nog steeds kunnen ervaren. De noodzaak om op de juiste feestjes met de juiste mensen te verschijnen is niet een typisch negentiende-eeuws verschijnsel. Ook zal menigeen de eenzaamheid herkennen die Swann voelt tussen mensen die zijn verdriet en zijn liefde niet kennen. En wie kent niet de golf van emotie die je kan overspoelen als je naar een concert luistert van de band die je associeert met die verliefdheid van een paar maanden terug? Maar het gaat verder dan dat. Ook de minder elegante gedachten en emoties zijn toch eigenlijk wel herkenbaar. Jaloezie. De angst dat je moeder je alleen laat. Kortom, het gaat om de herkenning van alles wat zich afspeelt binnenin. Dat is waar Proust over schrijft.

    Proust zei over zijn werk dat hij de unieke ervaring probeerde te beschrijven en dat hij daarvoor toch zeker de lange zinnen nodig had, eindeloos aangevuld met bijzinnen, om precies die individuele ervaring weer te geven en zo buiten de clichés te blijven. In onze tijd van individualisme, gecombineerd met de pogingen tot zelfreflectie van een eenentwintigjarige, is het nou juist dát wat we zoeken. Het is de beschreven individuele ervaring waar we dichter bij willen komen. Dat is wat we willen lezen, deze woorden zoeken we, voor ons eigen leven, maar ook als het gaat om een ander. We zijn niet langer geïnteresseerd in de grand narratives van liefde, dood en lust, om maar wat te noemen. We willen graag lezen hoe het echt ervaren werd. En hoe heerlijk is het om in al die individualiteit dan toch nog zo veel te herkennen. Stiekem zijn we allemaal een beetje het lezende buitenbeentje uit Combray, wij kunnen ook vol overgave in een boek verzeilen. Ook in het zevendelige boek Op zoek naar de verleden tijd.

  • 13 november 2013

    Uitslag Apocalypsavond 3

     

    Geschreven door Jan Thys

    Het eerste oordeel

    “Het is begonnen!” Moeder rent jammerend de slaapkamer uit. Haar zoon luistert aandachtig naar de verwarde geluiden beneden uit de huiskamer. Zijn dekentje en pyjamabroek werden tot aan de knieën omlaag getrokken, maar hij voelt geen kou. Bij de dagelijkse onderzoeken in bed voelt hij reeds lang geen kou meer, hij voelt niets meer. Alleen de vochtige lippen van Moeder, stijf op zijn mondje geperst, kunnen hem nog angst aanjagen. Maar hij geeft geen krimp, hij weet wel beter, hij wacht tot het voorbij is.

    De volgende morgen noemt Moeder hem ‘kleine bedrieger’. Hij begrijpt niet wat Moeder bedoelt en kijkt haar vragend aan. Zijn onbeschaamde oogopslag wordt snel bestraft met een harde klap in zijn gezicht. Vader slaat, vader grijnst en vader gaat werken.

    Dan steekt Moeder van wal, haar gezicht vuurrood van woede en teleurstelling. Het kind begrijpt dat Moeder een gezegende vrouw is en hij een uitzonderlijk iemand. Aan Moeder werd immers de mogelijke wederkomst van Christus beloofd. Maar dankzij haar waakzaamheid werd een bedrieger ontmaskerd. Want gisteravond kreeg hij een stijf piemeltje en zoiets overkomt Christus niet. Nooit.

    “Durf nu een tweede Hitler te worden en ik zal niet aarzelen je eigenhandig te doden.”

  • 13 november 2013

    Uitslag Apocalypsavond 2

     

    Geschreven door Jos de Jager

    Apocalyps

    Er wordt geklapt. Eén ballon blijft hangen in de takken van een boom die links van het graf staat. Iedereen van basisschool De Klimroos is aanwezig. Er is vandaag geen les. Er staat vandaag een begrafenis op het programma.

    Vader en moeder staan dichtbij het graf, arm in arm, terwijl hun dochter met behulp van de dominee de kist laat zakken. Het kistje ligt opvallend netjes en snel in het gat. De grafdelver heeft goed gemeten.De dominee helpt de dochter uit het graf. Hij lijkt afwezig, ergens anders, alsof hij zich afvraagt of hij de schuurdeur wel op slot heeft gedaan. Ze heeft een gedicht gemaakt. Moeder heeft geholpen, dat is duidelijk te horen. Ze fluistert de zinnen mee die de dochter stoïcijns uitspreekt. Vroeger aten ze altijd dubbelsticks. IJsjes waar ze alle twee gek op waren.

    Ik sta vlakbij hen. Ik denk aan vorige week: de wielen van zijn fiets draaien rondjes in mijn achteruitkijkspiegel en toch rij ik door. We eten na afloop van de begrafenis zachte puntjes. Ik eet er drie, drie bruine met kaas.

  • 13 november 2013

    Uitslag Apocalypsavond 1

     

    Geschreven door Bonne Postma

    Reisbureau

    Rita luisterde een gesprek af.
    ‘Zet jij jouw foto’s op Facebook?’
    ‘Welke foto’s?’
    ‘Oh.’
    ‘Ga je geen foto’s maken?’
    ‘Nee, tenminste,misschien wel, maar ik heb mijn account al verwijderd.’
    ‘Tsja, ik nog niet.’
    ‘Wel doen hoor, anders krijgt Rita der zoon er gelazer mee.’
    ‘Die heeft er toch niks mee te maken?’
    ‘Nee, maar hij kan er alleen maar negatieve dingen van gaan merken.’
    ‘Gaat het in de pers komen denk je, ja hè?’
    ‘Joh, dit gaat de hele wereld over.’
    ‘Dan krijgt ‘ie sowieso gez …’
    ‘Allemaal ingedekt.’
    ‘Mijn ouders hebben nog geluk gehad, die hadden dit nooit getrokken.’
    ‘Jij bent echt ziek in je hoofd weet je dat?’
    ‘Niet zieker dan jij.’
    ‘Nee, niet zieker dan ik, zeker niet zieker dan ik.’
    ‘…’
    ‘Gaat het?’
    ‘Jawel, af en toe heb ik een terugvaller, het is zo raar.’
    ‘Dat wist je toch…’
    ‘Ja maar, ik bedoel,ik verheug me op Wie is de mol van volgend jaar weet je, terwijl …’
    ‘Stil maar, weet je wat, ze winnen vast de Televizierring!’
    ‘Zou het?’
    ‘Kan niet anders,wees daar gewoon lekker zeker van.’
    ‘Akkoord.’
    ’Hé kijk daar!’
    ‘Wat?’
    ‘Een soort hert, maar hij is al weg.’
    ‘Oh.’

  • 04 november 2013

    De Heer denkt na

     

    Wekelijkse vragen en overpeinzingen van Daphne

    ​Verloren levens

    Berlijn ligt vol met oude foto’s en oude ansichtkaarten. Welke rommelmarkt je ook betreedt, je treft altijd wel een paar dozen aan met willekeurig bij elkaar gegooide zwart-witfoto’s (soms gewoon ook nog ingelijst) en beschreven ansichten. Het goede is dat je er gewoon ook voor moet betalen. 50 cent per leven.

    Natuurlijk slaat je verbeelding acuut op tilt bij het zien van al die verstarde levens. Ook is het een aantrekkelijk idee dat je je hele familiegeschiedenis radicaal kunt wijzigen door voor een paar euro een stel nieuwe voorouders op je schoorsteenmantel neer te zetten.

    Dus daar stonden we, als hongerige kinderen, gretig te graaien in de dozen met foto’s. Achterop stond vaak nog een jaartal of een plaatsaanduiding, de laatste vaak volstrekt onleesbaar. Met zorg kozen we zes foto’s uit, het pronkstuk was een doormidden gescheurde foto waarvan we beide helften uiteindelijk uit de doos visten. Een hallelujah-moment.

    Ik hou ervan: al die verdwenen levens die nog éénmaal opflikkeren onder de tedere aanraking van een vreemde in de verre toekomst. Daar stonden ze, drie vrouwen, twee mannen, met wandelstokken in de bergen, gekleed op hun paasbest, fier voor zich uit starend na een lange zware wandeling. Of een vrouw, en profil, die argeloos, zich niet bewust van de camera, haar nagels aan het knippen is in een typisch jaren zeventig DDR-decor. Wie zijn die mensen? Hoe heetten ze? Wat waren ze van elkaar? Drie vrouwen vrolijk lachend op het strand, de zon schijnt, een prachtige pier strekt zich uit op de achtergrond. En dan op de achterkant dit jaartal: 1940.

    Berlijn Dames

    Waar ging het mis?

    Het zou allemaal voyeuristisch kunnen voelen: het ongegeneerd aangapen van andermans levens. Maar zo voelt het niet. Het voelt meer als een eerbetoon, een poging om die verstilde momenten weer tot leven te roepen, te reconstrueren wat er die dag tijdens die foto gebeurde, te fantaseren hoe deze mensen leefden, of ze gelukkig waren. Je weet in elk geval zeker dat er iets bijzonders plaatsvond op het moment dat de foto genomen werd, want hoewel we nu elke lantaarnpaal die we passeren vastleggen op onze smartphones, werd er in die tijd natuurlijk veel selectiever gefotografeerd. Het zijn dus hoe dan ook waardevolle momenten en je zou willen dat je al deze levens als een Chinese bordjesacrobaat in de lucht kon houden, dat je al die levens kon bewaren, dat je elke dag een stukje leven erbij mocht bedenken.

    De onschuld van oude foto’s. Hoe ver verwijderd zijn we nu van deze schaarse losse momenten uit iemands leven. We maken met zijn allen miljarden foto’s per dag, we filmen er ook nog eens uren en uren op los, we delen al die foto’s waar we maar kunnen. Wie nu geboren wordt heeft waarschijnlijk binnen een maand al meer foto’s van zichzelf dan wij (geb. 1972) in een heel kinderleven. Al die beelden, al die berichten die we overal posten, al die levenstekens die we van onszelf achterlaten in een digitale wereld, wat gaat dat in hemelsnaam aan digitaal zwerfafval opleveren? Nu Facebooken we ons suf, maar over tien jaar bewegen we ons natuurlijk alweer volstrekt anders op digitaal niveau. Dan is het woord digitaal waarschijnlijk zelfs al iets uit de ‘oude tijd’. Maar al die biljoenen foto’s moeten toch ergens blijven, al was het maar om onze achterkleinkinderen de kans te geven bij toeval op die alledaagse kiekjes te stuiten. Want wat we nu achterlaten is het archeologische materiaal van de toekomst: hoe leefde de mens in de 21e eeuw? De archeoloog van de toekomst krijgt daar ook nog eens een schat aan telefoongesprekken bij cadeau, dankzij de NSA. In de geschiedenisboeken (die natuurlijk niet meer bestaan) zal een transcriptie staan van het historische gesprek dat Merkel met Poetin voerde over de homorechten in Rusland, en natuurlijk staan ergens in een voetnoot ook nog de stotterende excuses van Frans Timmermans aan diezelfde Poetin. Poetin zelf heeft natuurlijk zijn topspionagegadgets van 2013: de afluister usb-stick en mobiele telefoonoplader (Q had dit al in 1967 uitgevonden) aan het Instituut voor Digitale Geschiedenis geschonken, met behoud van alle gedownloade gegevens van het toen nog bestaande kikkerlandje Nederland, dan deel uitmakend van Groothertogdom Benelux.

    We geven zo gemakkelijk alles weg, het lijkt ons werkelijk geen reet uit te maken dat juist dat wat je tot een mens maakt: je persoonlijke levenssfeer die je altijd maar voor lief neemt, elke dag weer wordt betreden door onzichtbare soldaten met zwarte laarzen die langzaam maar zeker je hele leven, al je voorkeuren, hobby’s, koopgedrag, eetgewoontes innemen.

    Denk niet dat het er niet toe doet; of, zoals de Duitse schrijfster Juli Zeh het zo mooi verwoordde: Wie denkt dat hij niks te verbergen heeft, heeft niks om voor te leven.

    Op 3 december gaan we het tijdens West Words i.s.m. Podium Mozaïek over privacy hebben, met o.a. Jan van Mersbergen en Dilan Yurdakul.

     

  • 22 oktober 2013

    De Heer denkt na

     

    Een ode aan het te lang doorgaan

    Spaghetti eten zal sinds zondag nooit meer hetzelfde zijn. Van tevoren had ik vooral opgezien tegen de ellenlange seksscènes in La Vie d’Adèle, maar aan het eind van de rit bleken het vooral de – overdadige – eetscènes te zijn die me een ingewikkeld gevoel in mijn buik bezorgden.
    Al na een klein kwartier doemt de eerste spaghettiscène op: de familie van Adèle kijkt televisie terwijl iedereen argeloos lange slierten spaghetti bolognese naar binnen werkt.
    Slurpt.
    Zuigt.
    Met alle afgevende, gehaktklevende gezichtsverontreiniging die dat met zich meebrengt. Het is niet dat ik denk dat ik en de mijnen anders eten (ik knoei waar ik maar kan), maar de confrontatie met de onappetijtelijkheid van het alledaagse blijft een ingewikkelde.
    En juist daarom was het zo fijn dat La Vie d’Adèle lang duurde. In eerste instantie dacht ik na die eerste spaghettiscène: hoe gaat het me ooit nog lukken Adèle door de verliefde ogen van haar aanbidster te bekijken? Regisseur Abdel Kechiche maakt het je namelijk (expres) lastig door éérst Adèles alledaagsheid – de routine van het naar school gaan, het kwijlende slapen, het verveeld huiswerk maken, het argeloze eten – te tonen en pas daarna de lome sequentie van het ontmoeten, verleiden, verlangen, verliefd zijn in werking te zetten.
    De film geeft je alle tijd je hierover heen te zetten, zonder overigens traag te zijn. Het voelt na afloop meer alsof je een hele lange, drukke dag achter de rug hebt. Alsof je vijf feestjes, drie familiebezoeken en een hele heftige verliefdheid op één dag hebt doorgemaakt. Per scène word je als gast aan tafel gezet, je bent geen kijker, je bent een betrokkene. De filmstijl gaat voorbij het realistische, Kechiche laat alle filters die normaal gesproken tussen de kijker en de film gezet worden achterwege en zuigt je zo als een spaghettisliert de film in. Het is geen identificatie die je voelt, het is regelrechte transformatie: of je nou man, vrouw, oud, jong, hetero of homo bent, je verandert in Adèle, in de alomtegenwoordige mond van Adèle, waar je aan het einde van de film weer keihard uit gespuugd wordt.
    De kracht van het te lang doorgaan. Daar mijmerde ik de rest van de avond nog wat over na.

    Ik had die week al eerder zo’n moment meegemaakt. Tegen mijn gewoonte in was ik naar een boekpresentatie gegaan. Een bevriende schrijfster van het ten doop gehouden boek zou voorlezen uit hun e-mailwisseling. Ze schrijven al jaren met elkaar en eerlijk gezegd trok het idee dat er voorgelezen zou worden uit deze ondergrondse correspondentie me buitensporig aan. Terwijl de ene schrijfster met frisse tegenzin het middelpunt van een heerlijk rustige presentatie stond te zijn, zat de andere schrijfster in een stapel papier frenetiek passages aan te strepen. Haar hand trilde heel lief toen ze een slok witte wijn nam, er was ook geen enkele reden níet nerveus te zijn.
    De passages kwamen enkel uit de mails van de presenterende schrijfster, ze vertelden het verhaal van de wanhopige weg van idee naar boek. ‘Vrouw krijgt mongool en laat haar achter in het bos.’ Daar begon het mee, vervolgens trok er een stoet aan nieuwe ideeën, omtrekkende bewegingen, twijfels, zelfhaat, woede, ongeloof, wederopstanding, dodelijke zelfhaat, existentiële twijfel, uitsteltactieken, nihiliteitsbesef en schrijfhaat voorbij. Het was verrukkelijk. Het duurde echt veel te lang. Je zag hoe de presenterende schrijfster met haar blik wanhopig houvast zocht, bij iets, bij iemand, een hand die haar weer uit het kolkende water kon trekken; maar ze zonk verder en verder terwijl de voorlezende schrijfster niet anders meer kon dan doorgaan, doorgaan, tot wanhoop van de toehoorders die deels beroepsgedeformeerd dachten aan een publiek, draaiboeken, verveeldheid, waar ging dit heen?
    Maar hoe langer het duurde hoe meer de totale wanhoop van de schrijfster werkelijk voelbaar werd. Dat is immers de kern van wanhoop: geen uitweg zien, niet weten hoe je het tij kunt keren, geen houvast hebben, geen idee wanneer het afgelopen zal zijn, en hoe het zal worden, of het geen gedrochtje wordt dat je na al dat ploeteren gebaard hebt.
    De ironie wilde dat een recensent dan weer dít schreef over het gepresenteerde boek: ‘Er zit meer dan genoeg Munro in haar schrijverschap, maar bij die kwaliteit hoort ook het vermogen om te zien wanneer een verhaal niet meer beter wordt als het langer wordt.’ Ik heb het boek nog niet uit, maar het zou me niks verbazen als ik juist weer val voor het lange, desnoods té lange, omdat het in mijn belevingswereld een pre is wanneer iets begint te tergen.
    Ik ben benieuwd.

    In de programma’s die we maken bij de SLAA worstelen we vaak met het draaiboek. Er bestaat een soort consensus onder snel levend, snel verveeld, cultureel in de toverdrank gevallen Nederland dat anderhalf uur een soort ideaal maximum is voor een programma. Dat het daarna eigenlijk per definitie saai wordt.
    Ik heb programma’s zat gezien die na een kwartier al saai werden en bleven, ik heb avonden meegemaakt waar van mij geen einde aan had hoeven komen. Toch vreesde ik de lange avond ook. Samen met Sanneke van Hassel en Ditte Pelgrom maken we al een paar jaar hele mooie avonden rond het korte verhaal. LANGE avonden rond het korte verhaal. Zo leerde ik dat een onderwerp, of een oeuvre of een schrijver, soms veel tijd en toewijding nodig heeft om er echt in door te kunnen dringen. De lange avond van het korte verhaal vorig jaar was zo’n avond, een regenachtige maandagavond in september, waar toch een hoop mensen op af kwamen die nadampend, nippend aan de Servische raki, zich onder lieten dompelen in korte verhalen en mooie interviews.
    Volgende week woensdag hebben we tijdens Hotel van Hassel Jhumpa Lahiri te gast. Ze wordt geïnterviewd door Arjan Peters en zal voorlezen. Opgewekt mailden we met Sanneke: ‘Twee keer vijf minuten voorlezen?’ Neenee, zei ze, ‘ik stel voor minimaal tien minuten uit haar nieuwe boek en een kwartier uit een kort verhaal.’
    De korte verhalen van Jhumpa zijn trouwens de langste die ik ken. Ook bij Lahiri denk je: het gaat maar door, is dit nog wel een kort verhaal? Bovengenoemde Nederlandse schrijfster kan er trouwens ook wat van. Die heeft stiekem gewoon een kort verhaal van 160 pagina’s geschreven.

  • 16 oktober 2013

    Bezoeker(s): Roos en Janna

     

    Wie?
    Janna en Roos van het OSB (Open Scholengemeenschap Bijlmer) samen met de klas.

    Waar?
    Bijlmer Boekt!, de eerste editie van het nieuwe seizoen, 15 oktober 2013 in het Bijlmer Parktheater (‘dus vlak bij school’). Te gast waren vanavond David Van Reybrouck, Bart van Loo, Sabrina Starke, Carla Kayiba en Alphonse Muambi.

    Was dit de eerste keer Bijlmer Boekt! voor jullie?
    Ja, we zijn hier met de klas. Roos: Ik was hier nog niet eerder naartoe geweest.

    Vonden jullie het een leuke avond?
    Ja, erg interessant. Janna: Ik vond dat er mooie verhalen waren.

    Lezen jullie wel eens?
    Roos: Ja, ik lees heel veel. Maar ik kan zo niet het beste boek noemen. Er zijn er zoveel!
    Janna: Ja, ik lees ook wel veel. Meer dan we op school moeten lezen.

    Wat vind je een aanrader?
    Janna: Ik vind de boeken van Darren Shan heel leuk om te lezen.

  • 15 oktober 2013

    De Heer denkt na

     

    Met enig feestelijk vertoon

    Om onduidelijke redenen belandde een deel van mijn familie in de jaren zeventig in Amsterdam-Zuidoost; mijn tante in Holendrecht, mijn oom, haar broer, in de Bijlmermeer. Het waren de jaren waarin de binnensteden leegliepen en men de moderniteit en luxe van de nieuwbouw ontdekte: schone, nieuwe huizen, groen voor de deur, een veilige speelomgeving voor de kinderen. Zelf waren we in 1975 naar de Merenwijk verhuisd, een aanleunwijk in Leiden, waar we primeurden in de wondere wereld van de wipkip en het woonerf. Soms, niet te vaak, want mijn ouders waren niet zo uithuizig en mijn broertje en ik niet zo logeerderig, werden we naar oom of tante in Bijlmer of Holendrecht gestuurd. Mijn oom bewoonde een in mijn ogen onmetelijk groot appartement in een groot wit flatgebouw met een eindeloos groen grasveld ervoor, mijn tante bewoonde een ietwat kansloos flatje met een triest voetbalveldje ervoor, waar het in de hal altijd naar die typische combinatie van beton, vocht en exotisch voedsel rook.

    De flat die mijn oom bewoonde heette Egeldonk, en is enkele jaren geleden wegens gebrek aan succesvol onderhoud en de algehele opknapbeurt die de Bijlmer ten deel viel na de nog altijd onvoorstelbare Bijlmerramp in 1992, gesloopt. Het was precies dat type flat, gebouwd volgens het zogenaamde honingraatprincipe, dat Karin Amatmoekrim tijdens de eerste editie van Bijlmer Boekt! zo mooi beschreef in een ode aan de architectuur van de Bijlmer.

    Egeldonk

    Afgelopen weekend heb ik me, vanwege Bijlmer Boekt! en het doorbladeren van oude fotoalbums, vol laten lopen met verhalen en filmpjes over de Bijlmer, veel archiefmateriaal, veel achtergrondverhalen, maar er is weinig literatuur te vinden waarin de Bijlmer een rol van betekenis speelt.
    Een van de redenen om de serie Bijlmer Boekt! te beginnen was dat we als makers een bibliotheek met Bijlmer-verhalen wilden aanleggen, want na Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje wordt het snel stil op het gebied van Bijlmer-literatuur.

    Diezelfde Robert Vuijsje schreef dit weekend trouwens een leuk en zinnig opiniestuk op Volkskrant.nl over de Zwartepieten-discussie, die elk jaar weer een stukje hoger oplaait. Hij scoort een mooi punt met zijn constatering dat het Nederlandse (blanke) volksdeel dat geen begrip kan opbrengen voor mensen die zich gekwetst voelen door Zwarte Piet te veel van hun eigen beleving van het kinderfeest uitgaan: ‘Mijn eerste instinct bleek te denken vanuit de meerderheid en niet als een minderheid. Het was dezelfde denkfout die Henk Westbroek maakte en iedere niet-creoolse Nederlander die oordeelt of Lynn (Roberts vrouw – DdH) of Arnie of Quinsy of al die anderen, wel of niet gekwetst mogen zijn door Zwarte Piet’. Het is een mechanisme dat bij alle discussies waarin minderheden aangeven dat ze zich achtergesteld of gekwetst voelen optreedt: de meerderheid ziet het probleem niet (doorgaans omdat ze het probleem niet aan den lijve ondervinden) en constateren derhalve dat er daarom ook geen probleem is (dus of alle vrouwen, homo’s, Surinamers, Marokkanen et cetera willen ophouden met zeuren). Vuijsje eindigt zijn betoog terecht met ‘dat iemand een zeurpiet is (pun intended) niet betekent dat hij niet in dit geval een keer gelijk kan hebben.’

    Het is geen nieuw inzicht, maar toch is het verrassend hoe snel mensen automatisch in de ‘ik-zie-het-probleem-niet-dus-er-is-geen-probleem’-stand schieten. Ik discrimineer niet, dus discriminatie bestaat niet. Of het bestaat wel, maar we zijn het er allemaal over eens dat het een volstrekt andere menssoort betreft die dat doet, in elk geval niet de weldenkende, hoogopgeleide, stadscentrum verstoppende Sinterklaasliefhebber. Die prikt erdoorheen, die ziet in Zwarte Piet heus geen zwarte slaaf en zijn/haar kinderen heus ook niet hoor.
    (Nu was ik zondag op een familiebijeenkomst en daar rakelden de ouders van mijn schoonzus op een gegeven moment enkele pijnlijke momenten uit het leven van een jonge ouder in de jaren zeventig op: een ervan was dat mijn schoonzus als kleuter naar een zwarte man wees en zei: ‘Kijk mam, Zwarte Piet!’ Misschien nog niet genoeg materiaal voor een dissertatie over het onderwerp, maar ik bedoel maar.)

    Dus tja, soms gaan er ook dingen mis in het leven van de weldenkende mens. Even terug naar ons eigen vrolijke Bijlmer Boekt!: bij de eerste editie introduceerden we met enig feestelijk vertoon de zogenaamde Bijlmer-bus die elke editie De Balie naar het Bijlmer Parktheater rijdt. Wij dachten: leuk, daarmee slaan we letterlijk een brug van het (literaire) centrum van Amsterdam naar een wijk die voor sommigen ver voelt, en waar we onze vaste SLAA-bezoekers graag kennis mee laten maken. Maar zo eenduidig feestelijk bleek het allemaal toch niet te zijn: alsof de Bijlmer een of ander onbegaanbaar oord is, en niet gewoon Amsterdam, en waarom rijdt er geen bus van de Bijlmer naar De Balie wanneer daar een literair programma is waar Bijlmer-bewoners heen willen, waren een paar van de kritische opmerkingen die we terugkregen.
    De eerste reflex is altijd om te denken: zo is het niet bedoeld, dus zo ís het ook niet.

    Volgend jaar willen we graag alle hier eerder genoemde verhalen die speciaal voor Bijlmer Boekt! geschreven zijn bundelen en uitbrengen. Maar is het nou een daad van emancipatie of juist niet om een aparte verhalenbundel over de Bijlmer uit te geven?

    Bekijk hier hoe het journaal in 1968 over de bouw van de Bijlmermeer berichtte.

  • 02 juni 2013

    Stadsgedicht

     

    Het vierde stadgedicht van de Stadsdichter Menno Wigman bij het 400-jarig bestaan van de Amsterdamse grachten.

    Narcisten!

    Net als Venetië trekt Amsterdam dag
    en nacht narcisten aan. Het zijn de spiegels,

    de diepe, zieke spiegels van de grachten,
    het is het water dat je gevel rekt,

    het water dat bekwaam de luchten vangt
    en elke blik of kus op film vastlegt.

    Narcisten! Laat in mei! Hun fraaie tred,
    hun weergaloze kop: het komt op film.

    Het is een drukke stad die aandacht wil
    en krijgt. En jij staat bij het IJ en ziet

    hoe beeld na beeld in de montagekamer
    van het water glijdt en daar verdwijnt.

    Een bijrol zijn we, ijdel, lang van stof,
    en in een bijzin zullen we verdrinken.

    Maar voor we uit het script worden geknipt
    spiegelen we ons piekfijn aan het licht.

    Menno Wigman

  • 24 april 2013

    Stadsgedicht

     

    Geschreven aan de vooravond van de inhuldiging van Willem-Alexander door stadsdichter Menno Wigman.

    Herostratos

    Er tikken pissebedden in mijn hoofd.
    Ze naaien mijn gedachten op.
    Ik denk al dagen aan een daad, zo groot,
    zo hevig en dramatisch dat mijn naam
    in alle kranten komt te staan.

    Napoleon, las ik, was kleurenblind
    en bloed was voor hem groen als gras.
    En Nero, die bijziend was, hield het spel
    in zijn arena bij door een smaragd.

    Nu even stilstaan. Moet je horen: ik
    ga straks de straat op, ik besta het, schiet
    me leeg en verf de feeststad groen.

    En nog voor het eind van het festijn
    zal ik de grootste zoekterm zijn.

    Menno Wigman

  • 27 december 2012

    Uit de oude doos…

     

    Naar aanleiding van ons 30-jarig bestaan, stoffen we dit jaar de fotoalbums af. Zo kwamen we enkele pareltjes tegen waarvan we het niet kunnen laten deze met iedereen te delen. Elke keer vragen wij een geportretteerde de foto Aarsmaniaans te bespreken.

    Deze week de schrijver en dichter Robert Anker over een SLAA-avond in 1984, getiteld Dichter bij de Tekst.

    robertankergoed

    ‘Wij bespreken volgens mij het gedicht ‘Geen verstand’, dat in de bundel
    Nieuwe veters (1987) terecht is gekomen. Gezien mijn gezichtsuitdrukking
    ben ik erg tevreden over een antwoord op een vraag van Jan Kuijper, een antwoord dat hem, gezien zíjn houding, voor problemen lijkt te stellen. En ach, die snorren! Post-jarenzeventig.’

  • 11 december 2012

    Writer in Residence: Nir Baram

     

    Schrijvershuis aan het Spui

    Het project Writers in Residence is een initiatief van het Nederlands Letterenfonds en biedt buitenlandse schrijvers van literaire fictie, non-fictie en poëzie gedurende twee à drie maanden een verblijf- en werkplaats in het historische en culturele hart van Amsterdam. De Writer’s Residency is gevestigd aan het Spui, boven Athenaeum Boekhandel. Vanuit hier heeft de schrijver gemakkelijk toegang tot het literaire leven van de hoofdstad.

    Zo biedt het programma schrijvers niet alleen een inspirerende werkplek, maar wordt het schrijvers makkelijker gemaakt hun Nederlandse netwerk uit te breiden en hun werk hier te promoten, door bijvoorbeeld het geven van lezingen en het publiceren in lokale media.

    Dit jaar verbleven Etienne van Heerden (Zuid-Afrika), Bernice Chauly (Maleisië), Yves Petry (België), Ronelda S. Kamfer (Zuid-Afrika) en Antonio Muñoz Molina (Spanje) al in het schrijvershuis. In de maand november was de jonge Israëlische schrijver Nir Baram (1976) woonachtig in het huis aan het Spui.

    Zijn bezoek aan Nederland viel tegelijkertijd met de Nederlandse vertaling van zijn laatste boek Anashim Tovim, vertaald als Goede mensen door Hilde Pach en uitgegeven bij De Bezige Bij. Het boek beschrijft de periode tussen november 1938 (Kristallnacht) en juni 1941 (Duitse inval in Wit-Rusland) en speelt zich afwisselend af in Berlijn en Leningrad. De twee hoofdpersonen, woonachtig in deze verschillende steden, beleven deze dagen op een compleet andere wijze.

    In de Nederlandse pers zijn het boek en de schrijver deze maand goed opgepikt. Zo stond de bespreking van het boek op de voorpagina van de boekenbijlage van het NRC Handelsblad en trad hij op bij het festival Crossing Border in Den Haag. Tijdens zijn verblijf in Amsterdam heeft Baram gewerkt aan een boek over de globalisering in de moderne tijd.

  • 07 december 2012

    BEZOEKERS: FOUAD EL HAJI EN DRISSIA LAOUKILI

     

    Die schrijvers kennen we nou wel. Wie komen er eigenlijk naar ze kijken op een SLAA-avond?

    Wie: Fouad El Haji (43) en Drissia Laoukili (25)
    Waar: Olijven op pekelzuur. Met: Asis Aynan, Jamal Ouariachi, Abdelhakim Chouaati, Raoul Heertje, Rachida Lamrabet, Said El Haji en Kustaw Bessems (presentatie).

    Bent u al eens eens eerder bij een SLAA-programma geweest? Kent u de SLAA überhaupt?
    Fouad: Nee. Ik wist wel wie de organisatoren waren: ik ken de presentator persoonlijk en mijn broertje Said zit in het panel. De meeste mensen in de zaal ken ik ook. Maar van de SLAA had ik nog niet gehoord. Maar dat is ook niet zo gek, want ik ben een Rotterdammer. Ben ik nu gezakt?
    Drissia: Ik had wel eens van de SLAA gehoord, hoor!

    En u komt ook uit Rotterdam?
    Drissia: Goddank niet zeg, ik zou er nog niet dood gevonden willen worden. Ik kom uit Amersfoort.
    Fouad: Nee, als je nou eens toegeeft waar je écht vandaan komt. En dan mogen jullie zeggen of je liever daar dood gevonden wil worden of in Rotterdam!
    Drissia: Oké, ik kom eigenlijk uit een klein dorpje bij Amersfoort. Ik kom uit Spakenburg… Maar ik woon nu in Amsterdam en als je echt een Amsterdammer bent is Rotterdam een plaats waar je niet dood gevonden wil worden.

    Nou, jullie ogen in elk geval vrolijk. Mogen we concluderen dat jullie je vermaakt hebben vanavond?
    Fouad: Ja, ik heb heel veel gelachen, maar niet omdat het grappig was. De thematiek van de avond was namelijk best zwaar, maar het werd heel luchtig en met veel humor behandeld. Alsof je een grote rots met een veertje bestrijkt en dat de rots dan op een gegeven moment tot leven komt. Heel knap. Zelf kan ik dat niet, ik ben meer van het rechttoe rechtaan.

    Fijn zo. Willen jullie nog de groetjes doen aan iemand?
    Beiden: Nee hoor, bedankt.

  • 22 november 2012

    Olijven op Pekelzuur: de voorbeschouwing

     

    Jamal Ouariachi en Said el Haji over Olijven op Pekelzuur

    Aanstaande vrijdag, 23 november, stelt schrijver en columnist Asis Aynan in het programma Olijven op Pekelzuur de vraag: Waarom mengen veel Marokkaans-Nederlandse auteurs zich in het publieke debat? Met twee gasten van de avond, Jamal Ouariachi en Said el Haji, blikt de SLAA alvast vooruit.

    Jamal Ouariachi (1978, Nederland) debuteerde in 2010 met het boek De vernietiging van Prosper Morèl. In 2011 werd hij geselecteerd voor de bundel Agents-provocateurs, 20 onder 35, waarmee hij als een van de meest veelbelovende jonge auteurs van Nederland werd bestempeld. Daarnaast schreef hij verhalen, artikelen en essays voor NRC Next, HP/De Tijd, Knack Focus en De Revisor. Kortom, hij past precies in het beeld dat Aynan schetst. We vragen Ouariachi dan ook:

    Is er volgens u een relatie tussen uw beroep als romanschrijver en het schrijven van opiniërende stukken?

    Er zijn overeenkomsten: in beide vormen hanteer je een bepaalde compositie en allerhande stijlmiddelen om een verhaal te vertellen. Maar de verschillen overheersen. Met een roman kan je boven de gekte van alledag uitstijgen. Waar je in een opiniestuk één standpunt verdedigt of aanvalt, kan je in een roman veel breder te werk gaan, verschillende standpunten op een dramatisch interessante manier tegen elkaar uitspelen.

    Heeft uw Marokkaans-Nederlandse nationaliteit invloed op uw schrijven?

    Ik heb slechts één nationaliteit en dat is de Nederlandse. De hele term ‘Marokkaans-Nederlandse schrijver’ kan wat mij betreft de prullenbak in en dat is dan ook precies wat ik zal betogen, aanstaande vrijdag.


    En hoe denkt u daarover, Said el Haji?

    Ik heb niet het idee dat het mijn nationaliteit is die invloed heeft op mijn schrijven. Ik denk wel dat de opvoeding, en dan vooral de wijze waarop deze in een patriarchale cultuur door mannen wordt doorgegeven, een grote rol speelt in mijn schrijven. Het is mij ook opgevallen dat relatief veel Marokkanen actief zijn in creatieve (literatuur, muziek, mode, cabaret, theater) en sportieve uitingen (voetbal). Ik heb daar ook een verklaring voor. Deze moet gezocht worden in de fnuikende groepsdruk binnen Marokkaanse families. Creativiteit en sport zijn dan manieren om zich aan die groepsdruk te ontworstelen.  

    Said el Haji (1976, Marokko) won in 2000 de El Hizjra-aanmoedigingsprijs voor zijn korte verhaal ‘De kleine Hamid’ en in datzelfde jaar verscheen een uitwerking van dit verhaal in zijn debuutroman De dagen van Sjaitan. Zijn tweede roman Goddelijke duivel kwam uit in 2006 en in 2011 publiceerde El Haji zijn derde roman, De aankondiging. Ook werkte hij voor verschillende regionale en landelijke kranten en sinds 2012 schrijft hij regelmatig voor de bijlage Vonk in de Volkskrant.

    Volgens hem is er niet een specifieke relatie tussen romanschrijvers en opiniemakers.

    Fictie schrijven vereist een compleet andere ’spier’ dan het schrijven van opiniestukken. Wel hebben romanciers een streepje voor op de rest, omdat zij doorgaans beter schrijven.

    Waar heeft u zich recentelijk het meest druk over gemaakt?

    Meestal schrijf ik slecht als ik me ergens druk over maak. Ik kan dan niet helder denken. Het schrijven begint pas als ik rustig ben vanbinnen.

    En u, Jamal Ouariachi?

    Fruitvliegjes. De niet-aflatende terreur van deze verachtelijke diersoort is een plaag waar de politiek nu eindelijk eens paal en perk aan zou moeten stellen. Ik denk erover om volgend jaar een groots opgezet non-fictieboek aan deze nijpende kwestie te wijden.

    Op welke manier bereiden jullie je op de avond op a.s. vrijdag voor? Hebben jullie bijvoorbeeld een ‘opkomstritueel’?

    El Haji: Ik heb geen voorbereiding. Misschien lees ik mijn voor te dragen tekst één of twee keer hardop voor.
    Ouariachi: Exact een half uur voor aanvang van het programma bereid ik mijzelf voor met een mooie spuit heroïne en drink ik een glas ijskoude Fristi.

    Dat belooft wat…
    Vrijdag 23 november, 20.15 live in De Balie.

  • 17 november 2012

    Bezoeker: Marko van der Wal

     

    Die schrijvers kennen we nou wel. Wie komen er eigenlijk naar ze kijken op een SLAA-avond? 

    Wie?
    Marko van der Wal (23), werkzaam bij Uitgeverij van Oorschot
    Waar? CoxTales i.s.m. Cox. Met: Rob van Essen, Hanneke Hendrix, P.F. Thomése, Jeroen De Man en awkward i. Presentatie: Isolde Hallensleben en Arjen Lubach.

    Hallo Marko! Kom je hier vaker?
    Ja, ik ben een vaste klant. Ik was al lang niet meer bij CoxTales geweest en wilde weer eens even een kijkje nemen. Ik had eerder een passe-partout van de SLAA, dus ik kom wel vaker bij jullie avonden. Zo was ik onlangs bijvoorbeeld bij De lange avond van het korte verhaal.

    Je werkt dus bij een uitgeverij, lees je dan ook veel of is dat een misvatting?
    Ik lees eclectisch.

    Aha…
    Ja, dan weer eens Turken, Russen maar ook Nederlanders. Zo heb ik onlangs Aantekeningen van een jonge arts van Boelgakov uitgelezen. Nu ben ik een beetje zijn werk aan het doorbladeren. Ook ben ik fan van Moby Dick. Dat is zo een fantastisch groot ding in mijn boekenkast dat ik het blijf herlezen.

    Maar wij vragen ons dan af: zijn er ook boeken die je niet leest?
    Nee. Natuurlijk zijn er altijd schrijvers die je niet wilt lezen, maar ik ben van mening dat je alles moet lezen. Dan kan je pas echt zeggen dat je een boek slecht vindt. Neem bijvoorbeeld Vuijsje. Die heb ik toch gelezen en ik vond het uiteindelijk best een goed verhaal, maar ja, niet heel sterk geschreven.

    Wat vond je, als echte boekenvakker, van deze CoxTales?
    Ik heb weer heel erg gelachen. Het presentatieduo Arjen en Isolde werkt gewoon op de lachspieren, zet daar P.F. Thomése naast en je hebt een topavond! Het stuk dat acteur Jeroen De Man voorlas vond ik heel goed. Ook al kende ik de schrijfster helemaal niet.

    Dat was Claire Castillon en de stukken kwamen uit haar bundel Luchtbellen.
    Heb je het thema van de avond, Altijd Regen, nog een beetje meegekregen?
    Het thema heeft zeer goed uitgepakt. Het is de hele avond droog gebleven. Maar zonder dollen, de avond had beter Altijd Seks kunnen heten. Bijna alle stukken gingen in enige mate over de daad.

    Ja dat zijn we wel met je eens. Er werden zelfs condooms uitgedeeld. Wat is eigenlijk jouw favoriete literaire seksscène?
    Poe, nou, dan zou ik toch voor de seksscènes in de boeken van A.F.Th. van der Heijden kiezen. Hij maakt altijd een mix waarin subtiele beschrijvingen waar wat te gissen in blijft ineens worden opengebroken door grove en platte wendingen.

    Oké, wil je nog aan iemand de groeten doen?
    Ja, aan mijn zusje.

    Dankjewel Marko voor je openhartige antwoorden! Tot een volgende keer!

    bezoeker-marco.jpg

  • 30 oktober 2012

    In Memoriam: J. Bernlef (1937-2012)

     

    ​Schrijver, dichter en vertaler J. Bernlef is afgelopen maandag op 75-jarige leeftijd overleden in zijn woonplaats Amsterdam. Het is een groot verlies voor de Nederlandse letteren. De SLAA zal hem missen.

    In Memoriam, geschreven door Bernlef zelf, namens zijn alter ego als jazzpianist op de Buren.

    Fotoreeks van J. Bernlef op de website van het NRC-Handelsblad.

    j.-bernlef

  • 19 oktober 2012

    Uit de oude doos…

     

    Naar aanleiding van ons 30-jarig bestaan, stoffen we dit jaar de fotoalbums af. Zo kwamen we enkele pareltjes tegen waarvan we het niet kunnen laten deze met iedereen te delen. Elke keer vragen wij een geportretteerde de foto Aarsmaniaans te bespreken.

    Deze week de dichter K. Michel over zijn samengestelde avond over abnormale poëziepresentatie.

    Anne Vegter, Joke van Leeuwen

    ‘Op de foto zien we Anne Vegter en Joke van Leeuwen in actie. Anne is bezig om haar associaties te tekenen bij de tekst die Joke aan het voordragen is. Ze doet dat op een computer-tablet; de beelden worden direct achter haar geprojecteerd. De mond van Anne ziet er een beetje raar uit omdat ze ontzettend haar best zit te doen. Even hiervoor had ze bekend ‘totaal niet te kunnen tekenen’. De reden waarom ze het toch doet, ligt bij Joke. Eerder op de avond had zij de teksten van Anne op virtuoze wijze ‘live’ met tekeningen begeleid om haar vervolgens uit te dagen ‘het ook eens te proberen’. Het was erg spannend om te zien.

    Een en ander vond plaats tijdens een avond op 17 april 2007 die ik mocht samenstellen en presenteren. Het verzoek van de SLAA was om andere vormen van poëziepresentatie te tonen dan de normale. Dus liet ik een filmpje zien van Jaap Blonk die geluiden maakte die luchtbellen lieten dansen en had ik een gesprek met Geert Buelens over een tekst-animatie van Heavy-Industries. Astrid Lampe ‘deed’ een tekst met diverse stemmen (op de achtergrond beelden van het handschrift van Alice in Wonderland) en ik vertolkte enkele gedichten in duetvorm met Lizzy Timmers. Tot slot scandeerde het hele publiek de laatste strofe van een gedicht (eigenlijk uitgesproken door een papegaai): ‘op onze planeet gelden meningen als de laagste vorm van leven’. Als ik de reacties na afloop mag geloven dan vonden de meeste mensen het een speelse en opgewekte avond.

    Wat bijna niemand wist, was dat mijn zus die middag met spoed in het ziekenhuis was opgenomen. Ik stond stijf van de spanning maar het lukte me enigszins om dat te verbergen. Na afloop zat mijn vader in het café te wachten om verslag te doen van haar toestand. Vijf weken later was ze dood.’

  • 12 oktober 2012

    Uit de oude doos…

     

    ​Naar aanleiding van ons 30-jarig bestaan, stoffen we dit jaar de fotoalbums af. Zo kwamen we enkele pareltjes tegen waarvan we het niet kunnen laten deze met iedereen te delen. Elke keer vragen wij een geportretteerde de foto Aarsmaniaans te bespreken.

    Deze week de vertaler Harrie Lemmens over zijn avond met José Saramago.

    josé-saramago

    “In 1998 kwam José Saramago naar Nederland voor de promotie van de Nederlandse vertaling van zijn boek De stad der blinden. Ik mocht hem in De Balie voor publiek interviewen over zijn werk, en vooral over dit nieuwe, verontrustende boek. Een boek dat een keerpunt vormde in zijn oeuvre: een verschuiving van Portugal, van de geschiedenis, van het maatschappelijk-politieke naar een meer existentiële, filosofische kant in zijn werk. Zoals hij het toen zelf zei: ‘Ik heb tot nu toe een standbeeld proberen te beschrijven aan de buitenkant, van nu af aan wil ik me bezighouden met de stof, het materiaal waaruit het standbeeld is opgetrokken. Waaruit bestaat het? Waaruit bestaan wij? Wat vormt ons? Wat maakt ons tot wat wij zijn?’ De reeks boeken die nog volgde getuigt hiervan. Maar dat betekent niet dat zijn boeken niet minder politiek of sociaal bewogen zijn.

    Op deze avond was er veel publiek en er werden aardig wat vragen gesteld aan de zichtbaar vermoeide Saramago (en een interviewer die steeds vermoeider werd omdat hij ook moest tolken). Wat me verder nog goed bijstaat van die avond is de jongeman die de auteur luidruchtig uitschold voor vuile communist. Saramago was dit gewend, dus hij haalde zijn schouders op en reageerde laconiek. Het uitkomen van de Nederlandse vertaling van De stad der blinden had trouwens niet beter getimed kunnen zijn: een maand na deze avond kreeg Saramago de Nobelprijs.”

  • 11 oktober 2012

    Stadsgedicht

     

    Stadsdichter Menno Wigman schreef dit gedicht over stadswijk IJburg. Gepubliceerd in Het Parool 6 oktober 2012. Het gedicht dat Wigman schreef na het overlijden van Gerrit Komrij kregen jullie nog van ons te goed (gepubliceerd op 14 juli in Het Parool).

    Liefde op IJburg

    Waarom houden we steeds korter van elkaar?
    Wild, snel, elektrisch, ja, zo neukten we
    of lang en langzaam, doornat van geluk.
    Nu wonen we op IJburg, al drie jaar,
    en het heet beddendood en we zijn klaar.

    Dat er een dag komt dat je vuil ontwaart.
    Hoe ‘s nachts een wildvreemd wezen naast je slaapt.
    De liefde brak voor onze ogen stuk
    en het heet beddendood en het is klaar.
    Waarom houden we steeds korter van elkaar?

    De tijd is op
    In memoriam Gerrit Komrij

    De eerste keer Venetië: grandezza!
    Je zag een gondelier, hij stonk van pracht,
    de zon zonk als een wrak het water in
    en schoonheid zegevierde in je hoofd.

    Je leefde en het licht was als de dood.

    Luguber de lagunen en luguber
    de gondel die aan rotte palen trok.
    En ‘s avonds duizelde je stegen door,
    je verloor je in dood en in azuur

    en alles, alles was nu literatuur.

    De stegen van een lege bibliotheek.
    Het labyrint dat haast een vrijstaat leek.
    Je dichtte als Venetië. Geen hand
    schreef zo galant over het laatste uur.

    De tijd is op. Vaar uit naar het azuur.

    Menno Wigman

  • 04 oktober 2012

    Writers in residence

     

    Schrijvershuis aan het Spui

    Het project Writers in Residence is een initiatief van het Nederlands Letterenfonds en biedt buitenlandse schrijvers van literaire fictie, non-fictie en poëzie gedurende twee à drie maanden een verblijf- en werkplaats in het historische en culturele hart van Amsterdam. De Writer’s Residency is gevestigd aan het Spui, boven Athenaeum Boekhandel. Vanuit hier heeft de schrijver gemakkelijk toegang tot het literaire leven van de hoofdstad.

    Zo biedt het programma schrijvers niet alleen een inspirerende werkplek, maar wordt het schrijvers makkelijker gemaakt hun Nederlandse netwerk uit te breiden en hun werk hier te promoten, door bijvoorbeeld het geven van lezingen en het publiceren in lokale media.

    Dit jaar verbleven Etienne van Heerden (Zuid-Afrika), Bernice Chauly (Maleisië), Yves Petry en Ronelda S. Kamfer (Zuid-Afrika) al in het schrijvershuis aan het Spui. In augustus en september was het de beurt aan de Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina. Marieke Kessel maakte een verslag van hoe Muñoz Molina en zijn vrouw Elvira Lindo, ook schrijfster, hun verblijf hebben ervaren.

  • 03 oktober 2012

    Bezoeker: Emma Levie

     

    Die schrijvers kennen we nou wel. Wie komen er eigenlijk naar ze kijken op een SLAA-avond?

    Wie? Emma Levie (22), student Beeld & Taal aan de Gerrit Rietveld Academie.
    Waar? De lange avond van het korte verhaal, i.s.m. Hotel van Hassel. Met: A.L. Kennedy, David Albahari, Mehmet Zaman Saclioglu, Oleg Fateev (muziek) en Chris Keulemans (presentatie).

    Dag Emma! Kom je hier vaker?
    Nee, ik ben nog niet eerder bij SLAA of Hotel van Hassel geweest. Ik ben eigenlijk gekomen omdat ik voor mijn opleiding naar dit soort dingen moet. Maar ik vond het wel leuk hoor! Doen jullie vaker dit soort dingen? Maartje Wortel doet hier ook wel eens iets, toch?

    We doen best regelmatig iets ja. En soms is Maartje Wortel daar ook bij inderdaad. Met wie ben je hier nu?
    Met een groepje van mijn opleiding.

    Lees je zelf ook veel korte verhalen?
    Nou ja, op mijn opleiding moeten we elke week allemaal een verhaal schrijven en dat lezen we dan ook van elkaar, dus in die zin lees ik er wel veel ja, maar verder valt het eigenlijk wel mee. Romans lees ik meer. Onlangs las ik bijvoorbeeld Turks fruit, die vond ik wel leuk.

    Heb je ook favoriete auteurs? Of auteurs of genres die je juist niet graag leest?
    Nee, beide niet echt.

    Oké. Bedankt Emma!

  • 09 september 2012

    Stadsgedicht

     

    ​Onderdoorgang Rijksmuseum

    Je glijdt de buik van het gebouw binnen
    daar waar het altijd kouder is en stiller,
    duurzaam nacht, waar de steeldrum kaatst
    tegen eeuwenoude wanden, waar je lust

    voelt om te zingen, je hebt alle geluk
    van de wereld. Er staat een student
    van het nabijgelegen conservatorium
    met zijn viool: o nee, dat is nu een hotel.

    Dat kleine, magische geschenkje van de stad
    wat is het waard, ja wat? De kortste snelweg
    heen verdween, fietsers kochten massaal

    een helm en een brommer, niemand luistert
    meer, we zijn de omweg niet waard. Nostalgie
    naar hoe het vroeger was. Laat ook maar.

    F. Starik

  • 06 augustus 2012

    Writers in Residence

     

    Schrijvershuis aan het Spui.

    Het project Writers in Residence is een initiatief van het Nederlands Letterenfonds en biedt buitenlandse schrijvers van literaire fictie, non-fictie en poëzie gedurende twee à drie maanden een verblijf- en werkplaats in het historische en culturele hart van Amsterdam. De Writer’s Residency is gevestigd aan het Spui, boven Athenaeum Boekhandel. Vanuit hier heeft de schrijver gemakkelijk toegang tot het literaire leven van de hoofdstad.

    Zo biedt het programma schrijvers niet alleen een inspirerende werkplek, maar wordt het schrijvers makkelijker gemaakt hun Nederlandse netwerk uit te breiden en hun werk hier te promoten, door bijvoorbeeld het geven van lezingen en het publiceren in lokale media.

    Dit jaar verbleven Etienne van Heerden (Zuid-Afrika), Bernice Chauly (Maleisië), Yves Petry en Ronelda S. Kamfer (Zuid-Afrika) al in het schrijvershuis aan het Spui. Marieke Kessel maakte een verslag in beeld van de ervaringen van Ronelda Kamfer als Writer in Residence.

    Writers in Residence wordt ondersteund door de ministeries van OCW en BuZa, het Nederlands Letterenfonds, het Amsterdams Fonds voor de Kunst, LIRA, het Peter Paul Peterich Fonds, het R.O. van Gennep Fonds, De Nederlandsche Bank en Stad Amsterdam.

  • 08 juli 2012

    Stadsgedicht

     

    Stadsdichter Menno Wigman schreef dit gedicht ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan van de OBA. Gepubliceerd in Het Parool op 8 juli 2012.

    De laatste pagina

    Geduldig draagt de aarde onze huizen,
    ze slaapt onder een stenen korst van wegen,
    steden, torens en kantoren, ze stut
    en laat ons duren. En wij, een schimmellaag
    van intellect, trots op miljarden muren,
    wij bouwen door en blijven haar bedekken
    met kerncentrales en bibliotheken.

    Neem deze bibliotheek: een vuist van steen
    waarin je alles over hoop kunt lezen.
    Een stille kuif spelt hoe je splijtstof maakt
    en honderdduizend ogen bouwen aan
    een boek dat schittert als een honingraat.

    De aarde slaapt en alles staat. Pas op
    de laatste pagina vergaat je huis.
    Wees slim en lees geen boeken uit.

    Menno Wigman

  • 28 juni 2012

    Leegstand

     

    Het winnende verhaal van de SLAA-verhalenwedstrijd, door Renée Simons.

    ‘Hallo?’ Stilte op de intercom.
    Bovenaan de trap zakt ze een beetje door haar knieën en gluurt naar beneden. De buitendeur staat op een kier. Er zit een voet tussen. De rest van het lijf bevindt zich buiten en schreeuwt in een mobiel. Ze wacht. En wacht. En schrikt toch als hij ineens voor haar staat.
    ‘Brom.’
    ‘Erika Geevers, dochter van…’
    ‘Heeft u al opgezegd?’ Zijn voetstappen daveren door de gang. Ooit was dat de rivier waarop je kon varen met een kokosmat. Elke drempel de oever van een nieuw land.
    Hij taxeert de boekenkast. ‘Als ik u was, zou ik eruit zoeken wat u hebben wilt en de rest weggooien. Boeken krijg je niks meer voor tegenwoordig.’
    Wij gooien geen boeken weg, wil ze zeggen, maar ze stamelt iets over familiebezit.
    Hij trekt een in leer gebonden deel van Vondel uit de kast. Er dwarrelt een briefje uit, ragfijne letters op dun papier. Het wordt niet opgeraapt.
    Alles is vierkant aan deze man. Zijn kin, zijn schouders, zijn handen. Zijn ogen zijn verschrikkelijk blauw. Maar zijn haar glanst goud, als van een engel.
    ‘U moet het casco opleveren. Alles eruit. Er komt centrale verwarming.’
    ‘Het parket ook?’ De hoogvlakte van haar kindertijd, de ijszee, de woestijn…
    ‘Dat ook. En dat is veel werk. Gaat u geld kosten.’
    Ze gaat hem voor naar de keuken, brandpunt van haar jeugd. Zelfgebakken schuimpjes, haar moeders befaamde stoofpotjes. Op het ouderwetse fornuis pruttelt ook nu een pannetje.
    De blauwe ogen kijken naar de beslagen ramen. ‘U kookt hier?’ Het is geen vraag, het is een beschuldiging.

    ‘Het is veel werk…’ Ze maakt een vaag gebaar naar de keukenkasten waar alles nog op z’n plaats staat. Alleen de  dekschalen heeft ze ingepakt, bovenop de vijzel waarmee ze tabletten moest vermalen. Ja, kind. Aan alles komt een eind. Ook aan je moeder. Jarenlang had die haar slaaptabletten opgespaard, maar was uiteindelijk vanzelf doodgegaan.
    Brom opent de deur naar het terras. Het ligt bezaaid met vruchtjes van de boom die vanuit de tuin beneden tot boven hun terras groeide. Een treurberk. Alle potplanten zijn dood.
    ‘Zo’n grote berk midden in de stad is echt bijzonder,’ zegt ze.
    Hij kijkt haar aan. Zijn ogen lijken op zijn gezicht geschilderd. ‘U moet de dakgoot vegen. Als ze beneden lekkage krijgen dan is het voor uw rekening.’

    ‘Wat een schoft is het toch,’ zegt de buurvrouw als hij weg is. Ze leunt over het hek van het aangrenzend terras. ‘Hij verzint iedere keer wat anders om me onder druk te zetten. Maar ik laat me niet op de kast jagen door zo’n stuk vreten. Hij deed ook lelijk tegen je moeder.’
    ‘Daar heeft ze niks over gezegd.’
    ‘Nee, zo was ze niet.’ De buurvrouw opent haar mond alsof er iets aan toe wil voegen, maar sluit hem weer. ‘Gaat het een beetje, meissie?’ vraagt ze.

    Maak nog eens een stoofpotje, had haar moeder gevraagd. Dat kan je zo lekker. Toen het klaar was, kon ze er alleen aan ruiken. Ze snoof en snoof met haar ogen dicht. Mmmm! Koken heb ik je tenminste geleerd. Gek dat niemand…
    Mam, ik kook toch voor jou.
    Ja kind, maar eten kan ik niet meer.

    Ze eet op het terras, uitzicht op de berk. De stoofpot is verrukkelijk: kruidig, hartig, vol van smaak. De wijn past er perfect bij.
    Ja, koken had ze tenminste geleerd.
    Ze eet met het familiezilver van het familieservies. Wit porselein met een gouden randje en een bescheiden motiefje van heidebloempjes, Erika.
    Ben ik naar het servies genoemd, mam? Nu ze het wil vragen is het te laat.
    Die nacht blijft ze slapen op de bank. Ze bladert door boeken uit haar moeders jeugd. De Bikkel van Diet Kramer. Onder moeders vleugels van Louise M. Alcott…
    Ze droomt van een leeg huis. Een hongerig huis. Dan droomt ze van een volle tafel. Samen eten is intiemer dan samen slapen, fluistert iemand in haar oor. Ze schrikt wakker, maar er is niemand.
    Het is wel waar, denkt ze zodra de schrik is weggeëbd. Ruiken, proeven, kauwen, slikken, iets door je darmen laten glijden. Wat is er intiemer dan dat, behalve de dood?

    Over een week komt hij terug voor de eindinspectie. Ze belt haar buren of die de kat eten willen geven. Dan bedenkt ze het menu. Het wordt niet eenvoudig. En niet goedkoop. Nee, zeker niet goedkoop. Alles vers en van de beste kwaliteit.
    Ze zullen eten van wit porselein met een gouden randje en een bescheiden motief. Ze zal de dekschalen weer uitpakken. En de vijzel. Het tafelzilver zal blinken. Ze zullen eten op het terras. Er moeten nieuwe planten komen, mooie bloeiende planten zoals vroeger. En hij kijkt uit op de berk.
    Koel beginnen. Fris, prikkelend. Schaaldieren op ijs. Champagne in de zilveren emmer.
    Dan een mousse, zacht en verfijnd. Met een geraffineerd garnituur. Onschuldig en toch verleidelijk. Elk hapje een verrassing.
    De vis wordt haar eerste echte statement. Sappig met een fijne nootsmaak, zeewolf misschien. Droge witte wijn erbij. Zijn ogen verliezen hun hardheid. Hij leert zien. Bij elke hap ziet hij meer. De schoonheid van de berk, het oude parket, het portret van haar grootmoeder…
    Dan het hoofdgerecht: stoofpot natuurlijk. Met rode wijn. Echt Frans. Een stoofpot zo kruidig en vol en pittig dat je niet weet wat je proeft. Letterlijk. Hij zal het niet weten. Zijn onwetende lippen zullen glimmen van verrukking, zijn onwetende ogen zullen haar zoeken. Hap voor hap dringt ze bij hem binnen. Hoe heet dat ook alweer? Kraken. Ze zal hem kraken als een leeg huis.

    Zie je mam, er is wel iemand. Hij heet Adriaan Brom. Zijn haar is van goud. Hap voor hap is hij van mij geworden. Zijn ogen zijn zacht, zijn kin is niet vierkant meer. Door mij is hij niet vierkant meer. Eerder rond. Rond als een rijksdaalder, rond als de cyclus van leven en dood.
    Door mijn stoofpotje is hij van mij geworden, mam.
    Mam, hij is van mij.

    Lees hier het juryrapport.

  • 28 juni 2012

    Juryrapport SLAA verhalenwedstrijd

     

    Er draaiden veel magen om, in de verhalen die we toegestuurd kregen. Er werd veel gehongerd, ook. Maar vooral overaten personages zich regelmatig, waarbij het uitsmeren van etenswaar niet geschuwd werd. En wat voor etenswaar: ham, taart, zuurtjes, stoofpotjes, wijn, ijs, honing, perziken, vette vis, appels, klokhuizen, een nijlpaard en ontzettend veel mensen. Hoewel; meestal bleven de verhalen steken bij het bereiden van een medemens. Kennelijk is het marineren van een elleboog makkelijker te omschrijven dan, ik noem maar wat, het leeglepelen van een hersenpan. Orgaanvlees; nog zo’n ondergeschoven kind van deze inzendingen.
    Wel veelvoorkomend waren culinaire metaforen, blauwe ogen, rossig haar, voedsel en keukengerei met een emotionele belevingswereld – ik noem hier even trotse kazen en een uitdagend kijkende bijl -, volle teugen en vloeiende bewegingen. Het grootste deel van de verhalen behelsde beschouwingen van of over restaurantgangers. Meestal geschreven vanuit de eerste persoon, maar er kwam ook een vlieg als hoofdpersonage langs en één van de inzenders heeft zich weten in te leven in twee verzadigde aasgieren.

    Voor de winnaar bewierookt wordt, bedankt de jury langs deze weg in een vloeiende beweging alle inzenders smakelijk voor hun sappige verhalen.

    Dan de winnaar: zij schreef het verhaal Leegstand, waarin de hoofdpersoon een stoofpotje inzet om de gang van zaken rond het leegruimen van ’s moeders huis te veranderen. Dat stoofpotje wordt subliem omschreven. Zoals één der juryleden opmerkte: ‘dit is één van de weinige verhalen waar ik trek van kreeg’. De sfeerbeschrijvingen zijn prachtig; door het verbinden van herinneringen aan alledaagse voorwerpen krijgt niet alleen het verhaal, maar ook de hoofdpersoon ervan karakter. Het gebruik van herhalingen is sterk en zorgt voor eenheid. De schrijfster is op de juiste momenten recht voor z’n raap, zonder plat te worden. De juryleden kozen dit verhaal onafhankelijk van elkaar als één van de beste verhalen, en (bijna) unaniem als winnaar. Renée Simons zal haar winnende verhaal straks voorlezen, en wordt geheel terecht overladen met een goeie stapel boeken, eeuwige roem en graag een groot applaus.

  • 22 juni 2012

    Writers in Residence

     

    Het project Writers in Residence is een initiatief van het Nederlands Letterenfonds en biedt buitenlandse schrijvers van literaire fictie, non-fictie en poëzie gedurende twee à drie maanden een verblijf- en werkplaats in het historische en culturele hart van Amsterdam. De Writer’s Residency is gevestigd aan het Spui, boven Athenaeum Boekhandel. Vanuit hier heeft de schrijver gemakkelijk toegang tot het literaire leven van de hoofdstad.

    Zo biedt het programma schrijvers niet alleen een inspirerende werkplek, maar wordt het schrijvers makkelijker gemaakt hun Nederlandse netwerk uit te breiden en hun werk hier te promoten, door bijvoorbeeld het geven van lezingen en het publiceren in lokale media.

    Dit jaar verbleven Etienne van Heerden (Zuid-Afrika), Bernice Chauly (Maleisië), Ronelda S. Kamfer (Zuid-Afrika) en Yves Petry al in het schrijvershuis aan het Spui. Petry vertelt:

  • 31 mei 2012

    Stadsgedicht

     

    Stadsdichter Menno Wigman schreef dit gedicht ter gelegenheid van de restauratie van het graf van Jacques Perk op de Noordoosterbegraafplaats. Gepubliceerd in Het Parool op 31 mei 2012.

    Bij het graf van Jacques Perk

    Ik hield, m’n beste Perk, nooit heel veel van je werk:
    teveel gerijmel voor een nooit bezeten vrouw.
    Maar ik vergat dat je slechts tweeëntwintig werd
    en – vreemd dat ik dit denk – als maagd de grond in ging.
    Toch blijft je naam zolang men Hollands leest.

    Je schreef: ‘Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij.’
    Dat vond ik mooi. Maar schoonheid is verschrikkelijk -
    zeker als het kan praten. Wie weet hoeveel je nog
    had zitten haten in gebeeldhouwde gedichten?
    En wat als razernij je rijm ontwrichtte?

    Het moest zo. Zeker in jouw tijd. De tirannie
    van standen, etiquette en sonnetten,
    die is voorbij. Alleen de jeugd heeft nu gelijk.
    Ooit was ik zeventien en lichtte je me bij:
    ‘Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij.’

    Menno Wigman

  • 30 mei 2012

    Stadsgedicht

     

    Stadsdichter Menno Wigman schreef dit gedicht na het lezen van een bericht dat er in de grachten van Amsterdam de laatste drie jaar ten minste 51 mensen om het leven zijn gekomen. Gepubliceerd in Het Parool op 30 mei 2012.

    Tot de bodem

    Een kroeg bezoeken en naar glazen grijpen,
    je geest, een luchtballon, van zandzakken bevrijden,
    steeds hoger stijgen en blijmoedig verder hijsen,
    de hoogste tijd, een nieuwe kroeg, je geld, je jas,
    zo dweil je door de koude voorjaarsnacht en pist,
    je bent een man of niet, schuimkringen in de gracht.

    Ik las dat de politie bij elk waterlijk
    (het gaat om meer dan vijftig doden in drie jaar)
    sinds kort meteen naar open gulpen kijkt.
    Hoe drank een vloek over de grachten verft.
    Hoe water ‘s nachts naar mensen grijpt.

    Een flits van speelgoed, stranden, tuinen en tv.
    Naar kades klauwen, in je kreten stikken, rond
    die luchtbel, rond je hoofd, een engel die niet komt,
    o de gestorven zomers in je mond.

    Menno Wigman

  • 16 mei 2012

    Bezoeker Tom Kipp

     

    Die schrijvers kennen we nou wel. Wie komen er eigenlijk naar ze kijken op een SLAA-avond? 

    ​Wie?
    Tom Kipp, werkt bij VNU Media, was een avond beroemd omdat hij het Bijlmer Boekt Boekenpakket won en daar een dansje bij deed.
    Waar? Op de tweede editie van Bijlmer Boekt.

    Kende je de SLAA al?
    Waar staat het voor? Ik kende alleen AT5. En Bijlmer Boekt ken ik uit het Parool, voor
    de vorige editie stond er een bon in die krant. Ik woon in de Bijlmer en ik dacht: dat
    is leuk! Ik vond Blaxtar het mooist toen.

    En vanavond, ook favorieten?
    De spoken word van Zulile Blinker! Het was sowieso een gezellige avond, veel artiesten, het verveelde niet. Ook fijn dat er geen pauze was. En de prijs is natuurlijk formidabel, ook de aandacht die erbij komt kijken. Ik heb de handtekening van Herman Koch! ‘Voor Tom’, schreef hij.

    Wat lees je graag?
    Ik lees af en toe eens een roman. Dan vind ik Herman Koch dus erg leuk. Verder lees ik veel over progressieve indie-rock. Je kent het. Ik ga graag naar Paradiso en De Melkweg, bandjes kijken. Op zo’n avond heb ik trouwens ook wel eens een prijs gewonnen, op precies dezelfde manier!

    En wat lees je niet graag?
    Nou, ik lees alles wel een beetje. Kranten, boeken, tijdschriften. Ik zou het niet
    weten.

    Al gekeken wat de prijs is die je gewonnen hebt?
    Nee, ik houd erg van ingepakte cadeautjes, dus ik ga er thuis eens goed voor zitten.
    Ook om de boeken te lezen, ja.

    Wil je nog iemand de groeten doen?
    Nou, alle bekenden uit Amsterdam, en vooral mijn vrouw natuurlijk.

  • 10 mei 2012

    Verhalenwedstrijd: eten

     

    Eeuwige roem! Podiumplaats! Stápels boeken!

    Gerard Reve schreef over jus in De Avonden. Charlotte Mutsaers over vegetarisme in Koetsier Herfst. Mathijs Deen schreef de wereldgeschiedenis eens dunnetjes over aan de hand van etenswaren in Brutus heeft honger. Eten in literaire werken is er niet alleen om de honger te stillen, maar ook om lust op te wekken, banden te smeden en gif door te mengen.

    De SLAA organiseert op 18 juni in Amsterdam een avond over de twee leukste dingen op aarde: literatuur en eten.

    Wil jij net als Mathijs Deen, Gilles van der Loo (Hier sneeuw het nooit), Kees ’t Hart (host, o.a. Engelvisjes en andere verhalen) en Hiske Versprille (het culinaire genie van Hard Hoofd) een bijdrage leveren aan de avond? Stuur dan voor 6 juni je verhaal, met als thema ‘eten’ in de breedste zin van het woord en met een lengte van maximaal 1000 woorden, naar pr@slaa.nl. Win niet alleen eeuwige roem, maar ook de kans je verhaal live voor te lezen op 18 juni, een interview met Thuiseten van Het Parool, publicatie op de website van de SLAA en een lekkere stapel boeken. In de jury zitten, behalve de SLAA, ook Nienke Denekamp (free-lance journalist, o.a. werkzaam bij het Parool) en Hiske Versprille.

    Stuur het verhaal als Word-document of PDF op, en vergeet niet je gegevens te vermelden in hetzelfde bestand. We willen de winnaar natuurlijk wel contacteren.

    Check ook Twitter @SLAAamsterdam of vind ons via Facebook.

  • 08 mei 2012

    Bezoeker: Lindy de Jong

     

    Die schrijvers kennen we nou wel. Wie komen er eigenlijk naar ze kijken op een SLAA-avond? En waarom?


    Wie?
    Lindy de Jong (25), medewerker bij een uitgeverij.

    Waar? Aan tafel bij Libris. Met Jan van Loy, Jan van Mersbergen, Ivo Victoria, Miquel Bulnes, Arjen Fortuin, Marja Pruis, Kester Freriks, Yves Petry, Trees Nelissen, Jaap van Straalen, Sieger Sloot, Margot Dijkgraaf en Jeroen van Kan.

    Kom je hier vaker?
    Ja, ik ben vaker te vinden op SLAA-avonden. Nu ben ik heel toevallig met mijn collega’s, maar meestal ben ik met vrienden en ik kom ook wel eens alleen.

    Dan lees je vast graag…
    Historische romans en Spaanse literatuur; je zou bijna denken dat ik hier vanavond verkeerd zit hè? Ik ben nu bezig in De nacht der tijden, de nieuwste roman van Antonio Muñoz Molina: die vind ik erg goed schrijven.

    En wat lees je niet graag?
    Moeilijk, ik lees bijna alles. Maar vooruit: science-fiction. En de Tess-Gerritsen-achtigen.

    Wat vond je van vanavond?
    Erg afwisselend, de tijd vloog voorbij. Ik vond de tafelrede van Marja Pruis (over het ontbreken van vrouwen in de genomineerden en de jury, red.) erg geslaagd: de jury van de Libris Literatuur Prijs heeft nu sowieso iets om over na te denken.

    Wil je nog iemand de groeten doen?
    Nee zeg.

  • 23 april 2012

    Stadsgedicht

     

    Stadsdichter Menno Wigman schreef dit gedicht voor de 144e eenzame uitvaart te Amsterdam. Het werd gepubliceerd in Het Parool op 23 april 2012.

    Aarde, wees niet streng

    Aarde, hier komt een eerzaam lichaam aan
    waarin een magistrale zon is opgegaan.
    Achter de ogen scheen een zomermaand,
    het middenrif liep vol zacht avondlicht
    en bij de hartstreek rees een tovermaan.

    De handpalm voelde water, streelde dieren,
    de voeten kusten stranden, kusten steen. Inzicht.
    Er sloop vreemd inzicht in het hoofd, de tong
    werd scherp, er huisden vuisten in de vingers
    en de hand bevocht brood, geld, eer, seks, licht.

    Je kunt er heel wat boeken over lezen.
    Je kunt er zelf een schrijven. Aarde, wees niet streng
    voor deze man die honderd sleutels had,
    nu zonder reiskompas een pad aftast
    en hier zijn eerste nacht doorbrengt.

    Menno Wigman

  • 19 april 2012

    Magere Woorden: Yves Petry

     

    Op 28 maart vond ‘Magere Woorden’ plaats. Dit programma, georganiseerd in Samenwerking met De Optimist, ging over de urgentie van literatuur en het schrijverschap. Arjen Fortuin, Manon Uphoff, Maarten Doorman, Yves Petry en Arjen van Veelen spraken hun mening uit over het onderwerp.
    ​Wanneer een boek van mij is verschenen en in de boekhandel op zijn kopers wacht, voel ik me tijdelijk geen schrijver meer. Ik functioneer eerder als een medewerker van de publiciteitsafdeling van de uitgeverij.
    Dat heeft gevolgen. Het verandert iets aan mijn levensgevoel. Toen ik nog met mijn roman bezig was, kon het leven soms mooi zijn op een heel specifieke manier, namelijk wanneer ik wat ik zag, voelde of ervoer een plaats kon geven in mijn tekst. Treffende details die de schoonheid van een lenteochtend, een wolkenhemel, een wandeling, een mens, een gesprek uitmaakten, gingen niet altijd verloren maar kregen een betekenis of een functie in een bepaalde passage van mijn boek in wording. Maar zodra de tekst af is, sta ik in het leven als ieder ander. De wereld kan nog altijd wel mooi zijn maar die schoonheid heeft geen bestemming meer. Ze is voorbijgaand en doelloos van aard. Ze flitst nu en dan nog op, maar het lijkt al snel alsof ze er nooit is geweest, alsof ik niets heb gezien, gevoeld of ervaren, alsof al mijn dagen eender zijn.

    Daarom ben ik blij als iemand van de pers me benadert met de vraag of hij me mag komen interviewen. Niet alleen is dat goed voor de publiciteit, het biedt me ook de gelegenheid om weer eens in de huid van de schrijver te kruipen. Wat ik denk, zal worden opgenomen of opgeschreven. De inspiratie van het moment zal op een of andere manier worden gefixeerd, net als toen ik nog aan een roman werkte.

    Sommige interviewers spelen het spel heel sportief mee. Ze benaderen je als schrijver, ze gunnen je de rol van iemand die hen met plezier laat verdwalen in het spiegelpaleis van zijn geest. Ze laten zich zichtbaar amuseren door de effecten die de trance van het woord kan voortbrengen. Het was tenslotte ook juist het talent voor verbale acrobatie, zoals dat uit je boek sprak, waardoor hun nieuwsgierigheid in de eerste plaats was geprikkeld.
    Zodra ze de deur uit zijn, schud ik mijn vuisten van triomf. Ik was weer eens een schrijver.

    Maar je hebt ook andere interviewers, helemaal niet speels van aard. Geen gelul, gedaan met de flauwekul, denken ze, en daarvoor moeten het niet eens noodzakelijk Nederlanders zijn. Ze zijn niet gekomen voor de schrijver, de praatjesmaker, de charlatan, ze komen voor het echte ding, de mens.

    Natuurlijk heb je geen zin om over de mens te praten. Je hebt twee, drie jaar aan een boek gewerkt en dat is dan ook het product waarmee je in de openbaarheid wil verschijnen. Niet met je leven maar met je roman hoop je een verschil te maken. Je bent niet vervuld van jezelf maar van je boek. Je leven is maar het vruchtwater, het bóek is de interessante nieuweling, als geheel veel rijker, geconcentreerder, genuanceerder dan jij op enig moment bent geweest of ooit zult zijn.

    Suggesties in die zin kunnen gaandeweg op steeds minder geduld van bepaalde vraagstellers rekenen. Ze vinden je niet eerlijk. Ze vinden je onoprecht, achterbaks. Ze doen nog eens een zure poging om je uit je schelp te lokken door uitlatingen van de personages uit je boek klakkeloos aan de auteur toe te schrijven. Natuurlijk protesteer je dan. De personages volgen hun eigen logica, of hun gebrek daaraan, en leiden een eigen bestaan. Ongetwijfeld zullen ze ook wel iets ontlenen aan wat je zelf ooit hebt gedacht of gevoeld. Maar evengoed aan wat andere mensen of personages uit andere boeken hebben gedacht of gevoeld, of zelfs aan gevoelens of gedachten die alleen maar ontsproten zijn aan de verbeelding. Je weet als schrijver niet echt wat de verhouding is tussen je boek en je leven omdat die je in feite ook niet interesseert. Je wil niet zozeer iets zeggen over de werkelijkheid als wel er iets aan toevoegen, iets wat op zichzelf staat en de feiten niet nodig heeft om waar te zijn.

    Het mag niet baten. Ze willen je niet horen praten als een schrijver. Het wil er bij sommige journalisten echt niet in dat een mens van iets anders zou zijn vervuld dan van zichzelf.
    De stemming wordt steeds slechter. Je zoekt naar een uitweg en zegt dat je boek misschien enigszins autobiografisch is in die zin dat het gedeeltelijk kan worden opgevat als een speculatie over het soort mens dat je mogelijk zou zijn geweest als je geen schrijver was geworden. Maar aan zoveel voorzichtigheid, voorbehoud en nuance heeft mijn bezoeker geen boodschap.
    Daar zit ik mooi, in mijn eigen huiskamer, in het gezelschap van een wildvreemde, zichtbaar misnoegd over het feit dat ik hem geen intieme informatie wil geven die hij graag met tien- of honderdduizend anderen had willen delen. Zodra hij de deur uit is, schud ik de vuisten, niet van triomf deze keer. Het is net alsof ik als schrijver inderdaad niet meer besta.

    RECENSIES

    En interviews kun je dan tenminste nog tot op zekere hoogte sturen. Je ontmoet je interviewer in levenden lijve en bepaalt mee de richting van het gesprek. Zelfs al is het eindresultaat niet helemaal of helemaal niet naar wens, zelden worden er zoveel zinnige en interessante dingen over mijn boek gezegd als wanneer ik dat zelf doe.
    Over een recensie daarentegen heb je geen enkele controle.

    Nu is me al vaak aangeraden me niet op te winden over besprekingen van mijn boek. Wie leest die immers nog? En misschien klopt dat wel. De gemakzucht die uit sommige recensies spreekt, valt niet meer te onderscheiden van pure moedeloosheid. Het maakt blijkbaar geen moer meer uit wat er in zo’n stukje staat, zelfs niet in de ogen van diegene die het schrijft. Daarom kletst hij maar raak. Ik kom ook amper iemand tegen die me over een recensie aanspreekt. Interviews lijken een veel groter bereik te hebben.

    Een andere reden om me over recensenten niet op te winden is dat ze me over het algemeen verwennen. Dat betekent niet dat ze mijn boek volledig recht hebben gedaan. Zoiets is om te beginnen al onmogelijk binnen de nogal krappe ruimte die de culturele verslaggeving voor literatuur reserveert. Om mijn boek te geven wat het toekomt, moet je het zelf lezen. Dat erkennen deze sympathieke critici dan ook, op zijn minst impliciet. Hun hele hartverwarmende betoog is een aansporing aan de lezer om zich naar de boekhandel of de bibliotheek te reppen. Daar ligt iets dat hem een ervaring zal bezorgen die zij op voorhand al gedienstig van uitroeptekens hebben voorzien en in superlatieven omschreven. Soms geven ze zelfs heel precies het aantal sterretjes aan dat de lezer zal zien.

    Ik drijf er nu wel een beetje de spot mee, maar voor dergelijke recensenten, die binnen de commerciële context waarin ze moeten opereren, met de literatuur of in ieder geval toch met mijn boek het beste voor hebben, heb ik alle respect.

    Jammer genoeg duiken er op mijn radarscherm altijd weer vreemde, grillig koersende voorwerpen op die deze respectabele gang van zaken doorkruisen. Het zijn er niet eens zoveel maar ze zorgen steevast voor grote agitatie in de controlekamer.
    Hun kwade wil is werkelijk verbijsterend. Vaak blijken ze niet eens zozeer mijn boek maar vooral mijn interviews te hebben gelezen. Als ik daarin heb verklaard dat ik een plot niet de belangrijkste drijvende kracht vind in een roman, dan nemen ze dat over in de vorm van een verwijt. Als ik in een krant heb gezegd dat ik honderd pagina’s uit mijn manuscript heb geschrapt, dan beweren ze, zonder die pagina’s te kennen, dat ik dat niet had moeten doen. Adembenemend zijn de stompzinnige, muggenzifterige of irrelevante redenen die ze aanvoeren om mijn boek af te wijzen.

    Je vraagt je wel eens af waar iemand de pretentie vandaan haalt dat hij beter dan de auteur zou weten hoe diens roman eruit had moeten zien. Naast de gebruikelijke domheid ligt aan de basis van deze pretentie voor een deel ook het onvermogen van sommige recensenten om zich te laten grijpen door de ware spanning van de roman. En dan heb ik het niet over de zogeheten spannende plot. De behoefte daaraan vind ik vooral getuigen van grote intellectuele leegte, van vermoeidheid of gewoon van een infantiele smaak. Ik heb het over de spanning tussen algemeen gedeelde evidentie en hoogstpersoonlijke intuïtie, tussen het vanzelfsprekende en het amper verwoordbare. Hoe ambitieuzer je als romanschrijver bent, hoe groter die spanning in je roman zal zijn.
    Hoe zou trouwens het lezen van een boek een avontuur kunnen zijn als het schrijven ervan niet meer dan routine was?
    De auteur wil door de bekende, al te bekende motieven van het menselijk bedrijf heen een blik werpen op minder bekende of wie weet zelfs tot hiertoe onbekende patronen. Eerder banale passages wisselen af met nogal sublieme passages in een ritme dat hij niet altijd in de hand heeft. Ook verloopt de overgang tussen beide niet altijd zo naadloos als hij had gewild. Breuken, bokkensprongen, abrupte sfeerwisselingen zijn het gevolg. Dit gebrek aan controle is evenwel niet per se een aanwijzing dat de auteur faalt. Het kan er ook op wijzen dat zijn werk net zo echt is als het lieve leven zelf. Hij weet niet altijd wat hij doet, en zal achteraf niet altijd kunnen verklaren wat hij gedaan heeft. Het boek als geheel overstijgt hem.
    Als je dat is gelukt, heb je een boek met een karakter geschreven, en juist dat is wat sommige recensenten absoluut niet willen erkennen. Ze weigeren het boek als geheel te ondergaan, als een vorm van leven waarvan de samenhang niet alleen op logica berust. Ze behandelen het als een bedenksel, met als gevolg dat ze het mishandelen. Ze denken dat het boek tot stand is gekomen op dezelfde bedachte en vaak goedkope manier waarop zij het analyseren. Soms lijken ze wel een zekere theoretische kennis van literatuur te bezitten, maar geven ze helemaal niet de indruk ervan te houden. Ze miskennen in ieder geval de ware drijfkracht ervan.
    Boeken met een karakter hebben het tegenwoordig niet makkelijk. De eunuchen van de literatuur, die je in groten getale aantreft zowel onder de schrijvers, de critici, de uitgevers als de boekhandelaren, verheffen de gladde well made novel tot norm. De rest mag op veel tegenstand rekenen, op verwijten van pretentie en nog vaker op onverschilligheid.

    Maar het ligt toch niet aan mijn muziek dat betweters op klompvoeten niet kunnen dansen!

    Soms verbaast het me niet dat de jeugd nog maar weinig leest. Veel literaire cultuur wordt haar door de media niet aangeboden, des te meer een bestsellercultuur waarvan ik zelf niet inzie wat ik daar toen ik nog een jongeman was wild, wervend of opwekkend aan zou hebben gevonden.

  • 19 april 2012

    Magere Woorden: Maarten Doorman

     

    Op 28 maart vond ‘Magere Woorden’ plaats. Dit programma, georganiseerd in Samenwerking met De Optimist, ging over de urgentie van literatuur en het schrijverschap. Arjen Fortuin, Manon Uphoff, Maarten Doorman, Yves Petry en Arjen van Veelen spraken hun mening uit over het onderwerp.

     

    De vermeende facebookisering van de literatuur.

    Gaat het soms niet goed met de literatuur? Ik hoor gemor om mij heen. En dan niet alleen over het wankelende Selexyz-imperium of de vermeende teloorgang van het boek, dat na vele eeuwen begint op te lossen in digitale tekst door internet, iPad en kindle. Nee, ik hoor kommervolle geluiden over de schrijver van tegenwoordig. Een nieuwe generatie schrijvers, zo wil de veel gehoorde klacht, is er niet meer op uit om een originele bijdrage aan de literatuur te leveren: het gaat nu eerder om een bijdrage aan zijn of haar eigen reputatie. Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) wijdde er onlangs een avond aan.

    Een boek publiceren is goed voor je imago. Je kunt er op Facebook mee voor de dag komen. Als het goed aanpakt en je geluk hebt is het een shortcut to fame. Uitgeverijen zoeken op hun beurt naarstig naar jong talent dat zichzelf goed kan presenteren, vrouwelijk schoon geen bezwaar, en bekende Nederlander nog minder. De schrijvers zelf hebben niet altijd even veel te melden, maar vijlen net zo lang aan hun i-Proza tot de eigen wederwaardigheden, relatiebeslommeringen, familieproblemen en jeugdherinneringen tot literatuur zijn opgeschaald. De schrijver, ooit een visionair en een vertolker van andere werelden, is een zzp-er geworden die erin slaagt het eigen narcisme met een boek te gelde te maken. Wat is in deze optiek vandaag de dag dan eigenlijk nog literatuur? Literatuur is het voortzetten van Facebook met andere middelen.

    Dit soort gemopper is geen onzin. Het romantische schrijverschap heeft veel aan allure ingeboet. Dat schrijven uitdrukking moet geven aan iets dat groter is dan onszelf, aan een wereld van verbeelding, die iets zegt over de plaats waar we leven en de tijd waarin we ons er doorheen slaan, is niet meer zo vanzelfsprekend. Natuurlijk zijn er nog volop Nederlandse en Vlaamse schrijvers met een eigen, niet autobiografische thematiek in de traditie van de grote roman. En over de grens veel meer. Schrijvers voor wie werk en eigen besognes niet vanzelfsprekend samenvallen.

    De Amsterdamse hoogleraar neerlandistiek Thomas Vaessens deed een paar jaar geleden in De revanche van de roman (2009) een poging om te laten zien dat een dergelijke, op de wereld betrokken literatuur na het postmodernisme toch weer zijn weg had gevonden. Volgens hem was het engagement terug en keken sommige schrijvers weer om zich heen. Maar prachtig geschreven romans van de negentiende eeuw, van een Victor Hugo of Flaubert, zijn die nog wel van deze tijd? De geëngageerde, meeslepende verhalen van Zola, poëzie met een wereldbeeld als dat van T.S. Eliot, de ideeënromans van een Thomas Mann? Hebben die nog bestaansrecht?

    Dat is de vraag. De ‘revanche’ van de roman was volgens Vaessens slechts mogelijk wanneer we niet de hele tijd over stijl en vorm bleven zeuren, iets wat lang cruciaal was geweest voor de literatuur. Onze romantische literatuuropvatting ligt inmiddels klaarblijkelijk minder voor de hand dan twee eeuwen letterkundige bloei ons zouden doen geloven. Zeker als we de platte bestsellercultuur en de digitale verdamping van het boek onder ogen zien. Daar kan de schrijver van nu zich niet aan onttrekken.

    Dat roept de volgende vragen op. Moet de hedendaagse schrijver een zelfstandige ondernemer zijn die naast een zekere schrijfvaardigheid toch vooral in staat is zichzelf op de kaart te zetten door op televisie te verschijnen en in de sociale media maximaal aanwezig te zijn? Of is de schrijver een meer of minder geniale eenling, wiens eigenheid schuilt in een briljante stijl en een persoonlijk wereldbeeld dat niets met zijn of haar eigen leven te maken hoeft te hebben? Facebook of zolderkamer, De Wereld Draait Door of eenzaam sappelen met een halve schrijversbeurs, fast literature of stilistisch meesterschap voor de fijzinnige liefhebber, elitevermaak of volkscultuur, Oprah Winfrey’s leesclub voor miljoenen of een bescheiden nichemarkt, waar gaat het nu om?

    Wie zich dit afvraagt zou eens stil moeten staan bij het oerbeeld van de romantische schrijver, want aan dat beeld ontlenen wij nog steeds ons idee van literatuur. Neem de jong gestorven Lord Byron, het prototype van de romantische dichter. Zijn leven, uiterlijk en gedrag hadden alles wat een literair genie maar nodig heeft. Om te beginnen zijn afstamming: zijn vader en grootvader van moederszijde pleegden zelfmoord, impotentie en hypochondrie doken telkens even erfelijk als hinderlijk op en zijn grootouders waren neef en nicht. Byron zelf had nauwelijks baardgroei en hij hinkte wegens een aangeboren afwijking aan zijn voet. Hij was excentriek en flamboyant, kreeg een verhouding met zijn halfzus bij wie hij vermoedelijk een dochter verwekte, leed onder heftige depressies, had talloze affaires met mannen en vrouwen, dronk, gokte, maakte schulden, vocht, was verslaafd aan opium, reislustig en lichtgeraakt. Hij provoceerde de burgerij waar hij kon en deed vooral jonge vrouwen door zijn aanwezigheid in katzwijm vallen. Waar Byron verscheen ging een golf van opwinding door de zaal. Als dat geen schrijver was!

    Dat kon hij trouwens best goed: schrijven. En hoewel zijn werk zelden zuiver autobiografisch is, schemert zijn bewogen leven op allerlei manieren door zijn poëzie. Dat is niet gek, want vanaf de romantiek gaat het er bij schrijven in de eerste plaats om, uitdrukking te geven aan de eigen belevingswereld. En die valt onvermijdelijk nogal eens met het eigen leven samen. Als we dit bedenken wordt het niet zo makkelijk om de zojuist opgeworpen vragen ondubbelzinnig te beantwoorden.

    Zeker, Lord Byron had verheven idealen over het schrijverschap, zijn verbeelding was groter dan zijn toch behoorlijk imposante eigen avonturen en op het eerste gezicht staat hij wel erg ver af van de narcistische zzp-er van vandaag. Maar gaf hij in werk en leven niet vooral ook uitdrukking aan zichzelf op een manier die je best als een oervorm van de rusteloze activiteit op Facebook kunt zien? Als een expressie van het zelf?

    Misschien was het alleen narrigheid toen hij in Cambridge met een levende beer op college verscheen, nadat het hem verboden was om zijn hond mee te nemen. Maar zijn zucht tot provocatie had iets behoorlijk zelfbewusts. Hij noemde zichzelf vanwege die horrelvoet al vroeg le diable boiteux, de hinkende duivel, en maakte zo van een gebrek juist een waarmerk van zijn unieke persoonlijkheid. Er wordt gezegd dat deze ongeremde wildebras ’s nachts met krulspelden sliep en de exotische kleren waarmee hij zich uitdoste en de manier waarop hij zich liet schilderen laten zien dat hij bepaald niet onverschillig stond tegenover het beeld dat anderen van hem hadden.

    Tegelijk zag hij in, dat de herleiding van zijn geschriften tot de feiten van zijn leven het werk banaal maakten. Ook de dichter William Wordsworth had om die reden een hekel aan de biografische belangstelling voor zijn werk. Toch nodigde hij een biograaf bij hem thuis uit, ene Barron Field, om hem later weer het recht te ontzeggen over zijn leven te publiceren. Het strookte kennelijk niet met het gewenste zelfbeeld. Romantische schrijvers waren met andere woorden van meet af aan bezig, zich om hun reputatie te bekommeren en werkten er hard aan het imago van een genie aan de buitenwereld te tonen.

    Een goede strategie was de mythe van de miskende dichter, wiens onsterfelijkheid pas na zijn dood zou worden erkend, terwijl hij als een zwerver en geslagene door het leven moest gaan. Denk aan Charles Baudelaires beroemde gedicht over de albatros, de ‘prins der hemelsferen’ die door matrozen gevangen wordt en op het dek bespot: ‘De een brandt met een pijp zijn snavel en de ander / Hinkt honend het onmachtig dier na dat eens vloog!’ Eenmaal tussen het scheepsvolk ziet dit symbool van de dichter er belachelijk uit met die grote vleugels. ‘Gebannen aan de grond, waar spotters hem kleineren, / Wordt hij door reuzenwieken in zijn gang gestuit.’

    Toch, zo schrijft Baudelaire in Le Spleen de Paris, kan een dichter zich best redden wanneer hij zich in vermomming in de menigte begeeft. Sterker nog, plezier hebben in de massa is een kunst. Want is er voor de dichter niet altijd een wisselwerking tussen menigte en eenzaamheid? En met die constatering belanden we in de hedendaagse literatuur, die nog altijd romantischer is dan wij denken. De zogenaamde Grote Drie van onze naoorlogse letterkunde provoceerden het publiek niet minder dan deze romantici. Willem Frederik Hermans door zijn polemieken in de krant, Harry Mulisch door zijn levensstijl van teruggetrokken beroemdheid en Gerard Reve door zijn onnavolgbaar ironisch vermengen van autobiografie, fictie en zelfstilering. Reve was een meester in publiciteit; zijn televisieoptredens zijn legendarisch.

    Omdat de urgentie van het schrijverschap al sinds de romantiek niet meer zonder een of ander vorm van expressie kan, is de ijver waarmee jonge schrijvers zichzelf presenteren helemaal niet zo nieuw. De eigen wederwaardigheden van de schrijver, zijn of haar relatiebeslommeringen, familieproblemen en jeugdherinneringen spelen al tweehonderd jaar een rol in de literatuur. Dat geeft niets, zolang het goed wordt opgeschreven. En daar ontbreekt het wel eens aan. Net als vroeger, toen niet alles beter was. Als de roman al een revanche nodig heeft, en voor revanche is het nooit te vroeg, dan zijn daar niet alleen ideeën voor nodig, maar ook een overrompelende stijl.

    Natuurlijk, de media zijn behoorlijk veranderd; zo’n stijl is op Facebook niet overal te vinden. Televisie heeft enorme invloed en verdraagt geen bedachtzaam formulerende schrijvers of auteurs die hun geestigheid te veel in lange zinnen verpakken. Door de verwoestende veelheid boeken is het onderscheid tussen wat goed is en minder hoe dan ook steeds moeilijker. Maar het probleem is hier niet de ‘facebookisering’ van de literatuur. Die is van alle tijden. Het probleem is eerder, dat de literaire kritiek niet voldoende in staat is en te weinig ruimte in die media krijgt om dat onderscheid te maken. Het heeft geen zin nieuwe media of jonge ijdeltuiten de schuld te geven van het ineenzakken van de literatuur. Die zakt ook helemaal niet ineen. Waar het om gaat is steeds het gesprek over kwaliteit gaande te houden. En dat lukt nooit door media of nieuwe generaties aan te klagen.

    Dit is de bewerkte tekst van een lezing die Maarten Doorman onlangs hield bij SLAA in De Balie te Amsterdam. De tekst verscheen op 14 april jongstleden ook in De Volkskrant.

  • 19 april 2012

    Magere Woorden: Arjen van Veelen

     

    Op 28 maart vond ‘Magere Woorden’ plaats. Dit programma, georganiseerd in Samenwerking met De Optimist, ging over de urgentie van literatuur en het schrijverschap. Arjen Fortuin, Manon Uphoff, Maarten Doorman, Yves Petry en Arjen van Veelen spraken hun mening uit over het onderwerp.

    Jonge schrijvers & Urgentie

    Wat is urgentie? Als je heel nodig naar de wc moet, dan heb je urgentie.
    Urgentie is net zoiets als geluk. Zodra je erover praat is het er niet.
    Daarom moeten we het vanavond over iets anders hebben.

    Op de website van de SLAA staat dit:
    Arjen van Veelen gaat in op de huidige generatie jonge schrijvers en zal op zijn welbekende originele wijze hun plek in het literaire landschap duiden.
    Mijn “welbekende, originele wijze.” Dat zijn twee prachtige complimenten ineen. Ik ben, kennelijk, bekend. En dan ben ik ook nog eens origineel.
    Maar de combinatie ‘welbekend origineel’, daar is iets mee. Dat klinkt als: gebruikelijk verrassend. Of: voorspelbaar oorspronkelijk. “Oh, nee, hè, niet wéér Van Veelen, met zijn welbekende originele wijze.”

    Misschien is dit precies de diagnose die we moeten stellen over de huidige lichting jonge schrijvers. Ze zijn welbekend origineel. Gebruikelijk verrassend.
    “Niemand verwacht nog iets echt nieuws. Alleen maar nieuwe versies van het oude.” Dat schreef Tim Parks laatst in NRC. En als een buitenlander het zegt is het waar. Maar is het ook ernstig?

    Afgelopen weekend was ik in de Vlaamse Ardennen. Ik maakte daar een wandeling door de natuur. Het was geen literair landschap.
    Op een gegeven moment kwam ik bij een beekje met een waterval. In een zijtak van dat beekje, in bijna stilstaand water, heb ik toen kikkerdril aanschouwd: een glibberige gelei, honderden potentiële kikvorsen. Zoals ze elk jaar weer komen. De natuur is zelden origineel. Een repeterend wonder. Maar wie ooit donderkopjes zag bewegen, weet wat urgentie en geldingsdrang zijn. Die kikkerdril is een geschikte metafoor voor elke nieuwe generatie jonge schrijvers. Daar heb je ze weer. Tientallen, honderden wriemelende, glibberige wannabees. Ze lijken allemaal op elkaar. Zwarte stipjes. Slechts een enkeling zal het halen. Er zijn reigers en salamanders en recensenten. Het wordt een slachtpartij. Uiteindelijk blijven er drie over. De grote drie kikkers. Die mogen eventjes rondkwaken in hun universum van slootwater. Tot ze uitgekwaakt het loodje leggen. Dit alles is in overeenstemming met de natuur. Dit alles is niets nieuws. Maar nu gaan we het hebben over klimaatverandering.

    Een terugkerend thema in de ingezonden stukken die binnenkomen bij de krant waar ik werk is deze vraag: waarom zijn jongeren van nu niet bozer? Waar zijn de massademonstraties? Waar is het heilige moeten, waar de heilige verontwaardiging? Let wel: het zijn de jongeren zelf die zich dit afvragen. Sommigen zijn zelfs verontwaardigd dat ze niet verontwaardigd zijn. Die vraag gaat er van uit dat er ook iets ís om boos over te zijn. Onrecht. Oorlog. Honger. Maar dat is in het kalme Nederland niet het geval. We hebben hoogstens af en toe ergens jeuk. Geen honger maar trek. Ons grootste probleem is een gebrek aan probleem.

    Daarom zijn we stiekem jaloers op Oeganda. Of op de Arabische wereld. Daar zijn wel problemen. Daar zien we jongeren met in hun ogen de vonk van verontwaardiging. Dáár, ja, dáár is schrijven een eitje. Onze honger naar problemen verklaart waarom we massaal en klakkeloos protestbewegingen als Occupy of Kony 2012 omarmden.

    Wie zelf geen problemen heeft, kan problemen importeren. Je kunt bijvoorbeeld schrijven over problemen in Cairo, Aleppo, Bangalore, Damascus, Delhi, Jakarta, Kathmandu, Mumbai, Shanghai, Addis Abeba, Entebbe, Freetown, Lubumbashi, Nairobi, Belem, Chongqing of Guadalajara.
    Maar slechts weinig jonge schrijvers doen dat. Er zijn veel Grunberg-navolgers, maar weinigen imiteren zijn reislust. En als jonge schrijvers al georiënteerd zijn op het buitenland, dan heet dat buitenland of New York of Berlijn. Die twee steden zijn samen ons Parijs.

    Dat is een nauwe wereldblik. Cosmopolitan-kosmopolitisme. Gek eigenlijk: juist nu we internet hebben en goedkope vliegtickets, is onze wereld geen dorp geworden, maar dorps. Jonge schrijvers zijn vaak ook juist conservatief en traditioneel. Eerst dacht ik dat dit een demografisch effect was: een gevolg van vergrijzing van de boekenkopers. Als boekenkopers vooral zestigers zijn, dan worden boeken die zestigers aanspreken eerder bestsellers. Noem dit het Wende Snijders-effect. Wende Snijders is jong, maar ze zingt oude liedjes. Dat geeft de oude generatie moed: zelfs jonge mensen vinden onze muziek leuk. Maar dat verklaart maar de helft. Dat verklaart nog niet waarom jonge mensen oude liedjes gaan zingen.

    Laten we als studieobject het nieuwe literair tijdschrift Das Magazin kiezen. Dat blad werd opgericht door twintigers. Via crowdfunding haalden zij het startkapitaal binnen. Gisteren kreeg ik een persbericht dat het blad nu al is uitverkocht. Wat opvalt: in het eerste nummer van Das Magazin gaat het veel over het schrijven zelf. Een essay van Chad Harbach gaat over het literaire klimaat in New York. Een verhaal over het oprichten van een literair tijdschrift. En een fotoreportage bij een schrijver thuis: de schrijver aan het werk. Schrijven als lifestyle. Het design van het blad lijkt minstens zo belangrijk als de teksten. Dat past bij deze tijd. Voor deze generatie is vorm net zo goed inhoud. Het verschil tussen die twee verdwijnt. Net zoals het bij de producten van Apple zinloos is om het design los te koppelen van de functionaliteit.
    Het blad is dus vernieuwend qua presentatie en qua financiering, maar de wijze van schrijven is vrij traditioneel. Je merkt bijvoorbeeld nauwelijks iets van het feit dat deze generatie is opgegroeid met internet. De verhalen hebben keurig een kop en een staart. Dat zegt het blad ook over zichzelf. Het schrijft dat het past in de ‘retro-mode’. Het noemt zichzelf: ‘Literair tijdschrift voor achterlopers’. De redactie noemt zichzelf enerzijds een ‘roversbende’, maar vereert tegelijkertijd de oude garde: in het nulnummer (titel: “de aanval”), staat een bijdrage van Remco Campert, vernieuwer uit de jaren vijftig.
    Wat ik mis in zijn levenstekens van tegencultuur, van progressiviteit, van experiment, van gif en van tegengif. Maar dit is nog maar nummer één.

    In ons land verschijnen elke dag meer dan vijftig nieuwe boeken. Schrijvers willen beroemd worden, maar veel beroemdheden willen ook nog steeds schrijver worden. Literatuur heeft prestige. Dat is dus niet het probleem. Soms denk ik dat literatuur een chique of hippe vorm van entertainment is geworden en dat de schrijver als progressieve kracht in de samenleving kwijnt. Schrijvers zijn voorspelbaar origineel. Niet cynisch. Nooit giftig. Maar lief, heel lief. Hemelbestormers vind je elders, bij de piraten, bij de hackers, bij de bloggers. De nieuwe Harry Mulisch is misschien wel helemaal geen schrijver.

    Maar dit beeld kan omslaan met één goed boek. Meer is er niet nodig. Eén goed boek per twintig jaar. Ergens in de die glibberige glazen bol van kikkerdril, tussen honderden wriemelende wannabees, zit één donderkopje dat mij straks geheel ongelijk geeft.

  • 19 april 2012

    Magere Woorden: inleiding door Arjen Fortuin

     

    Op 28 maart vond ‘Magere Woorden’ plaats. Dit programma, georganiseerd in Samenwerking met De Optimist, ging over de urgentie van literatuur en het schrijverschap. Arjen Fortuin, Manon Uphoff, Maarten Doorman, Yves Petry en Arjen van Veelen spraken hun mening uit over het onderwerp.

    Afgelopen vrijdag schreef Tim Parks een groot stuk in NRC Handelsblad over het moderne schrijverschap. Hij had het over ‘een botsing die bestaat tussen de idee van schrijven als romantische, antiburgerlijke roeping en de noodzaak voor de beroepsschrijver zich te moeten inlaten met een geoliede reclamemachine.’
    Over het algemeen valt het met die geoliede reclamemachine in Nederland wel mee. Die bestaat doorgaans uit vijf telefoontjes naar de redactie van het televisieprogramma De Wereld Draait Door, een boekpresentatie ‘ten huize van de uitgeverij’ van vijf tot half negen, één advertentie ter grootte van een Caraïbische postzegel op de voorpagina van een kwaliteitskrant, nog vijf telefoontjes naar de redactie van De Wereld Draait Door, een signeertoernee langs vier grote boekhandels (waarvan er drie failliet zijn), vijfhonderd door de Randstad verspreide affiches voor de nieuw te verschijnen roman en de laatste tien telefoontjes naar de redactie van De Wereld Draait Door, in het beste geval uitmondend in een aangekondigd bliksembezoek van een van De Jakhalzen van dat programma, dat helaas wegens complicaties bij de productie op het laatste moment toch geen doorgang kan vinden.

    Maar die reclamemachine is niet iets wat de schrijvers overkomt. Sterker nog: de beginnende schrijver eist al gauw een geoliede reclamemachine: debutant Peter Buwalda liet in zijn contract voor Bonita Avenue vastleggen dat er een bepaald minimumbudget aan marketing besteed zou worden. Wel sloot hij zich eerst vijf jaar in huis op, geheel volgens het oude romantische kunstenaarsideaal, om zijn boek te schrijven. Laatst zei hij op televisie dat hij het schrijven zo miste: al een jaar lang was hij alleen maar met ‘dat boek’ bezig geweest. Dat boek, dat eigenlijk al af was.
    Parks schreef ook: ‘Niemand verwacht nog iets echt nieuws. Alleen maar nieuwe versies van het oude. Steeds wanneer ik recensies schrijf of in een jury zit, kom ik zorgvuldig geschreven romans tegen ‘die aan literatuur doen’ zoals we die kennen. Literaire fictie is een genre geworden als alle andere, langs gebaande paden, met een voorspelbare ontknoping en beladen met een tamelijk beperkt en platgetreden staaltje progressieve westerse wijsheid.’

    Veel nieuwe versies van het oude. Laatst vroeg ik een literair agent of er nog interessante nieuwe schrijvers in de pijplijn zaten. Ik kreeg een handig overzichtsmailtje waarin de schrijvers keurig stonden gerubriceerd:
    - Nieuwe Claus.
    - Nieuwe Heijermans.
    - Nieuwe Homerus.
    - Nieuwe Rascha Peper.
    - Nieuwe Pamuk.
    - Nieuwe Sonny Boy.
    - Nieuwe Rob Wijnberg.
    - Nieuwe Justine Henin (maar dat was Kim Clijsters, die ook een boek heeft gemaakt).

    Voor de duidelijkheid: het zijn niet allemaal slechte schrijvers, integendeel. Verwarrend is het wel, zoals P.F. Thomése in zijn Verweylezing over Arnon Grunberg zei: ‘We hadden een nieuwe Reve, die ineens een nieuwe Hermans bleek te zijn’. Thomése zelf heeft ook een dergelijke ontwikkeling doorgemaakt: van de nieuwe Hella Haasse tot de nieuwe… nu ja, daar ben ik nog niet helemaal uit; en Thomése misschien zelf ook wel niet.

    Parks ging verder: ‘Kortom, een quasi-onconventioneel publiek is dol op de notie van de opstandige, of tenminste wonder boven wonder onafhankelijke schrijver. En wil hij succes boeken, dan moet diezelfde schrijver ontvankelijk zijn voor de logica van een gestroomlijnde machinerie, die hem van de weeromstuit aanmoedigt om een onconventioneel imago te kweken. Dat is een aansporing tot hypocrisie.’
    Dat is dus wat wij zijn, een quasi-onconventioneel publiek. De mensen die, om maar eens een voorbeeld te noemen, de schrijver Jan van Mersbergen in de armen sluiten bij zijn zevende boek. Niet omdat dat nu speciaal zijn beste boek is – het is wel een goed boek, daar niet van – maar omdat het over carnaval gaat en Jan van Mersbergen daar geestig, en ook verbijsterend enthousiast, over kan vertellen. Toen hij nog boeken over proefdieren, boksers en stierenrennen schreef was dat veel minder. Daar willen mensen kennelijk niet over praten.

    Een schrijver heeft aandacht nodig om boeken te verkopen, en een verhaal om aandacht te krijgen. En dat verhaal is niet het verhaal dat hij net heeft geschreven en heeft laten drukken, maar een ander verhaal – het liefst wel iets dat er iets mee te maken heeft. Dat aandacht trekken gaat voor een beroemde schrijver relatief eenvoudig. Debutanten zijn steeds creatiever: Hanna Bervoets maakte een Facebookprofiel aan voor Flora Vos, de hoofdpersoon van haar debuutroman Of hoe waarom. Daarna stuurde haar uitgeverij een persbericht.
    Renske Jonkman verspreidde duizend mapjes in treinen met een hoofdstuk van haar debuutroman, compleet met wat leek op aantekeningen van een redacteur. Tientallen mensen boden aan het ‘manuscript’ terug te sturen. Daarna stuurde haar uitgeverij een persbericht.
    Christiaan Alberdingk Thijm liet een zelfverzonnen advocatenkantoor een strenge brief sturen aan boekwinkels met de mededeling dat zij van rechtswege in gebreke bleven als zij geen exemplaren van zijn boek bestelden. Daarna stuurde zijn uitgeverij een persbericht.
    Henk van Straten schreef een heel boek genaamd Superlul om aandacht te trekken voor de roman waar hij zijn ziel en zaligheid in had gelegd: Salvador. Daarna stuurde zijn uitgeverij een persbericht.
    Of iets beroemder: thrillerschrijver Tomas Ross maakte een paar dagen na het ongeluk van prins Friso bekend dat de publicatie van zijn volgende thriller, waarin Mabel Wisse Smit een rol speelde uit ‘piëteit’ voorlopig was uitgesteld. De piëteit strekte zich kennelijk niet zo ver uit dat Ross zijn boek in stilte kon uitstellen. Hij stuurde geen persbericht, maar postte het bericht tweemaal op Facebook.
    Of Dimitri Verhulst, die in een persbericht stuurde over het feit dat hij zo moe was van al het publiciteitswerk dat hij voor zijn nieuwe roman maar twee interviews zou geven.
    Waarschijnlijk bestaat er niets quasi-onconventionelers dan het persbericht. Of het zou de journalist Rutger Castricum moeten zijn, die een maand geleden – inderdaad, in een persbericht – liet weten ‘Iedereen op tv heeft een boek en dat wil ik dus ook’.
    Zijn boek was een reisgids over Ibiza. Maar de grote aantrekkingskracht van de literatuur, die glamoureuzer dan ooit lijkt te zijn, blijkt vooral uit de aanwas van romanschrijvers met wat we maar even ‘publicitair kapitaal’ zullen noemen. Zo verschenen de afgelopen herfst ineens romans en verhalenbundels van Kasper van Kooten, Sara Kroos, Arie Boomsma en Rik Felderhof. Het leverde prompt een boos twitterstormpje op van klassiek-romantische schrijvers die zich afvroegen wat de uitgevers bezielde, waarop een uitgever prompt meldde dat die boeken toch niet veroordeeld konden worden op de faam van hun schrijvers: een mens moet eerst lezen.

    (Ik schreef een column over het ruzietje, waarin ik ook nog melding maakte van de debutant Michiel Eijsbouts, die me in een uitgeefcatalogus was opgevallen omdat hij er zo gesoigneerd uitzag (‘quasi-onconventioneel’, zou ik na het lezen van Tim Parks zeggen). Over hem schreef ik: ‘Nooit van gehoord, maar hij ziet er in elk geval uit als een bekende Nederlander.’ En wat stond er twee maanden later op de kaft van het boek? Inderdaad: “Nooit van gehoord, maar hij ziet er in elk geval uit als een bekende Nederlander.’ Arjen Fortuin, NRC Handelsblad’. Met om mijn naam een cirkeltje en daarbij geschreven: ‘Wie is dat?’)

    Zo ziet u, niemand ontkomt aan de wetten van de aandachtseconomie, want in tijden waarin het vanzelfsprekende gezag van de literaire kritiek tanende is, moet ook de recensent proberen hier en daar wat aandacht te trekken.
    Tot zover het quasi-onconventionele gedeelte, want de veranderingen in het moderne schrijverschap leveren natuurlijk allerlei inhoudelijke vragen op: hoe verandert de literatuur hierdoor? Of herkennen we de grote schrijvers juist doordat ze zich niets van al deze ruis aantrekken? Moet een schrijver zich iets aantrekken van de aandachtseconomie? Is de geleidelijk aan een oeuvre werkende schrijver een uitstervende soort? Heeft ouderwetse literaire kritiek, waarin een literair oordeel wordt geveld op basis van literaire argumenten, nog wel zin? Maakt een Facebookpost deel uit van een oeuvre – en een optreden bij De Wereld Draait Door?

  • 19 april 2012

    Magere Woorden: Manon Uphoff

     

    Op 28 maart vond ‘Magere Woorden’ plaats. Dit programma, georganiseerd in Samenwerking met De Optimist, ging over de urgentie van literatuur en het schrijverschap. Arjen Fortuin, Manon Uphoff, Maarten Doorman, Yves Petry en Arjen van Veelen spraken hun mening uit over het onderwerp.

     

    ​De urgentie van literatuur en het schrijverschap: het zwarte scenario.

    De economie van het woord was er altijd. Van taal die sterk verknoopt is met machtssystemen; politieke macht, economische macht. In de publieke arena vinden er voortdurend gevechten plaats over de betekenis van een woord, het eigendom van de taal. Over de macht en de onmacht van de taal. Daarachter, daarboven (omvattend) of daarbinnen bevindt zich de literatuur die vlinderbewegingen maakt in de lucht, die ons briesjes van vrijheid geeft, het gevoel voor ruimte en beweging herstelt, die die machten kan bevragen, bekritiseren. Ten val kan brengen… Omdat de taal beweegt en de ruimte trilt van verschillende verhalen die laten zien waar en hoe, op welke manier je kan ontsnappen, hoe je je ook kunt bewegen. Of hoe je gevangen bent. Taal die je extra ogen geeft, extra uitzicht, extra ervaringen, een eindeloze rijkdom aan levens, onstuitbaar… Die je leert geduld te hebben, geduldig te zijn, empathisch. Waarin je niet gedwongen wordt te beweren dat twee en twee vijf is – vanuit het economische principe – maar kan zeggen dat het vier is, omdat waarheid je lief is. Waarin je niet alleen van vraag naar aanbod, van idee naar marktwaarde hoeft te gaan.

    Soms lijkt het erop dat literatuur zelf gelooft dat ze haar kracht verloren heeft en denkt dat de andere media die hebben ‘overgenomen’. Nu, meer dan ooit, is ze echter van vitaal belang. Juist vanwege haar natuurlijke nutteloosheid op het terrein van het economische. Het ellendige is alleen: ze beweegt zich wel binnen dat economische veld. Niet omdat ze dat wil, maar omdat alles, alles zich inmiddels louter en alleen lijkt te bewegen in dat economische veld. Omdat dat het veld is waarop wij spelen. Geen mat van zacht geschoren gras, maar een keihard betonnen veld. Wie valt, valt knetterhard. We hebben de mogelijkheid om te schrijven en te zeggen wat we willen. Maar wat willen we zeggen? Het doet ons niet zo veel, we zijn het gewend. Het is gewoon geworden, deze mogelijkheid, we denken dat we haar niet kwijt kunnen raken.

    Maar misschien moet ik wat kritischer zijn en zeggen: dat is wellicht het verhaal van mijn generatie. Het zijn niet de andere culturen of religies die het ons moeilijk maken. We zijn het zelf. We verbranden geen boeken, we negeren ze. We verlangen geen variatie en nemen genoegen met meer van hetzelfde. We kiezen voor de economie en verliezen dimensies, verliezen geschiedenis, verhalen, visies, omdat we geloven dat ze niet belangrijk genoeg zijn, niet kapitaalkrachtig genoeg om door te geven. Ja, dat is het zwarte scenario. Er zijn momenten dat ik het zwarte scenario geloof.

    Maar dan: angst is de motor achter alle evolutie.

    Toch, het zwarte scenario. Daal met me af die bunker in. Het enige licht komt van iPads, televisiestudio’s en hel verlichte computerschermen. De enige boeken die je er vindt, rollen af op zulke schermen. Wil je ze desondanks in de achterlijke papieren vorm, dan bestel je ze bij Bol.com, waar de enige kritieken die je kent de recensies van de klanten zijn: [Uitstekend verhaal, zoals alleen S. deze schrijven kan, sterk slot. Gewoon lezen. Vond je deze review nuttig? Ja (2) Nee (o) Ongepast? 2 februari, door: een 60er. Wat een tegenvaller. Als feuilleton wel aardig in een dames weekblad. Ik had zeker beter verwacht van S.]

    De enige schrijvers die je kent zitten in de tv-studio, heten allemaal Nico Dijkshoorn, en zijn ook de enige dichters (zo leer je dat gedichten lange zinnen zijn met woorden in verwoestende dreun zonder intonatie met soms wel een wrangscherpe of ontroerende gedachte daarbinnen). De enige literaire kritiek komt in de vorm van vragen van een rij leuke mannen die allemaal Matthijs van Nieuwkerk heten, de enige andere schrijver die je kent heet Joost Zwagerman en dat snap je niet, want die geeft
    kunstcolleges. De enige krant die je kent, omdat je nu eenmaal graag leest, heet Peter Vandermeersch. Achter op het betonveldje hakt men in op dichters die stotteren en in de media ‘niet uit hun woorden kunnen komen’. Ze heten Tonnus Oosterhof, maar je ziet alleen bloederige hoopjes. Ze hebben de P.C. Hooftprijs gekregen en dat is ook de reden dat ze de studio NIET in mogen. De enige vrouwelijke auteur heet Heleen van Royen en is te zien als centerfold. De enige taal waarin geschreven wordt is de taal van de straat door intelligente mensen, dus met een laagje ironie of geïnjecteerd met giftig cynisme. In de etalages van boekhandels hangen alleen foto’s van deze auteurs of filmposters van True Blood, met daaronder een uitdraai in pulpvorm. Selexyz gaat over de kop en Bruna floreert, want daar hebben ze etalages met duizendmaal de Linda. Een oeuvre is een fossiel verschijnsel dat wordt bestudeerd door fossielen in de achterkamertjes van universiteiten. Zielige mensen, die snel zullen worden weggesaneerd ten faveure van bètastudies. Alle scholen worden scholen van Maurice de Hond. Schrijvers zijn subsidietrekkers, die, als ze niet van de pen of het toetsenbord kunnen leven, hun bestaansrecht en het recht om te ademen moet worden ontnomen, en als je te oud en te lelijk bent moet je eigenlijk helemaal niet meer naar buiten maar je boeken meegeven aan iemand die lekker bekt in de media. Of cabaret maken, een tv-programma presenteren. Of zo smerig rijk worden van een boek dat we hen daarom tot in alle eeuwigheid zullen bewonderen vanwege die ene klapper. Literaire kritiek is helemaal zielig, dat zijn mensen die zelf geen boeken kunnen maken (terwijl iedereen tegenwoordig een boekje poepen kan) en dus in die andere kranten die niet alleen Peter Vandermeersch heten lullige kleine kutstukjes mogen schrijven over boeken die geen hond kan lezen, sommige van die boeken komen zelfs uit het buitenland. Omdat ze zelf vaak niet begrijpen waar ze het over hebben, leuken ze de boel op met een systeem van sterretjes en dat hebben ze gejat van de film. 1 ster is afschieten die auteur en 5 sterren is zo onverwacht goed dat de recensent een slokje water heeft moeten nemen voor hij verder kon. Slimme recensenten schrijven alleen nog over Nico Dijkshoorn. Zielige recensenten proberen nog wel eens een mooi of kritisch of interessant boek onder de aandacht te brengen, maar zij kunnen dat niet in de 400 woorden die ze maximaal tot hun beschikking hebben, en dan moet er ook nog een foto bij. Zielige recensenten beginnen zich serieus af te vragen hoe het kan dat zij met hun capaciteiten en verstand en gevoeligheid en tentakels in dit afvoerputje van de kunst terecht zijn gekomen, waar ze moeten leven van de vieze sliebertjes en het onduidelijk vette spul dat van het echte grote werk hun kant op komt dobberen. Sommige critici beginnen ook aan cabaret. Sommige critici beginnen een serieuze hekel te krijgen aan hun vak en verwijten dat de auteurs die goede boeken schrijven maar geen trending topic zijn, want zij leven ook van die auteurs. Sommige schrijvers schrijven Mijn Ibiza, maar het is helemaal hun Ibiza niet. Boeken worden rare dingen voor hele oude mensen waar we ook vanaf zouden willen. Sommigen gaan ten onder aan de drank. Sommigen staan zoals Winston Smith voor de ramen en luisteren naar het gedreun uit de speakers. Sommigen heulen met de vijand. Sommigen verraden anderen. Verraden de literatuur. De zwarte gordijnen sluiten de etalages van de boekhandels voorgoed af. 1984 is gekomen. We houden oprecht van Big Brother en we praten alleen nog in Newspeak.

    Er zijn momenten dat ik dit zwarte scenario geloof en bang word. Bijvoorbeeld vanwege de krimpende bijlages, met de krimpende bijdragen waarin geen ruimte meer is om het ook nog over een oeuvre te hebben, als er al nauwelijks ruimte is voor dit boek, vanwege de alleen-nog-tijdschriften-en-bloederige-thriller-etalages, het opdoeken van literaire tijdschriften (zou het dan nooit meer kunnen, een nummer zoals dat over Herman Franke in De Gids, of over Walt Whitman, in De Revisor, dat ook ‘Het maaiveld’ had. Kan dat nog gemaakt worden? Ja, dat kan, maar moeilijker, moeilijk.). Of als ik merk dat er behalve aan de lengte van besprekingen ook aan de diversiteit van lezen wordt geknaagd. Bijvoorbeeld wanneer een roman niet meer als een roman gelezen wordt, maar als kroniek, vanwege het beeldtijdperk; de grotere zichtbaarheid van de auteur. Of als ik in een kritiek lees dat De Welwillenden van Jonathan Littell geen goed boek is omdat de hoofdpersoon Max Aue onsympathiek is, en datzelfde tegenkom bij Dinsdag van Elvis Peeters en me begin af te vragen of dat misschien een gevolg is van de gedachte vraag vanuit ‘de markt’. Dat men denkt, de lezer zal dit wel niet kunnen verteren? Of zou het nog erger zijn en is de kritiek het hier en daar zelf aan het verleren? Gaan er al manieren/methoden van lezen verloren? Wat vindt de kritiek zelf eigenlijk? Hoe negatief is haar zelfbeeld? Hoeveel zelfvertrouwen heeft ze nog? Waarom verenigen de critici zich niet meer om als groep ‘keihard’ in verzet te komen en meer ruimte te eisen voor wat zij al lezend te weten zijn gekomen? Waarom worden zij niet wat dissidenter? Waarom printen ze hun prachtige ongeschreven of in het geheim geschreven analyses en duidingen, in de bladen ingekort tot een stukje dat je kunt lezen zonder één keer met je ogen te hoeven knipperen, niet op het allergoedkoopste papier dat ze kunnen vinden, vouwen, nietje erdoor, gratis verspreiden in bibliotheken, kroegen, boekhandels, op universiteiten? Op internet. Op bloody Bol. Dot. Com. Niet het medium is fout, maar de oppervlakkigheid waarmee het wordt geassocieerd en die wordt nagedaan of geïmiteerd op plekken waar men denkt: als het niet heel snel is, vreten mensen het niet.

    Ze vreten het wel, je moet het alleen geloven.

    Ze vreten het wel, maar het moet goed zijn.

    Ondertussen groeien en bloeien de sites waarop steeds langere, goed geschreven, gedegen analyses en besprekingen te vinden zijn. Hoe kan dat? Wat is er aan de hand? Toen De papieren man vijf jaar geleden door Dirk Leyman werd opgericht, was het literaire nieuws op het internet een verwaarloosd genre. Maar de site evolueerde tot een vanzelfsprekende aanwezigheid in het digitale literaire landschap en werd in 2009 bekroond met de Dutch Bloggie. Inmiddels zijn er talloze literaire berichtensites, meestal onder de vleugels van krant of weekblad, en spelen de sociale media alsmaar sneller op de bal, ook als literair doorgeefluik. NRC Boeken, Knack Boeken, De Contrabas, JJ Pollet, Guardian Books, Athenaeum Boekhandel, Tzum, Woest & Ledig, Recensieweb, sites van kranten,
    Twitter, Facebook. Wacht, een twitterrondje: Schrijversunie, Writer’s Relief, Poetry Foundation, VPRO Boeken, de Avonden, NY Public Library, One Story Mag, Uitgeverij Augustus, Cossee, Atlas-Contact, Podium, Publishers’ Weekly, Boeken en zo…

    Nog nooit heb ik zo snel en op zo veel plekken stukken over literatuur, verwijzingen naar literaire sites, artikelen, bladen, kranten kunnen vinden. Toen Tonnus Oosterhof de P.C. Hooftprijs kreeg, trok dat bericht over Twitter met de snelheid van een veenbrand. Inmiddels hebben ook uitgevers die plekken gevonden. Met fijne links word je razendsnel geleid naar de plekken waar je uit kunt rusten, bij kunt komen. De aangeharkte tuintjes, de parken, maar ook de bossen en de wildernissen waar de literatuur floreert. Goed, Selexyz lazert bijna om, maar iedereen schreeuwt moord en brand en komt in actie. En ineens kan het wel: samenwerken. Lekker is dat.

    Angst is de motor achter de/alle evolutie.

    Ja, er is bestselleritus. Is dat erg? Het maakt je als auteur wel eens jaloers, je gaat je debiele dingen afvragen als: zou ik dat willen, gratis bij het Kruidvat? Och, och, och, kon je ze maar hautain afwijzen, alhoewel, zou je dat doen? Heel goed wetend dat je dat niet gaat halen: het Kruidvat. Maar die bestselleritus levert ook dingen op. Goede uitgevers benutten die -itus en kopen daarmee tijd en ruimte voor de andere boeken, van de niet-bestsellerauteurs. We moeten wel bang zijn, maar zo, dat je vol adrenaline loopt en kunt en durft reageren. Niet op het beton gaan liggen met de pootjes omhoog.

    En wat betreft de literaire kritiek? Ontbreekt het op de ene plek aan ruimte, pak die andere plek, waar het nog oneindig is. Link, klik, verbind. Ook hier is romantiek, intimiteit, ridderlijkheid, waanzin, zijn grootse landschappen en verstedelijkte gebieden. Denk niet zwart-wit en in of-of, maar en-en.

    Bewaar. Sla op. Bewegwijzer. Maak toegankelijk. Gebeurt ook al.

    Vroeger was niet alles beter, vroeger was het vaak kut. Toen één laffe kritiek je nog kon doden. Toen er vriendjespolitiek in kroegen was, kinnesinne en literaire vetes. Toen er maar 3 schrijvers waren, en die waren alle drie God. Toen vrouwen niet konden schrijven omdat hun hersens te anders waren of omdat ze die niet hadden. Toen leeslijsten vast lagen en de smaak van een gezaghebbende eenling wet was. En soms moest die eenling jou niet. Toen het wel mocht rijpen, maar als het dan rijp was, noemde men het vaak rot en flikkerde het in de emmer met één handgebaar. Toen de kritieken zo lang en uitputtend waren dat je dacht dat je summa cum laude afgestudeerd moest zijn om überhaupt te mogen lezen. Toen Michaël Zeeman, God hebbe zijn machtige en innig gemiste ziel, je boek met één rokerige uithaal naar de eeuwige krochten van de hel kon verwijzen. Toen auteurs op leeftijd op kille stationnetjes bleven staan omdat er geen mobiel was om te kunnen zeggen
    dat de NS niet functioneerde, vanwege de sneeuw, de pollen, het systeem. All was not well in paradise.

    Ik ga naar de site van Athenaeum. Nachtboeken en dagboeken. Een overzicht van kranten en recensies. De Standaard, de Morgen, Trouw, de Groene Amsterdammer, Vrij Nederland, de Volkskrant, NRC, het Parool, HP, FD, Elsevier, godallemachtig, doen ze daar in die bladen en kranten nog wel iets anders dan het bespreken van boeken? En welke boeken…! Zeker niet alleen van die ene snoeiharde bestsellerauteur. Met één klik op de knop reizen vanuit verre landen lang verloren gewaande boeken mijn kant op. Kan ik, dankzij printing on demand, weer bij de verhalen van Conrad. Kan ik duiken in geschriften waar ik anders nooit toegang toe zou hebben gehad. Krijg ik toegang tot een veelheid van stemmen.

    Wat literatuur betreft leven we nog steeds in een genadige democratie die alleen de dictatuur van de economie dient te vrezen. Maar die moeten we vrezen, met alle vrees die in ons is. Vooral de dictator in onszelf.

    Arme Winston Smith, met zijn ogen vol tranen van liefde voor het gezag. Literatuur en taal behoren niet toe aan ‘de elite’ en hebben dat nooit gedaan. Een van de grote vergissingen die we op dit moment (vooral in Nederland) maken, is te geloven dat als ‘een elite’ vecht of opkomt voor de literatuur, deze ten eerste wel zwak moet zijn en ten tweede, dat ze het bezit of eigendom zou zijn van die elite. Dat – als haar waarde niet in de eerste plaats een economische is – ze haar nut inderdaad verloren heeft.

  • 12 april 2012

    Bezoeker: Elbert Arens

     

    Die schrijvers kennen we nou wel. Wie komen er eigenlijk naar ze kijken op een SLAA-avond? En waarom?

    Wie? Elbert Arens, 27, Den Haag: architect met zwak voor Franse Letteren.
    Waar? Voetlicht, 10 april, de Balie, met Tommy Wieringa, Daan Doesborgh, Yves Petry, Joeri Vos en The Hospital Bombers.

    Kom je hier vaker?
    Ik had eerlijk gezegd nog nooit van de SLAA gehoord. Ik bedoel: wel van sla die je kunt eten, maar niet van deze SLAA. Een vriend sleepte me mee, want zijn vriendin speelt in The Hospital Bombers.

    Maar je leest toch wel eens?
    Ik ben voor mijn architectuur-afstudeerproject in de 19e eeuwse Franse literatuur gedoken, dus dat lees ik graag. Ik ben heel erg fan van Céline, maar ook van Bordewijk. Moderne schrijvers lees ik bijna niet, zou ik eigenlijk wel wat meer moeten doen.

    Wat lees je niet graag?

    Na een pagina Connie Palmen haak ik af. Verschrikkelijk.

    Wat vond je van de avond?
    Leuk! De muziek was mooi natuurlijk, maar ik vond – naast Wieringa en Petry -  die Daan (Doesborgh, red.) ook erg leuk. Nooit iets van gelezen. Toch maar eens doen.

    Wil je nog iemand de groeten doen?

    Eh, mijn vriendin Kim?

    Bij dezen, vriendin Kim van Elbert: groetjes van Elbert!

  • 21 februari 2012

    Artikel over J.J. Voskuil door Frits Abrahams

     

    DE ONDERSCHATTING VAN J.J. VOSKUIL

    door Frits Abrahams

    De schrijver J.J. Voskuil is alweer bijna vier jaar dood en er verschijnen nog steeds nieuwe boeken van hem. Twee forse romans in de laatste drie jaar nog wel. Het is alsof hij niet van ophouden weet. Het is natuurlijk mogelijk dat wij voor de gek worden gehouden en dat niet hij, maar een ánder de schrijver van deze boeken is, zo ongeveer als de Arendsoog-serie van J. Nowee door zijn zoon Paul overgenomen werd. Die boeken van Paul zijn overigens een stuk minder dan die van zijn vader – en die waren al niet zo best.
    Vooral met de dialogen had Nowee senior soms de grootste moeite. In Het spookt op de spoorbaan stelt Arendsoog zich in herberg De laatste kans met zijn echte naam, Bob Stanhope, aan een man voor.
    Die man zegt dan tegen Arendsoog: ‘Jouw naam kan mij niks schelen. Hoe eerder je uit mijn ogen verdwijnt, hoe liever het me is.’ Waarop Arendsoog zegt: ‘Dat plezier kan ik je helaas nog niet doen. Ik was net van plan hier een verversing te gebruiken.’
    Dit boek over Arendsoog verscheen in februari 1953, slechts vier jaar voordat Voskuil aan zijn roman Bij nader inzien begon. Ik sluit niet uit dat het woord ‘verversing’ ook in Bij nader inzien voorkomt, maar verder waren daar de dialogen gelukkig een stuk levensechter.
    Het schrijven van dialogen is een kunst op zich, een door lezers vaak onderschatte kunst. Die denken: de schrijver gebruikt veel dialogen omdat dat lekker vult. Ik wil niet ontkennen dat zulke schrijvers inderdaad bestaan, maar je ziet ze vooral in het pulpgenre of in de speurdersromans voor volwassenen, de boeken van Simenon en Ed McBain.
    Bij Voskuil is de dialoog een onontbeerlijke verteltechniek, een manier om het verhaal stil te leggen en tegelijkertijd vooruit te helpen met veelbetekenende zinnetjes en onderhuidse hints. Een betere dialoogschrijver dan Voskuil ken ik niet in de Nederlandse literatuur.
    Sommigen van zijn Nederlandse collega’s zouden in dit opzicht – en misschien ook in andere opzichten – nog wel iets van Voskuil kunnen leren, maar helaas is de kans klein dat dit zal gebeuren. Voskuil wordt immers niet of nauwelijks door zijn collega’s gelezen. Bij zijn leven niet en na zijn dood niet. Er zijn niet veel schrijvers die in het openbaar zo weinig aandacht en waardering van collega’s hebben gekregen als Voskuil. Ik kom na veel gezoek maar op enkele schrijvers die zich waarderend over hem geuit hebben: Gerbrand Bakker, Hugo Brandt Corstius en Maarten ’t Hart.
    In gesprekken met schrijvers heb ik vaak gepeild wat zij van Voskuil vonden. De meesten hadden nooit iets van hem gelezen, of er hooguit ‘even doorheen gebladerd’. Ze zeiden het op nogal onverschillige toon, alsof ze er geen moment rekening mee hielden dat ze wel eens iets gemist konden hebben. Ze mompelden dat het ze vrij saai had geleken, nogal proces-verbaal-achtig, al te realistisch vooral. Geen werk van de verbeelding, zoals dat heet.
    Ze leden vermoedelijk aan de misvatting dat Voskuil niet veel meer heeft gedaan dan zijn dagboeken omkieperen in romans. Als ze Voskuil wel hadden gelezen, hadden ze gezien dat hij zijn materiaal, hoe autobiografisch ook, net als zij kneedt en arrangeert, kortom: herschept, als een klassieke romancier.
    De Grote Drie van weleer – Hermans, Reve, Mulisch – hebben Voskuil bij mijn weten nooit genoemd, maar dat zegt niet zoveel, want die noemden alleen elkaar, en dat op den duur nog slechts in zéér ongunstige zin. Maar ook de schrijvers ónder hen, mensen als Brakman, Wolkers, Bernlef, Schippers, Krol, Brouwers, Springer, Hotz, Van Toorn, de Meijsings heb ik nooit over Voskuil gehoord. Laat staan de generatie na hen: Van der Heijden, Rosenboom, Grunberg, Otten, Thomése en de nieuwe generatie: Mortier, Enter, Koch.
    Een uiterst schrale oogst dus.
    Nu doet zich het merkwaardige feit voor dat de generatie van critici die in de jaren negentig aan de macht kwam, om het zomaar eens uit te drukken, wél lovend over Voskuil is geweest. Met name Arjan Peters in de Volkskrant, Elsbeth Etty in NRC Handelsblad en Rob Schouten in Trouw hebben Voskuil altijd zeer serieus genomen, ook wanneer hun oordeel wat minder positief uitviel. Critici als zij hebben de waardering die Voskuil in steeds bredere lezerskring kreeg, sterk gestimuleerd.
    Waarom wijs ik hierop?
    Omdat ik me zorgen maak over het voortbestaan van Voskuil als auteur. Wij zitten hier gezellig bij elkaar, prekend voor eigen parochie bij het uitkomen van het zoveelste prachtboek van Voskuil, maar om het oeuvre van Voskuil van een lang leven te verzekeren, moet het een plaats krijgen in die vermaledijde literaire canon. Waarderende woorden van prominente collega’s – in de vorm van essays, columns, ja zelfs terloopse opmerkingen in een interview – kunnen daar zeer bij helpen.
    Als Karel van het Reve, Rudy Kousbroek of Kees Fens een gloedvol bewonderend essay over Voskuil hadden nagelaten, zouden wij nu als Voskuil-liefhebbers een probleem minder hebben. Wanneer Arnon Grunberg in een openingsartikel in het CS van NRC schrijft dat hij elke avond voor het slapen gaan een hoofdstukje uit Het Bureau leest, hoeven we ons voorlopig geen zorgen te maken. Roem genereert roem: zo werkt het in de literatuur, en niet alleen daar.
    Ik durf daarom de stelling aan dat Voskuil een nog altijd sterk onderschat auteur is, zijn succes bij lezers en critici ten spijt. Literaire prijzen voor zijn hele oeuvre heeft hij nooit gehad, wel voor enkele op zichzelf staande romans. Ik noem de Bordewijkprijs en de Librisprijs. Voor de P.C. Hooftprijs is hij nooit genoemd. Toch zou dat niet zo vreemd zijn geweest. Als Alberts en Hotz hem konden krijgen – en ik zeg dat als liefhebber van hun werk – waarom Voskuil dan niet?
    De Constantijn Huygensprijs, een belangrijke prijs voor een oeuvre, ging wel naar F. Springer, A.L. Snijders en Van der Heijden, maar niet naar Voskuil. Ik begrijp dat nog steeds niet.
    Je kunt zeggen: ach, wat maakt het uit, een prijs meer of minder. Maar voor de canonvorming is het niet zonder belang; een schrijver die al in zijn tijd weinig geëerd werd heeft minder kans om als auteur te overleven dan een veel gelauwerd auteur.
    Het zou spijtig zijn als het bijzondere werk van Voskuil daardoor te vroeg in de vergetelheid verdwijnt. Het ís zo bijzonder omdat hij vooral met Het Bureau een uniek universum heeft geschapen in de wereldliteratuur. Er zijn vergelijkingen gemaakt met de romancycli van Proust, Snow en Powell; Proust is een heel ander soort schrijver, maar de vergelijkingen met Snow en Powell gaan in zekere zin op, alleen: hoeveel beter is Voskuil wel niet dan deze twee Engelse voorgangers.
    Een van de minder belichte aspecten van Voskuils proza is de subtiele humor waarmee het doordrenkt is. Voor mij is hij een van onze meest humoristische schrijvers van na de Tweede Wereldoorlog, hoe ernstig zijn boeken verder ook mogen zijn. Hij was geen humorist als Bomans, Carmiggelt of Den Uyl, hij mikte niet expliciet op de lach, maar net als bij Elsschot heeft zijn werk – vooral in Het Bureau – een tragikomische toets, een speelse bitterheid die steeds een glimlach bij je opwekt. Daarmee onderscheidt hij zich van veel van zijn Nederlandse collega’s, voor wie humor bijna verboden terrein is – zouden ze Voskuil ook daarom niet helemaal serieus nemen?

    Passage uit de voordracht die Frits Abrahams hield op een feestelijke avond in De Rode Hoed op 21 februari, ter gelegenheid van het verschijnen van De buurman, Voskuils laatste boek.

  • 15 februari 2012

    Verslag: Ramsj!

     

    Fel debat over veranderingen in het boekenvak.

    Schrijvers, critici, uitgevers, wetenschappers en boekhandelaren debatteerden maandagavond 13 februari in De Rode Hoed in Amsterdam over de toekomst van het papieren boek, en de veranderingen in het boekenvak. Blijven uitgeverijen de gatekeepers die het kaf van het koren scheiden, of hebben moderne digitale lezers slechts een platform nodig waarop zij alle digitale content kunnen aanschaffen? Beide kanten werden fel verdedigd.

    De avond werd georganiseerd door Literair Productiehuis Wintertuin, in samenwerking met Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam en De Rode Hoed. Aanleiding van het debat was de bundelpresentatie Ramsj van Wintertuin. In deze spraakmakende bundel zetten schrijvers Ivo Victoria en Martijn Brugman, politicus Guy Verhofstadt, grafisch kunstenaar Kasper Andreasen, festivalmaker Joost Heijthuijsen en promovenda Inge van de Ven hun ideeën en verwachtingen uiteen. Ze gaan in niet alleen in op de nieuwe rol van het papieren boek, de uitgeverij en de bibliotheek, ze bespreken ook de nieuwe manieren waarop we onze menselijke behoefte aan het produceren en consumeren van verhalen zullen bevredigen.

    Naast essayschrijvers Ivo Victoria en Joost Heijthuijsen, werd deelgenomen aan het debat door uitgeefster Lidewijde Paris (Nieuw Amsterdam), Marja Pruis (De Groene Amsterdammer), nieuwe media-nerd Alexander Klöpping, wetenschapper, publicist, uitgever en hoofdredacteur Bastiaan Bommeljé, hoogleraren Kiene Brillenburg Wurth en Lisa Kuitert, boekhandelaren Maarten Asscher (Athenaeum) en Fabian Paagman, en schrijvers Reif Larsen en Christiaan Weijts.

    Met name Paris en Klöpping stonden recht tegenover elkaar. Paris vindt dat uitgevers een vertegenwoordigende functie hebben: ze maken veel auteurs tot wie ze zijn. Ook helpen zij de lezer met het vinden van het juiste boek. ‘Hoe moeten mensen nog boeken selecteren als er geen uitgeverijen en boekhandels meer zijn?’ Klöpping vond deze vraag shockerend: mensen vinden zelf wel wat ze willen lezen, net zoals je in de muziek ‘geen top-40 blaadje van de Free Record Shop meer nodig hebt’. Klöpping vindt de Nederlandse uitgevers stuitend arrogant: ze moeten naar voorbeeld van Amazon in de Verenigde Staten samenwerken om één platform voor e-books te bieden. Toch werd dit later op de avond door meerdere sprekers genuanceerd: in een klein taalgebied als Nederland is dat nog niet zo makkelijk.

    Ook volgens schrijver Ivo Victoria staat de meerwaarde van de uitgeverij op de helling. Wanneer uitgeverijen weinig kennis hebben van digitale media en online marketing, en de redacteurs te druk zijn, dan kun je je afvragen hoe zinvol het nog is voor een auteur om een samenwerking aan te gaan met een uitgever. Bastiaan Bommeljé: ‘De meerwaarde van uitgeverijen is het tégenhouden van schrijvers en boeken; wij zijn de shit threshold die een tsunami aan ongeredigeerde teksten tegenhoudt.’ Een 16-jarige blogger uit het publiek pleitte juist voor the wisdom of the crowd. ‘Ik heb maar één keer in mijn leven een boek gekocht, en dat is omdat iedereen op Facebook er enthousiast over was’.

    Deze avond was het startschot van meer discussies over de veranderingen in het literaire veld. Volg ze op wintertuin.nl, waar ook de essaybundel verkrijgbaar is en een uitgebreid verslag van de avond staat.

    Klik hier voor een fotoverslag van de avond door Ñusta Nina. Kon je niet bij de eerste debatavond aanwezig zijn of heb je je punt niet kunnen maken? Discussieer hier verder: Ramsj Debat

  • 26 januari 2012

    Nieuwe stadsdichter Amsterdam

     

    Vandaag werd de nieuwe stadsdichter van Amsterdam bekend gemaakt: Menno Wigman zal F. Starik opvolgen. Zijn andere voorgangers waren Mustafa Stitou, Robert Anker en Adriaan Jaeggi, de eerste Amsterdamse stadsdichter. Twee jaar lang zal Wigman de stad en belangrijke gebeurtenissen in de stad in dichtvorm becommentariëren. De stadsdichter is door het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum aangesteld, maar werkt onafhankelijk. De Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam is verantwoordelijk voor de backoffice.

    Menno Wigman (1966) is een gedroomde stadsdichter. De titel van zijn debuut uit 1997, ‘s Zomers stinken alle steden, spreekt in dat opzicht boekdelen. Wigman is dichter, vertaler en essayist. Voor zijn bundel Zwart als kaviaar (2001) ontving hij de Jan Campertprijs. In 2010 verscheen Red ons van de dichters, een bundelbeschouwingen waarover Het Parool schreef: ‘Zolang Wigman dicht en schrijft over dichten, komt het met de poëzie wel goed.’ Onlangs verscheen zijn nieuwste bundel Mijn naam is legioen (Uitgeverij Prometheus).

    Wigmans eerste optreden als stadsdichter is op vrijdag 27 januari tijdens Verse Beats, 20.30 uur in The Sugar Factory. Tijdens deze avond zwaait burgemeester Eberhard van der Laan Starik persoonlijk uit en zal Roeland Rengelink, lid van het Dagelijks Bestuur Stadsdeel Centrum, de nieuwe stadsdichter officieel aanstellen.

    Dit is het eerste stadsgedicht van Menno Wigman:

     

    Waar ik woon

    Het sneeuwt. De grachten zijn, al sneeuwt het, goor.
    Het afvalwater, lees je, zit vol coke.
    De heupen van de stad zijn warm en vol.
    Een dronken Duitser geeft een pakje door.
    Drugs hebben honger. Onze driften ook.

    Het sterft van meisjes, mooi en slim en strak,
    die eeuwig als de Amstel naar de stad
    toe trekken, koppig is hun stroom en steil
    hun droom van hartstocht en een beter bed.
    Zo ruikt elk uur naar seks en intellect.

    Het sneeuwt. De kroegen zijn vol kansgezichten.
    Drugs hebben honger. Onze lusten ook.
    Wat ik niet kréég. Wat ik niet nám. De stad
    waar ik de liefde openreet en steeds
    gedichten schreef, die stad heet Amsterdam.

    Menno Wigman

  • 25 november 2011

    10 geboden voor het schrijven van memoirs

     

    Voor ons programma ‘Wie is er bang voor… memoirs?’, dat plaatsvond op 22 november in Het Perron, schreef Elsbeth Etty tien geboden voor het schrijven van memoirs. Hieronder is haar volledige tekst terug te lezen.

    Wie is er bang voor… memoirs?

    Het lijkt me gepast om deze lezing over autobiografische non-fictie te beginnen met een uitspraak van de expert bij uitstek op dit gebied: Hella Haasse. Niet alleen in haar expliciet autobiografische boeken als Zelfportret als legkaart, Persoonsbewijs en Zwanen schieten, maar ook in haar historische romans heeft zij fictie en werkelijkheid altijd duidelijk onderscheiden.

    Welk genre ze ook beoefende, altijd maakte ze gebruik van alle middelen die een romancier ten dienste staan, maar ze wist heel precies wat de beperkingen van memoires, biografieën en andere non-fictie genres zijn en waar de grenzen liggen tussen feiten en fictie, Wahrheit und Dichtung.

    Tijdens een lezing over biografieën in 1995 zei Haasse “Ik ben in de eerste plaats romanschrijver. Ook historische stof benader ik vanuit die instelling. Wél vind ik dat ik niets mag verzinnen waarvoor geen aanknopingspunt te vinden is en dat ik, als ik geen zekerheid over iets bezit, dat uiterst zorgvuldig al deducerend en combinerend moet proberen af te leiden uit de beschikbare gegevens.”

    De les van Haasse is eigenlijk heel simpel: over jezelf en de door jou geschapen personages mag je fabuleren zo veel je wilt, maar zodra er echt bestaande personen in het geding zijn, gelden er andere wetten. Dan zul je de waarheid spreken, en niets dan de waarheid en je niet bezondigen aan roddel, smaad of laster.

    In een roman mag je de werkelijkheid geweld aan doen, van alles verzinnen, je personages de verschrikkelijkste misdaden laten plegen, en de meest abjecte meningen laten verkondigen, maar in non-fictie over bestaande personen mag geen sprake zijn van verzinsels. Daarin moeten de feiten kloppen.

    In de Angelsaksische wereld worden autobiografische verhalen over een bepaald aspect van iemands bestaan – meestal rouw, verlies, ziekte of ondervonden onrecht – memoirs genoemd, te vergelijken met memoires, maar niet precies hetzelfde.

    Memoires zijn vaak afkomstig van politici, kunstenaars, geleerden, sporters en andere mensen die iets bijzonders kunnen melden over de wereld waarop zij door hun werk een stempel hebben gedrukt.

    De populaire memo

  • 30 augustus 2011

    Fragment Misdaad – Irvine Welsh

     

    ​Het lichaam leek na de dood te zijn gekrompen, toen het aanspoelde op de rotsen onder aan de klippen. Vreemd genoeg had het hem destijds niet zoveel gedaan. Nou ja, het had hem wel degelijk iets gedaan, maar niet op een obsessieve manier. Hij moet denken aan zijn oude maat, Les Brodie. Ze schoten vroeger met luchtbuksen zeemeeuwen neer. Een meeuw neerschieten was anders dan een duif. Les en zijn duiven. Van een meeuw bleef gewoon niets over, alsof het een kapotte ballon was. Het verschil tussen het lijk van een dode volwassene en van een kind (en Britney was het eerste dode kind dat hij had gezien) was dat gevoel van afname in volume. Maar misschien drong het op dat moment pas tot je door hoe klein een kind was.

    Lennox voelt dat zijn hart weer sneller gaat kloppen, en het zweet breekt hem uit. Hij dwingt zichzelf diep in en uit te ademen. Dat cyaanblauwe lijk, ondoorzichtig; het was maar een lichaam, Britney bestond niet meer; waar het om ging was de klootzak die het op zijn geweten had voor het gerecht te slepen. Hij ziet het nu duidelijker voor zich dan ooit: de uitpuilende ogen, de opengebarsten bloedvaten door het wurgen terwijl hij in haar drong, het leven uit haar kneep ter wille van zijn eigen kortstondige bevrediging.

    Een mensenleven in ruil voor een orgasme.

    Hij vroeg zich af of het echt zo was. Pas toen hij zich de angst van het meisje probeerde voor te stellen, haar laatste ogenblikken, kwamen hem die tastbare beelden voor de geest. Maar zag ze er echt zo uit? Was het niet zijn verbeelding die de hiaten opvulde?

    Nee. De video. Het was echt zo. Hij had niet naar die video moeten kijken. Maar Gillman was erbij, hij staarde emotieloos naar de beelden die Meneer de Snoepverkoper had opgenomen. Lennox was als leidinggevend officier verplicht er als neutraal observator bij te zitten, ook al ging hij vanbinnen helemaal kapot.

    Hij dacht aan het moment vlak voordat hij de trekker overhaalde. Dat tijdloze ogenblik voordat het kogeltje de luchtbuks verliet: het lege gevoel in zijn binnenste na afloop, terwijl de vogel klein en levenloos op het asfalt of de rotsen lag bij de monding van de Forth bij Seafield.

    Les Brodie. De duiven.

    Plotseling is hij zich bewust van een menselijke stem.

    ‘… je praat niet meer met me, Ray, je raakt me niet meer aan… in bed. Je bent nergens meer in geïnteresseerd.’ Trudi schudt het hoofd. Kijkt voor zich uit. Haar mond en ogen staan strak. ‘Soms denk ik wel eens dat we er gewoon maar van af moeten zien. Wil je dat liever? Nou?’

    Er gloeit een sprankje woede in hem op. Het lijkt van erg ver weg te komen, uit een verlammende doolhof. Ray Lennox kijkt haar neutraal aan en wil zeggen: ‘Ik verdrink erin, help me alsjeblieft, help me…’ maar wat hij in werkelijkheid zegt is: ‘We hebben gewoon behoefte aan zon. Een lichttherapie, of zo.’

    Trudi haalt opgelucht adem. ‘Het is inderdaad een stressvolle tijd, Ray. En we moeten echt beslissen wat we willen met het huwelijk. Ik denk dat we daar ook gespannen van raken. Over achtenhalve maand is het al september!’

    Fragment uit: Misdaad. Uitgeverij De Arbeiderspers. Vertaling: Ton Heuvelmans

  • 11 augustus 2011

    Stadsgedicht

     

    PUT

    Over hoe we onze maaltijd toebereiden
    zijn bibliotheken volgeschreven, hoe
    al dat verrukkelijks ons weer verlaat
    we willen het niet weten. Niets weten

    dan dat je bent gevonden en waar en niets
    liever dan niet daar waar wij ons allemaal
    ons leven lang gedachteloos op dagelijkse
    basis achterlaten: altijd achterom ziend

    of dit nu alles is of juist heel veel. Al wat ons
    verlaat. En hoe we ons verbonden weten in
    die ondergrondse darmen van de wereld.

    Aangesloten op ons lichaam, hoe dan ook,
    die zak vol stront en botten. We produceren niets
    dan afval, slijk. We zijn ons liever kwijt dan rijk.

    F. Starik

  • 04 augustus 2011

    Verhalen van Noord: weer leverbaar

     

    Acht schrijvers trokken Amsterdam-Noord in en schreven een verhaal over dit verrassende, mooie, lelijke, afwisselende stadsdeel. Op 4 juli lazen ze ze voor. De redactie van Hotel van Hassel vond de verhalen bij elkaar zo’n mooi geheel vormen dat ze besloot ze te bundelen in een klein maar zeer fijn boekje. De eerste oplage was in twee weken uitverkocht, en daarom hebben we besloten een tweede druk te maken.

    Dus wie wil kan hem weer bestellen: Verhalen van Noord, voor maar € 8,-, over te maken op rekeningnummer 1503186, t.n.v. Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Stuur ook even een mail naar info@slaa.nl met je adresgegevens.
    Zodra we het geld binnen hebben sturen we het boekje op.

  • 01 augustus 2011

    SLAA in het najaar

     

    In juli en augustus is het tijd om in de zon boeken te lezen, dus dan doen we het even rustig aan, maar rond de Uitmarkt gaan we er meteen weer vrolijk en voortvarend in.
    Eind augustus verschijnt de nieuwe krant, waarin alle programmainformatie van het najaar staat, wil je die (gratis) ontvangen? Stuur dan een mailtje naar info@slaa.nl

    Wat tipjes van de sluier dan maar?
    Tijdens de Uitmarkt een heel speciale aflevering van CoxTales, hou de site in de gaten hoe en wanneer!
    30 augustus bieden we het podium aan een literaire held: Irvine Welsh, zijn nieuwste boek gaat over de wereld van kindermisbruik en hij komt in standplaats De Balie een scherp betoog houden over dit onderwerp én vertelt over zijn nieuwste project: de prequel van Trainspotting.

    Voor de klassieke literatuurliefhebbers hebben we 26 september een mooi programma over de poëzie van Borges die op dat moment warm van de pers komt rollen in een vertaling van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Zij vertellen alles over het proces van vertalen. Bewonderaars als Tjitske Jansen, Pieter Boskma en Toon Tellegen (o.v.) lezen voor uit Borges en gaan ede poëtische dialoog met zijn poëzie aan.

    Dan een tweeluik: Schuinkijken, waarvoor Bianca Stigter en Peter Delpeut als curators zijn aangesteld. Van beiden verscheen onlangs een boek dat de manier waarop je naar dingen kijkt volledig verandert: Per ongeluk expres heet dat van Stigter, over de onvermoede manifestaties van kunst en Een pleidooi voor het treuzelen heet dat van Delpeut waarin hij kunst, reizen, fotografie in een heel eigen licht zet. ‘Niks is wat het lijkt’ wordt Delpeuts uitgangspunt. Stigter neemt ons mee op De per ongeluk expres.
    Beide programma’s vinden in oktober plaats.

    Met de Melkweg gaan we een 5kwartsmaat slaan. Een ongebruikelijke maatsoort, en samen gaan we dan ook vier ongebruikelijke programma’s maken waarin een schrijver de hoofdrol speelt in zijn eigen compositie in tekst, beeld, geluid. Wat is zijn of haar artistieke context? Wie zijn podiumgenoten, ongeacht hun discipline?
    5Kwart: op 5 oktober, 24 november, 8 december en 12 januari, in het theater van De Melkweg.

    Op 30 november wordt De Balie omgebouwd tot Café Berlin, en in december duiken we de elektronische poëzie in.

    CoxTales gaat ook door: elke eerste maandag van de maand, like us on Facebook of volg de website voor alle actuele informatie.

    Wie is er bang voor literatuur? gaat in het najaar o.l.v. Isolde en Jeroen de wereld van de memoirs en de toekomst van de literaire tijdschriften onderzoeken.

    Dit is maar een kleine greep uit het grote aanbod aan afwisselende diverse en interdisciplinaire programma’s die de SLAA dit najaar op de planken brengt. Literatuur staat nooit op zich, maar wordt soms wel eens als eilandje gezien en dat is zonde.
    Dit najaar gaan we de hort op met onze schone letteren en laten zien dat literatuur méér dan een paar woorden een manier van kijken, luisteren, denken en horen is.

    Hopelijk tot na de zomer!

    Daphne de Heer

  • 24 juni 2011

    Sonnet van Baban

     

    Wil je teruggaan?

    Ze vragen mij: wil je teruggaan
    Als het land veilig is verklaard
    Ik antwoord: Waar komen wij vandaan?
    Er bestaat geen vraag van deze aard

    Als ik ooit terug naar de baarmoeder zou gaan
    Zal ik geen asiel aanvragen, geen vlucht kiezen
    Mijn ziel niet aan het leven laten verliezen
    Ik zal mijn lichaam niet in de kilte laten staan

    Ik schommel tussen twee werelden door
    Een land voor mijn paspoort is geschreven
    In de lade van een gemeentekantoor

    Mijn andere land ligt in het noorden
    Waar de aarde kleurt met zijn woorden
    Het noorden in mijn hart is gebleven

  • 24 juni 2011

    Sonnet van Patty Scholten

     

    ​Matkopmees

    Ach, Priegel heeft een vogeltje genekt.
    Ik zie bij ’t opstaan veertjes overal,
    maar geen klein lijk in kamers of de hal.
    De kat beschouwt mijn zoektocht stilgebekt.

    Ik ga aan ’t werk. Daar zit hij, grijsgevlekt
    en sfynxt me aan, of ik hem redden zal.
    Ik grijp doortastend naar de verenbal
    en heb hem met mijn handen toegedekt.

    Hij pikt naar me, het snaveltje gesperd,
    maar dat is goed voor zaden, fluitconcert
    en niet geschikt om mensen te verwonden.

    Ik open ’t raam. Voor Priegel geen dessert.
    Hij is gevlogen, werd  te licht bevonden.
    Ik  heb hem naar zijn hemel teruggezonden.

    Patty Scholten

  • 24 juni 2011

    Sonnet van Menno Wigman

     

    ​De weg van alle boeken

    Ik had vandaag een nieuwe pen gekocht
    en zeven keer schreef ik mijn naam.
    Toen moest ik huilen. God, wat huilde ik.
    Ik dacht: iets scheefs verkankert mijn gedicht.
    Ik zag mijn schrijfhand en ik wist.

    Wat ik gedaan heb, ja – en wat ik doe.
    Mijn schrijfhand is aan roken toe.
    De angst. De witte wimpers van de angst
    dat ik mijn leven heb verschreven.

    Ik wil de hemel en ik wil de straat,
    ik wil in zestigduizend hoofden ruisen
    en iedereen een tand uitslaan

    voor ik de weg van alle boeken ga
    en roemloos bij De Slegte sta.

    Menno Wigman

  • 24 juni 2011

    Sonnet van Peter Swanborn

     

    Zelfportret

    Het voorhoofd is breed en hoog en
    hoekig. Het suggereert intelligentie.
    De huid is bleek, dof en na jaren
    van peinzen in rimpels geplooid.

    Op de neus een zware bril die ogen
    moet verbergen. Ze zijn afwezig,
    roodomrand en schuw als een dier
    dat wegrent bij het eerste contact.

    De mond is klein, gesloten, strak.
    Soms gaat hij open, onverwacht,
    een paar woorden, een poging tot

    een gedicht. Op andere momenten
    ontbreekt de moed. Zoals nu, bang
    voor de spiegel, het oordeel, voor u.

    Peter Swanborn, 2011, ongepubliceerd

  • 24 juni 2011

    Sonnet van Saskia de Jong

     

    uw dierenwereld

    amper bleken we het paard onder de mensen
    te zoeken, een dampende superieur
    van je hemd berovend verpletterend van geur
    een zekere zon glom buiten zijn grenzen

    of het leek zo vanzelf sprekend een dieren-
    wereld, binnen een etmaal animaal
    verwarden wij drinkbak met graal, abba abba
    octaaf? leid, leid ons niet, laat ons vieren

    nachtblind is de rede en wij een blanke kaart
    er waren plekken waar ze stonden
    voor hun zonden, een gewoontegebaar

    plekken waar ze niet meer deden dan ze konden
    voorzien: nu dit daar, nu dat daar, nu dat daar
    ze waren graag plaats- en tijdgebonden

    Saskia de Jong

  • 15 juni 2011

    Stadsgedicht

     

    ​PINKPOP

    Dit heeft niets met Amsterdam van doen.
    Maar ik zou zo graag iets met het bereik
    van Coldplay, Kings of Leon of Elbow
    maken, ik zou zo graag zien dat

    je poëzie met popmuziek kon
    vergelijken: euforie, extase, de massa
    die je tekst woord voor woord meezingt,
    als een gebed, een strijdlied van

    een hele generatie – en dan verdiende je
    met je optreden een komma drie miljoen.
    Maar voor het zover was, zat dezelfde

    jongen op een piepklein kamertje
    en zocht daar naar woorden, de daarbij
    passende akkoorden, hij begon.

    F. Starik

  • 09 juni 2011

    Stadsgedicht

     

    NIEUWE HARING

    Dinsdag was het weer zover: de nieuwe haring
    arrivé en meneer Dok staat paraat, met zijn twee
    vrouwen, zijn mes en zijn emmer, in zijn stal op het plein
    aan het begin van de Haarlemmerstraat, beter spul

    kan je niet krijgen. Dat komt, heeft hij me eens uitgelegd,
    omdat hij zijn haring koploos aan laat voeren, hij weet
    precies wie en wanneer de beste haring heeft. En waar
    de leukste mensen komen. Hij staat er al zo lang.

    Hij serveert er een korenwijntje bij. Geen slecht idee,
    voor wie om elf uur ‘s ochtends nog aan zijn werkdag
    moet beginnen, korenwijn. Meneer Dok informeert

    hoe de haring smaakt. ‘Goed genoeg om een gedicht
    over te verzinnen,’ antwoordt een zijner vrouwen. Rot
    voor de haring. Maar wij leven. In liefde en vertrouwen.

    F. Starik

  • 25 mei 2011

    Stadsgedicht

     

    ​En de wolf verslond de camera

    Dit is een primeur. Het goede nieuws
    waar u ook recht op hebt. Wolvin baart welpen
    in gevangenschap, dat doet ze anders nooit, hoogst
    zelden. Een dierentuin gebruiken om je voort te planten.

    Ze heeft een hol gegraven. Ze hebben hier en daar
    een kraamkist voor haar neergezet. Ze ging naar binnen,
    heeft in het nachtverblijf geworpen. Maar eerst heeft de wolvin
    de camera die er boven was gehangen gesloopt, als prooi.

    Sommige dingen wil je liever voor jezelf houden.
    We mogen haar niet storen, ze zou haar broed verstoten,
    zich aan de verkeerde maaltijd zetten, de wolf achter een hek

    is zichzelf een hond. Voor straf. Als de verzorger komt, wordt er
    gehuild, gekwispeld en geblaft. Zich niet zelf in stand houden.
    De dichter en de wolf, ze delen het zelfde vertrouwen.

    F. Starik

  • 18 mei 2011

    Interview in Salon

     

    Not Tired of Thinking Yet, www.salon.com

    BY KATE MOSES | Lydia Davis has been considered an American virtuoso of the short story form since the publication of her first major collection, “Break It Down” (Farrar, Straus & Giroux, 1986), which was met with unreserved critical acclaim. Introspective and subversive, ironic and playful, obsessive and funny, Davis’ stories reveal the ratcheting of the imagination and the ineffable movement of the mind over the varied textures of daily life. Mothers Who Think spoke with her upon the publication of her long-awaited second story collection, “Almost No Memory.”

    Do you find yourself ransacking your personal experience for emotions from which you can then build your stories?
     
    No, I don’t. It doesn’t really work that way — consciously, anyway. I don’t write something unless I feel impelled to write it. In other words, I don’t have a regular schedule and sit down every day and say, “Well, what do I do today?” It’s more that an idea or a sentence will come to me like “What was he really feeling yesterday while he was walking through my yard and saying nice things about my flowers? Maybe underneath he was really distressed by the overgrown garden.” And that will make me go on from there. And so the beginnings of the stories come to me from somewhere else. They sort of pop into my mind while I’m doing something else, usually. To relate this to mothers, it’s often housework, or cleaning the kitchen or walking to the post office. And the idea pops in insistently, or the sentence, I should say.

    I noticed that free-association quality in the “Glen Gould” story in this collection. It seems such a precise evocation of the time you spend with a baby, when often the only one to have a conversation with is yourself. How did you come to write that story? Did it come from musing on that same type of personal experience?

    Yes, that really did come from life. But I guess the reason it doesn’t feel true to life in a way, the reason I feel it’s safely fictional, is that it’s not a complete or fair picture, it’s never fair. So I may be taking one afternoon or one mood and saying, “I want to make something whole out of this. It’s a very strong emotion. It’s not the only one I have about this baby or this life, but it’s very strong just today, or just lately. And I want to make something whole out of it.” I don’t want to just write a letter to a friend about it. Even though that is thoroughly satisfying in a certain way, I haven’t “made” anything; I want to make something. I guess “making” is behind a lot of this — the love of making something.

    Early on in “The Professor,” the narrator says, “Although I don’t mind them, I feel cut off from all the other people in this country — to mention only this country.” There seems to be a great deal of discomfort in your narrators and I wonder how that evolves. Is that also just an organic process, is that who they end up becoming?

    I’m tempted to say we’re all very uncomfortable existentially or something in this life. Again, it’s taking one aspect. I often think of Kafka’s diaries, which I used to read at a certain point in my life, and how negative they are. He was using the diary as a place to put down, or get rid of, certain unhappy things. So we don’t see the complete person in those diaries and we don’t see the happier side of him. I’m just dwelling on that discomfort in certain stories because I want to make something of it. Whereas there are ways in which I am very comfortable — wasting time and so on. But I’m not choosing to write about them or make something of them. It doesn’t feel so urgent, probably because those are very fulfilling times, and I tend to write about the more unfulfilling times.

    There was another line in “The Professor” that I liked very much. The narrator says that she gets “tired of thinking.” You are clearly a writer who thinks really deeply — tangentially and broadly and minutely — about so many things. Do you ever get tired of thinking?

    Oh yeah, but it’s hard to get away from it. I would need something like a cowboy in order to get away from it. I suppose you stop thinking when you pick up a certain kind of book, light reading, or television — something just takes your mind over.

    So how do you get your work done? I know that you also teach and translate. And you’ve said that you don’t really have a set schedule. Do you just wait until the spirit moves you?

    Well, there are two periods. When I was working on the novel, “The End of the Story,” it had a very different demand on time than the stories. And I just couldn’t have done it if I hadn’t started working right away. So I stopped earning money, which wasn’t easy for the rest of us. I stopped earning money trying to do anything else and just went to my desk every morning. But that was a very different matter because I had this pile that I really had to work on, whereas with the stories, I can start one and sometimes finish it the same day and often the same week. I can start it and write quite a bit of it, or get most of it done, get the substance of it down in an hour or two — not “The Professor,” not a longer one — but I can at least get a start on it. And getting the tone in the beginning of it is a lot anyway. And that sort of grabs time. In other words, it’s time that I might have intended to translate, but I started working on a story so I just go on. And then I’ll grab more time in the evening, after my son’s in bed, I’ll go on for an hour, an hour and a half. And when there’s time, I’ll go back to it just the way I would go to weeding the garden, something I want to do. So that’s how I get work done. But there are many, many, many days that I don’t go near a story, unfortunately.

    Do you think about writing another novel?

    I have plans for a very long book which will be a novel in the form of a French Grammar, I think. And it’s going to be long and have many parts to it like a grammar book that’s used to translate things. It’s something that I have to work on. I tend to work on it while I’m translating. I take little notes — again, of things that occur to me. I usually let things come to me instead of me going to them.

    So at some point are you going to have to clear your head of everything else to really focus on that?

    Yes, definitely. That would be another case where I’d have to drop the translating and the teaching and try to start with a nice grant or something and work on nothing but. The thing is, I don’t want to do that until I’ve really accumulated a lot of material. The way to do that is to let them come and accumulate. When I have enough, I’ll start really organizing.

    In a certain way, that seems like a much easier way to work as a mother than if your imagination ran you, if you had to sit down and work every day.

    I don’t know if this is the best or whether it just comes from sloppy habits. I remember reading about some writer who, as soon as her child was off in a school bus, would drop everything and go upstairs. She wouldn’t even bother to finish the breakfast dishes or whatever. And I imagine, since I always have many stories in progress at once, if I went upstairs immediately every morning and started working on one of the ones in progress, I would do fine that way too. It’s very hard to say. But you’re right, if your time is all broken up, this is a pretty good way to work.
     
    I think it’s so hard for anybody who really has to force themselves against the wall of taking care of children and trying to work at the same time.

    If you get in the writing mode and if you manage stay in it, which some people can do. In other words, you don’t shut down your mind, you leave it open to ideas. I imagine even between setting the table and doing something else, you can jot down a line. Some people can do that.

    I’ve known people who would write, truly write, while nursing a baby and chattering to a toddler. It’s always really amazed me that they don’t lose track of everything.

    There’s a good writer, Vince Passaro, who has four children. I seem to remember reading somewhere that he works right in the room with children’s chaos going on around him. And he writes stories that are really well crafted. They’re not in the least bit sloppy. He has a teaching job and he does something else too. I think there are people who need to have a lot of chaos and things going on at once. I have to say, when I’m really working, not just having one idea, but working at something, I can’t stand any sound. Or distraction. I can’t stand the sound of traffic going by. It depends on the stage that you’re in, if you’re at the beginning or the middle or the end.

    What are you doing next?

    Well, the Penguin Classics are doing a new translation of the whole of “Remembrance of Things Past” and I’m doing the first volume, “Swann’s Way.” It’s exciting. Talk about ivory towers though.

    June 20, 1997

  • 06 mei 2011

    Stadsgedicht

     

    Elf halfdode geraniums

    I

    Zondagmorgen zonneschijn. Ik zit bij mijn lief
    in Utrecht in de tuin en lees een boek over iets
    anders dan ik eigenlijk zou moeten doen want
    dadelijk, ja straks, wordt Ajax zeker kampioen.

    Half twaalf en nog niet aangekleed: in mijn lege
    broek in de slaapkamer ontvangt mijn telefoon
    een sms: een vriend wil vragen of ik kijken kom.
    Lief vraagt lief of ik een gat kan boren in de om-
    heining van de tuin, maar het boortje dat ik daar
    voor nodig heb is afgebroken. Zondag. Zonneschijn.

    We slenteren naar de bouwmarkt. Daar moet ik
    mijn broek voor aan. Ik sms mijn vriend: zit nog
    in Utrecht, neem eind van de middag de trein.
    Nu we toch bij de bouwmarkt zijn: de laatste elf
    halfdode geraniums tegen afbraakprijs gescoord.

    Ik vergeet waar het om begon en boor een gat
    en plaats een plant, zet dan de televisie aan
    maar zie alleen maar tafeltennis daar.
    We moeten door. Station.

    Tien over vier vertrekt de trein naar Amsterdam.
    Ik sms mijn vriend. Hij antwoordt niet. Verlenging?
    vraagt Lief ongerust. Bij de Arena zien we mannen
    met fluorescerende vestjes staan.

    Mijn vriend, die kennelijk een andere
    televisie bezit dan ik, stuurt eindelijk
    het verlossende bericht. Ik heb haar niet
    voor niets gekust. Zondagavond zonneschijn.

    II

    Zondagmiddag zonneschijn. We stappen uit de trein.
    De stad schreeuwt, joelt, zuipt. Gillende helikopters
    verduisteren de zon. Alles wat rijdt krijgt de toeter
    niet meer uit. Er moet iets verschrikkelijks gebeurd zijn.

    Grotendeels bezopen reizigers hebben zeker iets
    meegemaakt, gebeurt ze anders nooit. Goed moment
    om dingen stuk te maken. Hersenloze housemuziek
    dreunt door de straten. Onverstaanbaar klinken

    de gezangen: wij zijn de baas, of zoiets. Mooi.
    Ik wil best geloven dat vreugde rotzooi oplevert, dat
    je eens genadeloos dronken wordt, jezelf gaat uitlaten

    zoals een hond dat nodig heeft, de hond daarna
    doodslaat of een fiets – anders gaat het maar roesten,
    maar wees nu eens eerlijk, misschien zijn we vergeten

    hoe we echt blij kunnen zijn, niet hoe het moest.

    F. Starik

  • 03 mei 2011

    Stadsdichter

     

    Kleine mensen

    Kleine mensen, zong Randy Newman
    ergens halverwege zijn carrière, hebben
    geen reden om te leven. Met hun kleine
    handjes en hun miezerige voetjes, mensjes

    die te kort geschapen zijn. Ik herinner me
    de grote mensen die daar verontwaardigd
    over deden, dat die man dat zong, want
    kleine mensen hebben ook recht op leven

    zeiden ze, stijf van lijf en leden. Niemand,
    toen niet, nu niet, stond er ooit bij stil
    dat klein zijn juist heel handig, zelfs

    comfortabel kan wezen: kleine mensen
    wonen in hogere huizen, rijden in grotere
    auto’s, zijn zo klaar wanneer men bukken wil.

    F. Starik

  • 16 april 2011

    Stadsgedicht

     

    Proloog

    Als en of je van een stad kunt houden:
    een stad is niets dan straten en gebouwen
    mensen die zich ergens heen verlangen
    haasten zich naar winkels, warenhuizen

    café’s en restauranten, bioscopen
    en hotels om in te slapen, nee je wil nog
    niet naar huis, je wilt alleen wat dansen,
    drinken, iemand om mee weg te lopen

    nee teer te beminnen, toch iets kopen.
    Lang heb je dat – als ze je vroegen: ‘Heb jij
    die cake van de Xenos’ en jij zei ‘nee, die

    heb ik zelf gebakken’ – opgevat als compliment,
    het stilt de honger, tot iemand eindelijk wist:
    je liegt. Je moet een eigen stad beginnen.

    F. Starik

  • 08 april 2011

    Stadsgedicht

     

    Barmhart

    Stel. Je bent een man. Zesendertig jaar. Afkomstig
    uit Iran. Je zocht hier asiel. Alles volgens de regels.
    Je procedeert. Je mist je kinderen. Je mist je vrouw.
    Je mist je vrienden, je geschiedenis, je mist je land.

    Je staat er alleen voor. Je maakt ruzie met passerende
    toeristen, zij wel. Zie ze gaan. Dikbuikigen, wat kan het
    ze schelen, voor hen spreekt alles vanzelf. Maar niet voor jou.
    De rijkdom, de kooplust, de snackbar. Je wordt niet gehoord.

    Je staat op de Dam en je bent in de war, zeggen ze. Vele
    getuigen bevestigen. Een gek. Hoe hard je ook schreeuwt
    over je afwezige kinderen, hou toch je bek. Flauwekul.
    Stel. Het is woensdagmiddag, het is verschrikkelijk lente

    en je staat op de Dam. In het hart van de stad. Vlak voor
    een of ander monument. Je waarschuwt nog: blijf uit mijn
    buurt. Twee minuten later is het gebeurd. Voor de getuigen
    is er slachtofferhulp. Netjes geregeld, alles. Uitgeluld.

    F. Starik

  • 01 april 2011

    Stadsgedicht

     

    Alles is liefde

    Gijs Thio is gevonden. Hij is nu
    niet meer zoek. Een lijk dreef
    in het water. Het boek is uit.
    De laatste hoop vervlogen.

    Het uur is U. Zijn vrienden, jullie
    noemden hem misschien gesloten,
    maar ook de beste vriend die je kunt
    denken – wat heeft die man geleefd.

    Wat hebben jullie hard naar hem gezocht.

    Je zou dit iedereen toewensen
    die op een nacht verloren loopt
    nog even aan de wandel langs de kade
    dat hij zo innig wordt gemist.

    Daarin is troost.
    In vriendschap, mateloos.
    Zijn lijf is nu gevonden.
    Maakt hem niet minder zoek.

    Er zit geen wijn meer in de handel.
    Het boek kan dicht. Gijs Thio,
    eeuwig zonde. Uitgewist.
    Proost.

    F. Starik

  • 27 maart 2011

    Welkom op onze nieuwe website!

     

    ​Natuurlijk vind je op onze website net als voorheen alle informatie over onze programma’s, maar nu met heel veel extra informatie, waardoor je altijd op de hoogte bent van wat er in de wereld van de literatuur speelt; welke schrijvers je moet volgen, welke discussies actueel zijn, waarom wij denken dat een bepaalde schrijver per se op de planken gebracht moet worden. Daarnaast zullen we met regelmaat verslagen, filmpjes en teksten van onze avonden op deze website publiceren. Maar ook blijven we net als vroeger mooie grootschalige publieksavonden organiseren, werken we samen met veel andere Amsterdamse instellingen en willen we er voor de hele stad zijn.

    Met meer dan 40 programma’s per jaar is de SLAA hét live podium voor literatuur. Wie meer wil weten over alles wat er leeft in literatuur, mee wil denken, mee wil luisteren en zijn geest wil scherpen aan de beste denkers, de mooiste dichters en belangrijkste Nederlandse en buitenlandse schrijvers, is bij de SLAA aan het juiste adres.

    Wij hopen je in de toekomst vaak op onze site en op onze avonden te begroeten!

    Daphne de Heer & Anja van Leeuwen

    Ontwerp: Dog and Pony.

  • 26 maart 2011

    De Begraafplaats van Praag

     

    Recensie uit ‘De Republiek der Letteren en Schone Kunsten’ door Lisa Kuitert

    Umberto Eco schreef een meesterlijke roman over de rol van beroepsintriganten in de opkomst van het antisemitisme.

    Het is altijd leuk om in het hoofd te kruipen van een slecht mens, en Simonini, de hoofdpersoon in Umberto Eco’s nieuwe roman De begraafplaats van Praag is slecht. Heel slecht. Hij is een sjacheraar, een onderkruiper, een leugenaar maar bovenal: een vervalser. Uit oude boeken scheurt hij de onbedrukte pagina’s en gebruikt die om – voor wie er maar voor betaalt – documenten op te stellen die oud en dus authentiek lijken. Hij begint daarmee rond 1850, als jongeman in de leer bij een notaris. Dan gaat het alleen nog maar om testamenten, maar gaandeweg krijgen zijn vervalsingen een meer politiek karakter.

    Umberto Eco heeft zijn roman opgezet volgens de beste negentiende-eeuwse tradities. Er is sprake van een alwetende verteller, die ons het levensverhaal van Simonini inloodst. Eco heeft zich, overigens net als zijn hoofdpersoon, laten inspireren door de negentiende-eeuwse feuilletonisten die romans schreven in afleveringen. De lezer abonneerde zich op een verhaal waarvan wekelijks een nieuwe aflevering uitkwam. Dat eindigde vaak met een cliffhanger, zodat de lezer reikhalzend uitkeek naar het vervolg. Schrijvers kregen betaald per aflevering, zodat ze er belang bij hadden het verhaal breed op te zetten, met steeds nieuwe verhaallijnen en personages. Zij schreven niet om de kunst maar om den brode, net als Simonini. Het ging om ‘ijselijke’ geschiedenissen, waarin complotten, duistere machten, wulpse vrouwen en dieven in donkere steegjes de lezers in vervoering brachten. Vaak met verwijzingen naar werkelijke gebeurtenissen en bestaande personen, waardoor de lezers extra geboeid raakten. De negentiende-eeuwse lezers waren gemakkelijk te beïnvloeden, want wie wist wat waarheid was? Ook in Eco’s roman zijn er voortdurend verwijzingen naar negentiende-eeuwse actualiteit, vaak geniaal vervlochten in de verzinsels van zijn hoofdpersoon. Het is fascinerende lectuur, zeker, maar de vraag wat waar is en wat niet, houdt je bij de les.

    Nep-fabrieksmeisjes
    Simonini heeft een gespleten persoonlijkheid, gevolg van de slechte daden die hij niet onder ogen durft te zien. Zijn familie komt uit Piemonte, Italië, en zijn grootvader bracht hem al jong een rabiate vorm van antisemitisme bij. De logica van opa was onverbiddelijk: Joden die geen traditionele kleding dragen en ogenschijnlijk geassimileerd zijn, zijn juist gevaarlijk, want ze zijn ‘vermomd’. Simonini draagt dit antisemitisme – ook al heeft hij nog nooit met een Jood kennisgemaakt – zijn leven lang bij zich, en als het maar even kan, geeft hij er uiting aan in zijn vervalsingen. Zijn vaste opdrachtgever wordt gaandeweg de overheid – de Italiaanse, aanvankelijk. Hij moet documenten fabriceren die nu eens de jezuïeten, dan weer de vrijmetselaars belasteren. Zij eigen preoccupaties brengen hem op het idee om de Joodse begraafplaats in Praag – die hij slechts kent van horen zeggen – erin te betrekken. Die begraafplaats blijkt later nog meermalen in zijn verzinsels dienst te kunnen doen als decor voor sinistere bijeenkomsten, bijvoorbeeld een samenkomst van Joodse leiders die de wereldmacht willen overnemen. De Joden, zo redeneert hij, gebruiken de christenen als een vruchtbare akker, ze laten hen eerst goed geld verdienen om, als de tijd daar is, te oogsten en dat geld in te pikken.

    Als Simonini gevraagd wordt om naar Sicilië te gaan om het gezag te ondermijnen van Garibaldi, de Italiaanse voorman en nationalist, worden zijn belevenissen complexer en gaat hij zich extremer gedragen. Hier zakt de roman een beetje weg in een moeras van verwikkelingen, die in elk geval leiden tot moord en doodslag. Er gaat steeds meer bloed kleven aan de handen van de verder zo flegmatieke Simonini. Het enige waar hij zich aan te buiten gaat, zijn copieuze maaltijden die door Eco met opvallend veel genoegen tot in de kleinste details beschreven worden: ‘zalm met bieslook en artisjokken met Javaanse peper, rumsorbet en kruidenkoekjes, natuurlijk met twee flessen oude bourgogne’.

    Simonini neemt de wijk naar Parijs – waar nog veel meer heerlijke gerechten op hem liggen te wachten. Hij is nu fulltime ‘indicateur’ en verdient goed geld. Eco laat hem met veel fraaie details het negentiende-eeuwse Parijs verkennen, zoals de brasserie femmes, een soort hoerenkasten, en de vele passages met elk hun eigen sfeer. De Passage Jouffroy bijvoorbeeld, waar heren op leeftijd, de zogeheten suiveurs, naartoe gaan om de fabrieksmeisjes die daar flaneren te bespioneren. Alleen, het zijn geen fabrieksmeisjes: ze doen alsof, om de perverse genoegens van de bemiddelde heren te bevredigen, en sommige meisjes kunnen daar zelfs van leven als de heren hun wat geld toestoppen. Simonini volgt die heren soms, en noteert alvast hun adres zodat hij ze in geval van nood nog eens kan chanteren, ‘je weet maar nooit’. Uit nieuwsgierigheid gaat hij naar de Porte de Clignancourt waar de lompenhandelaren eten in een nattevoetenrestaurant, zo genoemd omdat de clientèle buiten staat te wachten. Wie aan de beurt is, mag voor een stuiver een vork in een pan soep steken om er iets eetbaars uit te vissen. Hij komt in de Chateau Rouge, waar handelaren in foetussen de bij ziekenhuizen opgehaalde lichaampjes verkopen aan medische studenten en andere geïnteresseerden.

    Het antisemitisme van Simonini wordt steeds sterker en houdt Eco’s roman tot de laatste bladzijde in zijn greep. De Dreyfus-affaire komt voorbij, en ronduit spannend wordt het als Simonini met Leo Taxil een vervolgverhaal schrijft over duivels en satanisten, waarbij zij handig gebruikmaken van de hersenspinsels van de geesteszieke zieneres Diana. Simonini doodt haar in een woede-uitbarsting en legt haar lichaam naast de overige slachtoffers die hij in de afgelopen jaren heeft gemaakt, in het riool dat een van de nieuwigheden is waar Parijs in die jaren prat op gaat. Een andere nieuwigheid, het ondergrondse gangenstelsel dat de metro moest gaan worden, wordt door Simonini handig ingepast in een van zijn gruwelverhalen over de Joden: die zouden de ondergrondse aanleggen alleen maar om zo de stad te kunnen opblazen.

    Morbide fantasie
    In Simonini’s verzinsels over de Joden herkennen we de Protocollen van de Wijzen van Zion, het geschrift dat op dezelfde leugenachtige wijze in elkaar is gezet. Dat document heeft de nationaal-socialisten in de kaart gespeeld, en er zijn nog altijd mensen die het voor waar houden, zoals je op internet kunt zien. In werkelijkheid was het eind negentiende eeuw in elkaar geflanst door de Russische geheime dienst, die het gebruikte om een zondebok aan te wijzen voor de grote ellende waar het land in terechtgekomen was. Eco heeft aan het ontstaan van die Protocollen een voorgeschiedenis toegevoegd, al is het een fictieve, want van alle personages in dit boek is uitgerekend Simonini verzonnen. Toch maakt Eco aannemelijk, door het combineren van bestaande feuilletonisten en intriges, dat het zo is gegaan. Dat het antisemitisme ontstaan is door beroepsintriganten, die met hun morbide fantasie – omgevormd tot sappig proza – het publiek in de ban hielden en langzaamaan vergiftigden met Jodenhaat.

    Met De begraafplaats van Praag heeft Umberto Eco een bij vlagen geniale roman afgeleverd, beter dan zijn boeken Baudolino en De slinger van Foucault. De roman is geestig en vernuftig, prachtig van stijl, erudiet zoals we van hem gewend zijn, maar dit keer zit er ook iets verontrustends in, iets wat raakt aan actuele maatschappelijke kwesties. Het antisemitisme is terug, zeker, maar de verontrusting zit dieper. Wat Eco laat zien, is hoe gemakkelijk je waanideeën kunt verspreiden, en hoezeer we daarom onze eigen geschiedschrijving, onze cultuur, zouden moeten wantrouwen. Hebben er niet altijd en overal Simonini’s bestaan die ons zand in de ogen strooiden? Of overheden die Simonini’s inhuurden en betaalden?

    De roman is in het najaar in Italië verschenen en heeft daar al veel losgemaakt. Begrijpelijk, omdat de historische setting door Italiaanse lezers gemakkelijk herkend zal worden. In de gauwigheid toegepast op Nederland, zou je kunnen denken aan een roman waarin wordt aangetoond dat het hele koningshuis in de oorlog fout was, of dat Multatuli nooit bestaan heeft. Toch valt men in Italië vooral over de unverfroren antisemitische complottheorieën: brengt het de mensen niet op wilde ideeën van ‘waar rook is…’? Die angst is wel te begrijpen, maar brengt je bij de vraag of dan soms alle romans waarin nare dingen staan geweerd moeten worden. Nee natuurlijk. Ook kun je je afvragen of Eco zich niet te gemakkelijk afmaakt van de vraag wie moreel verantwoordelijk is voor het ontstaan van antisemitisme. Hij legt de oorsprong ervan bij een paar slechteriken en de rest van de wereld kan gerust ademhalen. Ook daar past een weerwoord op, want als hij de oorsprong niet bij die paar individuen zou leggen maar bij de goegemeente, dan zou hij suggereren dat er misschien tóch een algemene geldigheid schuilt in Jodenhaat.

    De begraafplaats van Praag is niet een roman waar neonazi’s – zappend door het boek – hun voordeel mee zullen doen. Je kunt er niet zo gemakkelijk wat losse flarden uit lezen. En na lezing van het hele boek kun je niet anders concluderen dan dat Eco met deze grootse roman heeft laten zien dat vooroordelen uit eigenbelang worden verzonnen, en dat je de agitators en hitsers met hun pamfletten, praatjes, hun televisiespotjes en films ten diepste moet wantrouwen.

    Eugène Sue
    Een beroemde feuilletonschrijver in de negentiende eeuw was Eugène Sue (1804-1857). Hij schreef over Parijs, over armoede en sociale ellende en was ook in Nederland mateloos populair, onder meer met het feuilleton De wandelende Jood, dat niet tegen Joden is gericht, maar tegen de Jezuïeten. Ook zijn bekende boek Les Mystères du peuple was niet antisemitisch maar tegen de kerk en de regering gericht en werd daarom in 1856 verboden. Dit boek inspireerde Maurice Joly, die ook voorkomt in Eco’s roman, bij zijn Dialogue aux enfers, dat op zijn beurt weer de feuilletonist Goedsche tot het schrijven van zijn antisemitische Biarritz bracht (zie hiernaast).

    De protocollen
    De Protocollen van de wijzen van Zion zouden in 1897 zijn opgesteld in Basel door de Russische geheime dienst. De tekst was gebaseerd op Biarritz, een feuilleton van de Duitse schrijver Hermann Goedsche, die publiceerde onder het pseudoniem Sir John Retcliffe. Hij was in dienst van de Pruisische geheime dienst en speelt onder zijn eigen naam een belangrijke rol in Eco’s boek. Zijn Biarritz was in feite plagiaat van een boek dat in Frankrijk uit de handel genomen was, namelijk de politiek getinte satire Dialogue aux enfers entre Machiavel et Montesquieu ou La politique au XIXe siècle van Maurice Joly uit 1864. Joly’s boek was niet gericht tegen de Joden, maar tegen Napoleon III. Goedsche gebruikte de intrige, maar voegde er zelf een abject antisemitisch hoofdstuk aan toe, dat handelde over een Joodse samenzwering op het Joodse kerkhof te Praag.

    Vrijmetselaars
    In de negentiende eeuw lagen de vrijmetselaars onder vuur. Regeringen en de katholieke kerk moesten niets hebben van dit geheime, in de achttiende eeuw ontstane broederschap, dat de kerkelijke dogma’s ter discussie stelde. Vanwege het geheime karakter was de vrijmetselarij een geliefd onderwerp voor samenzweringstheorieën, zoals die van de schrijver Leo Taxil. Volgens sommigen waren de vrijmetselaars en de Joden er gezamenlijk op uit om de wereldmacht te veroveren. Ook in de De protocollen van de wijzen van Zion worden de vrijmetselaars als handlangers van de Joden geschetst. Er is zelfs een woord voor: het judeo-maçonniek complot.

    Jezuïeten
    De Jezuïeten zijn leden van een katholieke religieuze orde, opgericht in de zestiende eeuw. De leefregel is onder meer absolute trouw aan de Paus. Het is geen kloosterorde, en opvallend is ook dat Jezuïeten niet afgezonderd in kloosters leven maar ‘gewone’ beroepen vervullen, zoals leraar of advocaat. De Jezuïeten zijn in de geschiedenis meermalen beticht van samenzweringen. Zelf hadden ze het op hun beurt gemunt op de vrijmetselaars, onder meer in het veelgelezen geschrift Mémoires à servir pour l’histoire du jacobinisme van de Jezuïet Augustin Barruel (1797-1799). In Eco’s roman is Simonini grootgebracht met de denkbeelden van Barruel.

    Garibaldi
    Al vroeg in de negentiende eeuw ontstond in Italië de wens om meer eenheid te smeden in het door ministaatjes gekenmerkte gebied. Het geheime genootschap van de carbonari, geïnspireerd op de vrijmetselaars, slaagde daar niet in, maar de Piëmontees Giuseppe Garibaldi (1807-1882) wel, zij het niet zonder moeite. Hij deserteerde om de nationalisten te kunnen steunen en moest daarna in ballingschap. Frankrijk en Oostenrijk, en ook de Paus streden tegen de Italiaanse nationalisten. Toen Garibaldi in 1860 terugkeerde, lukte het hem met zijn leger van vrijwilligers, bijgenaamd ‘roodhemden’, de diverse staatjes te verenigen onder het bewind van Victor Emanuel, de eerste koning van Italië. Het koninkrijk Italië was daarmee in 1861 een feit.

  • 25 januari 2011

    Haat verwarmt het hart

     

    ​De geheimen van Parijs had de titel kunnen zijn van Umberto Eco’s 19de-eeuwse ‘feuilletonroman’, aldus Pieter Steinz. De hoofdpersoon is een vervalser, smulpaap en verstokte antisemiet.

    Er valt een fijn kookboek te destilleren uit de nieuwe roman van Umberto Eco. De hoofdpersoon van De begraafplaats van Praag is namelijk niet alleen een weerzinwekkende moordenaar en een onverbeterlijk antisemiet, maar ook een smulpaap van formaat. In vrouwen is hij niet geïnteresseerd, zegt hij zelf; seks laat hem siberisch; maar voor een goed klaargemaakte zeeschildpad of een pasta met sardientjes en stokvis kun je hem midden in de nacht wakker maken. En om de lezer te doen watertanden, geeft hij graag het recept van acqua cotta (een soep voor over een paar sneeën brood) of van salade Francilion (met als belangrijkste ingrediënten aardappelen, mosselen, een half glas Château d’Yquem en ‘dunne plakjes in champagne gekookte truffel’).

    Soms lijkt het of je zit te lezen in het legendarische Groot Keukenwoordenboek van Alexandre Dumas en dat is ongetwijfeld geen toeval, want als er één schrijver is wiens geest vaardig is over de langverwachte roman van Eco, dan is het Dumas-père. Zijn avonturenromans, vol wraak, moord en dubbelspionage, waren Eco’s grote voorbeeld; zijn stijl, gekenmerkt door uitweidingen en sensationele effecten, schemert door de 500 pagina’s heen; zijn naam wordt door de hoofdpersoon vaak genoemd omdat hij ‘waarlijk een groot kenner van de menselijke geest’ is, en bovendien een eersteklas gastronoom. Dumas is zelfs een personage in De begraafplaats van Praag: we komen hem tegen in de strijd om de Italiaanse eenwording (rond 1860), wanneer hij in Palermo fondsen werft en die ter beschikking stelt van de vrijheidsstrijder Garibaldi.

    Voor Simone Simonini, de ik-figuur die samen met een naamloze ‘Verteller’ het woord doet in De begraafplaats van Praag, is de schrijver-activist Dumas de belichaming van de 19de eeuw. Voor Umberto Eco trouwens ook. De Graaf van Montecristo is het lievelingsboek van de Italiaan, en zo’n roman-in-feuilletons heeft hij naar eigen zeggen willen schrijven. Hij verzamelde zelfs zijn hele leven illustraties die zo’n moderne pastiche zouden kunnen illustreren – en die zijn dan ook afgedrukt in zijn nieuwe roman. Eco bewijst eer aan de 19de eeuw, zoals hij de Hoge Middeleeuwen deed fonkelen in De Naam van de Roos (1980), de waanzinnige 12de eeuw in Baudolino (2000) en de Italiaanse jaren dertig in De mysterieuze vlam van koningin Loana (2004).

    Behalve voor Dumas breekt Eco in zijn nieuwe roman een lans voor Eugène Sue, auteur van de sensationalistische blockbuster Les mystères de Paris (1842-43). ‘De geheimen van Parijs’ had ook de titel kunnen zijn van De begraafplaats van Praag, want nadat het Simone Simonini in de chaos van de Italiaanse Risorgimento te heet onder de voeten is geworden, arriveert hij in Parijs, het centrum van de Europese politiek. Een verzamelplaats van monarchisten, republikeinen, anarchisten en terroristen, waar een slimme dubbelspion en een kundig vervalser goud geld kan verdienen.

    Of Simonini een goede dubbelspion is, blijft de vraag – een van de grappen die Eco uithaalt in het boek is dat hij zijn hoofdpersoon laat worstelen met het feit dat hij een dubbelganger heeft. Maar een kundig vervalser is hij wel. Sterker nog: volgens De begraafplaats van Praag wordt Simonini uiteindelijk de maker van de beruchtste vervalsing uit de geschiedenis, de Protocollen van de Wijzen van Zion. In dit zogenaamde verslag van een bijeenkomst op het Oude Joodse Kerkhof in Praag zouden twaalf joodse notabelen hun plannen voor de verwezenlijking van de wereldheerschappij hebben neergeschreven. Het werk verscheen in 1903 in Rusland, werd in 1921 ontmaskerd als verzinsel en zou niet alleen een voorwendsel worden voor Hitlers Endlösung maar ook voor het hedendaags antisemitisme in de Arabische wereld.

    ‘Wie documenten wil vervalsen, moet zich altijd terdege documenteren,’ vindt Simonini, en hij leeft naar die opvatting. De Protocollen zijn uiteindelijk het resultaat van zijn ontmoetingen en gesprekken met diverse kleurrijke en schimmige figuren over een periode van vijftig jaar: de revolutionaire satiricus Maurice Joly, de Duitse antisemiet Herman Goedsche (die voor zijn roman Biarritz een bijeenkomst van joodse rabbijnen verzon) en de Russische Geheime-Politiechef in Parijs Ratsjkovski, die pijnlijk duidelijk maakt waar de wortels liggen van het antisemitisme van de Russische staat: ‘De nationale identiteit is het laatste houvast van de proletariërs. En ons identiteitsgevoel is nu eenmaal gebaseerd op haat, haat jegens degene die niet op ons lijkt. We moeten ervoor zorgen dat haat dé drijfveer van de burger wordt. […] Haat is de oerpassie. Liefde, dat is een abnormale toestand. […] Haat verwarmt het hart.’

    Ook Simonini’s antisemitisme is zwak gefundeerd; het is zijn grootvader die hem met de krankzinnigste vooroordelen over joden heeft vervuld, en op een gegeven moment verzucht hij (in een passage vol Ecologische ironie): ‘Ik begon er spijt van te krijgen dat ik in mijn leven nooit een jood had willen ontmoeten, want ik kwam er steeds meer achter dat mijn kennis van het object van mijn weerzin grote lacunes vertoonde.’ Het is een van de vele passages waarin Eco zich verkneukelt om de ongerijmdheid van het antisemitisme die misschien wel het belangrijkste thema van De begraafplaats van Praag is. Simonini haat eigenlijk iedereen, zoals hij in het ijzersterke begin van de roman in een lange monoloog duidelijk maakt: Fransen, vrouwen, jezuïeten, vrijmetselaars en bovenal de joden, al heeft hij baat van de adviezen van de ‘dokter Froïd’ die hij in Parijs tegen het lijf loopt.

    Voor Eco zijn De Protocollen van Zion de spectaculairste manifestatie van de paranoia die zijn inziens de 19de eeuw regeerde, en die alomtegenwoordig is in de romans van Dumas en Sue. Zoals Simonini opmerkt: ‘Ieder zijn eigen samenzwering. […] Omdat niemand ervan uitgaat dat zijn rampspoed toegeschreven kan worden aan zijn eigen onvermogen, zal hij een schuldige willen aanwijzen.’

    Everyone loves a conspiracy
    , schreef Dan Brown in The Da Vinci Code, het boek dat in veel opzichten een popularisering was van Eco’s tamelijk ingewikkelde samenzweringsroman De slinger van Foucault (1988). In De begraafplaats van Praag doet Eco een poging om het terrein van historisch- culturele thriller weer terug te veroveren op de Amerikaanse bestsellerschrijver. En passant geeft hij hem tussen de regels door nog een veeg uit de pan door Simonini tekeer te laten gaan tegen de 19de-eeuwse broodschrijvers die niets schreven ‘wat niet reeds elders was neergeschreven’ en mengelmoesjes wrochtten van ondergrondse culten en occulte wetenschappen.

    Maar is Eco geslaagd in zijn opzet? Heeft hij met De begraafplaats van Praag een boek geschreven dat zowel de Dan Brown- en de Dumaslezers als de liefhebbers van de intellectuele bibliothriller kan bekoren? Niet helemaal. Zijn roman is geestig, slim en goed geschreven, maar niet spannend. En hoewel je niet kunt ontkennen dat je flink wat opsteekt van de (verborgen) geschiedenis van de 19de eeuw, moet je tegelijkertijd erkennen dat Eco geen maat heeft kunnen houden. De roman wemelt van de namen, stromingen en ingewikkelde uitweidingen. In die mateloosheid lijkt Eco op Simonini – iets wat je des te gemakkelijker mag zeggen na het lezen van een zin als deze: ‘Ik heb wel eens gehoord dat alle grote vertellers altijd zichzelf beschrijven in hun personages.’

    Voor de liefhebbers van Eco is De begraafplaats van Praag onweerstaanbaar – door de plot (wie is toch die onbekende perverseling die de Protocollen schreef?), door de literair-historische verwijzingen (onder meer naar Joseph Conrads terroristenroman The Secret Agent) en door de humor (‘dysenterie verzekerd, voor een schappelijke prijs,’ schrijft Simonini over een slecht restaurant). Maar bij de lezer met minder geduld zal deze moderne versie van De geheimen van Parijs al snel half gelezen op de salontafel stranden. Commercieel gezien hoeft Dan Brown zich voorlopig geen zorgen te maken.

    Eco en de ‘protocollen’
    Het is de eerste keer dat Umberto Eco (Alessandria, 1932) een hele roman wijdt aan zijn geliefde 19de eeuw. Maar het is niet voor het eerst dat hij schrijft over zo zogenaamde Protocollen van Zion (1903). De antisemitische megavervalsing figureert in zijn roman De slinger van Foucault (1986) en komt ook uitgebreid voor in de verzameling literatuurwetenschappelijke essays die in het Nederlands zijn vertaald als Over literatuur (1994).

    Eco is sowieso dol op vervalsers en vervalsingen; ze spelen een belangrijke rol in De slinger van Foucault, in zijn meest autobiografische roman De mysterieuze vlam van koningin Loana (2004), en vooral in Baudolino (2000), dat onder andere gaat over reliekenvervalsing in de 12de eeuw.

    Freddy Rikken, NRC Boeken, 25 januari 2011

 

sponsors_logo_gasponsors_logo_harmoniesponsors_logo_vsbsponsors_logo_nlfsponsors_logo_ambassadesponsors_logo_snsdeevenaarschrijversacademie Schönfeld