Liekes Leeslijst #4: Dark Money

vierkant_tekst

Dark Money

Dark Money. The Hidden History of the Billionaires Behind the Rise of the Radical Right – Jane Mayer
Doubleday, 2016

As the houselights dimmed and the introductory country music faded to an expectant hush, four aging white men in dark business suits appeared from behind the curtains in a large auditorium and one by one took their turns at the lectern to prove that they were in fact, as the title of the program that day advertised, ‘the smartest guys in the room’.

Dit klinkt als de sterke openingszin van een licht-komische roman. In werkelijkheid is het een zin uit het non-fictieboek Dark Money van Jane Mayer, een boek waarin Mayer jarenlang onderzoek naar particuliere geldstromen in de VS verzamelt en haarfijn uiteenzet hoe de ‘democratie’ van de VS al decennialang onder invloed is van een select groepje miljardairs en multimiljonairs.

Het boek begint met een korte familiegeschiedenis van de Kochs, de meest beruchte miljardairsfamilie van het land. Vader Fred Koch, een oliemagnaat die zijn miljoenen bijeen harkte door zaken te doen met onder andere nazi-Duitsland en communistisch Rusland, liet zijn fortuin na aan zijn vier zoons Freddy, Charles, David en Bill. Van die vier zouden met name Charles en David (nadat ze Freddy en Bill via rechtszaken zoveel mogelijk uit het familiebedrijf hadden gewerkt) een grote rol gaan spelen in de Amerikaanse politiek.

Dit deden ze in eerste instantie door in de jaren ’90 een aantal rechtse/libertaire denktanks op te zetten. Deze denktanks hadden tot doel gedachtegoed te verspreiden dat Koch Industries uiteindelijk ten goede zou komen (denk aan: klimaatverandering bestaat niet, milieuregelgeving is slecht voor de economie, weg met rechten voor arbeiders). Grote bonus: al dit soort schenkingen aan universiteiten en particuliere stichtingen (die ze dus zelf hadden opgezet) waren fiscaal aftrekbaar omdat ze onder de noemer ‘filantropie’ vielen. Al snel werden de Kochs vergezeld door andere exorbitant rijke families, de families Scaife, Adelson en DeVos bijvoorbeeld – van wie Betsy DeVos vandaag de dag zitting heeft in het kabinet Trump. Daarnaast gingen ze nauwe samenwerkingsverbanden aan met o.a. ExxonMobil (voormalig CEO Rex Tillerson is nu minister van buitenlandse zaken).

Met de verkiezing van Obama tot president ontstond er een lichte paniek, en dus werd al bij de eerste mid-term elections van zijn presidentschap de portemonnee getrokken. Gevolg: Obama verliest zijn meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. Dit slechts enkele maanden nadat de Kochs hun grootste succes tot dan toe hebben geboekt: mede dankzij hun gelobby is de bovengrens van particuliere politieke donaties begin 2010 na een rechtszaak afgeschaft. Deze zaak, de Citizens United vs. Federal Election Committee bepaalde dat het uitgeven van je geld aan wie je maar wil vanaf dat moment valt onder ‘vrijheid van meningsuiting’. Vanaf dan kan het met geld strooien om ‘democratische’ verkiezingen te sturen pas echt beginnen. Bij de verkiezingen van 2016 hadden de Koch broers een een recordbudget van 889 miljoen (!) dollar, ongeveer evenveel als de Republikeinen en Democraten. Het slimme aan de Kochs is dat ze zo’n goed netwerk van particuliere stichtingen en denktanks hebben opgezet, dat je ze zelden in dit soort lijstjes van directe donoren terugvindt (zoals je ziet kunnen de Democraten er ook wat van). Dit is waarom Mayers boek Dark Money heet: politieke donaties zijn van alle tijden, maar de Kochs en aanverwanten hebben een netwerk gecreëerd dat hun geld en waar het naartoe gaat onzichtbaar maakt. Gevolg: een groep van pak ‘m beet tweehonderd mensen krijgt zo evenveel inspraak als miljoenen Amerikanen. Een ander gevolg is dat kandidaten en hun ideeën gekocht kunnen worden. Zo veranderde de Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney radicaal van standpunt op het gebied van klimaatverandering (van ‘It is occurring and I believe that human activity is a contributing factor’ naar ‘We don’t know what is causing climate change (…) President Obama promised to heal the planet. My promise is to heal you and your family.’)

Opvallend is dat Donald Trump zelf gezegd heeft dat mensen die zich door de Kochs laten betalen ‘puppets’ zijn (een van zijn weinige wijze uitspraken). Toch heeft hij zijn presidentschap rechtstreeks aan hen te danken – sinds de jaren ’80 is het electoraat door de Koch broers langzaam klaargestoomd voor Trumps extreem rechtse gedachtegoed. Een van de weinige dingen die de Kochs en door hen gesteunde presidentskandidaten in de weg zaten was dat ze het niet uit hun strot kregen dat ze ook iets wilden betekenen voor arme, ‘gewone’ Amerikanen – en dat was nou net waar Trump zijn campagne op voerde. Naast Trump, een gekke outsider, leken de andere Republikeinse kandidaten pas écht een voortzetting van de status quo. Alleen zo (en met een anti-immigratie agenda natuurlijk) kon een miljonair verkiezingen winnen die zogenaamd om de ‘gewone man’ draaiden.

Waarom een stukje op de site van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam over dit onderwerp, vraag je je af (en ook: is de SLAA een linkse denktank)? Gezien de recente gebeurtenissen in de VS (met name het nazi-protest in Charlottesville van afgelopen weekend) heb ik even helemaal geen zin om over literatuur te schrijven. Het zou me bovendien niets verbazen als we bovenstaande praktijken de komende jaren ook in Nederland in toenemende mate gaan zien (hoewel Mayers boek aantoont dat de democratie in de VS al jarenlang een grap is, nemen wij nog altijd alles wat uit de VS komt met enige vertraging klakkeloos over, nietwaar). Shell is in ieder geval al lekker bezig. Het lijkt me een uitstekend moment voor schrijvers – links en rechts – om zich in het publieke debat te mengen. Boeken als die van Jane Mayer kunnen daarbij helpen.

/////

Lieke Marsman is dichter en schrijver. In 2010 verscheen haar debuut Wat ik mezelf graag voorhoud, dat een jaar later onder meer de C. Buddingh’-prijs won. Haar tweede bundel De eerste letter verscheen in januari 2014. Haar debuutroman Het tegenovergestelde van een mens, over klimaatverandering en eenzaamheid, is deze maand verschenen.

Illustratie door de ongeëvenaarde: Ellis van der Does

The Lost Poets-post: Joost Oomen

20795075_1654969891210837_315932784_o

‘Ik bedenk dat het een even schitterend als verdrietig idee is om heel Vlieland af te boeken voor opnames van het autoprogramma Top Gear. De BBC die de campings, elk hotel en Rederij Doeksen uitkoopt om het eiland voor zichzelf te hebben. Snipverkouden cameramannen met te dunne windjacks aan filmen een felrode Ferrari die met brullende motor langs de branding raast. De achterbak vol met plastic tasjes van de SPAR. Geschrokken diertjes.

Het handzame formaat van het eiland leent zich sowieso erg goed voor het uitbroeden van wilde fantasieën. Het bedekken van Vlieland onder een dikke laag softijs. Het vermommen van de vuurtoren als Mariabeeld met een lontje. Of, voor mij de mooiste, de massahysterie op het eiland na het ontsnappen van een tijger.

Er wordt groot alarm geslagen door de verzorger die een lege kooi in het ruim van de boot aantreft. Wie durft er nog te gaan wandelen in de duinen? Kan een tijger door een tentdoek bijten? Serieuze boswachters met walkietalkies houden nauw contact met politievrouwen met verdovingsgeweren. Er is een stormloop op boottickets.

Een hysterisch huilende mama in witte driekwartsbroek wijst met bevende vinger het bos in. Wie fietst het gehuurde zijwielfietsje weer terug naar de verhuurder?

En laten we vooral aan de professionele, licht spottende toon van de nieuwslezeres denken, wanneer ze zegt ‘Op Vlieland is vandaag een tijger ontsnapt.”

///

Voor het programma The Lost Poets op Into The Great Wide Open 2017 worden zes schrijvers Vlielands eigen writers-in-residence. Hun opdracht is simpel: laat je inspireren door het Waddeneiland met de hoogste duintop en de op een na laagste bevolkingsdichtheid, die bijzondere plek die al sinds mensheugenis kunstenaars bezielt: laat je inspireren door het bijzondere Vlieland. De ontstane teksten worden tijdens Into The Great Wide Open 2017 op het eiland verborgen en kunnen desgewenst beluisterd worden.

Een van die zes writers-in-residence is Joost Oomen. Vorige week vertrok hij naar Vlie om zich te laten inspireren. We vroegen hem om een sneak preview van wat ons op ITGWO te wachten staat.

Joost Oomen is dichter. In 2013-2014 was hij stadsdichter van Groningen. De gedichten die hij tijdens zijn huisdichterschap van de Rijksuniversiteit Groningen schreef, werden gebundeld in Vliegenierswonen, een bundel die binnen een half jaar uitverkocht.

The Lost Poets is een programma van SLAA en ITGWO. Meer informatie via hier en hier.

Liekes Leeslijst #3: Onzekerheden die houvast bieden

vierkant_tekst

Onzekerheden die houvast bieden

Mijn vaderland, een appelpit. Een gesprek met Angelika Klammer - Herta Müller
Vertaling: Ria van Hengel, Uitgeverij De Geus, 2016

Dit boek, Mijn vaderland, een appelpit, las ik alweer een tijdje geleden, maar afgelopen week heb ik delen ervan herlezen omdat Herta Müller in dit uitgeschreven gesprek zulke mooie en belangrijke dingen zegt over taal en politiek, over de kracht van literatuur in tijden dat vrijheid onder druk staat. Müller, die opgroeide in het Roemenië van Ceauşescu, beschrijft onder andere de periode waarin ze tot in den treure getreiterd, achtervolgd en afgeluisterd werd door de geheime dienst van haar land. Zo komt ze op een dag thuis en merkt dat een deel van de vossenvacht die ze als kamerkleed gebruikt heel zorgvuldig is afgesneden. Een moment denkt ze dat ze gek is, misschien is de vacht afgescheurd, maar een paar weken later is het weer raak: opnieuw heeft iemand terwijl ze weg was een stuk van de vacht afgesneden en weer teruggelegd.

Ook in haar jeugd, wanneer Ceauşescu nog niet aan de macht is, speelt tirannie direct en indirect een vormende rol in Herta Müllers leven. Haar moeder is na de Tweede Wereldoorlog vijf jaar lang te werk gesteld in een Sovjetkamp en daar nogal beschadigd uit gekomen:

Vrouwen die zoals mijn moeder de deportatie hadden overleefd, waren uiteindelijk door hun kapsel en hun kleren duidelijk van de niet-gedeporteerden te onderscheiden: zij die altijd thuis waren gebleven omdat ze bij de deportatie nog te jong of al te oud waren, de niet-gedeporteerden dus, droegen een vlecht en een enkellange plooirok. En de gedeporteerden droegen kort haar en een korte jurk. Dat was een cesuur. (…) In het kamp werden de vrouwen vijf jaar lang kaalgeschoren, soms als straf, soms vanwege de luizen. En bij de dwangarbeid droegen ze dezelfde grove Russische kamppakken als de mannen. Geen van die vrouwen heeft daarna nog een vlecht laten groeien of een enkellange plooirok laten maken, dat zegt toch alles. De deportatie maakte een eind aan driehonderd jaar boerendracht, dat hoefde niemand te beslissen en dat kon ook niemand meer tegenhouden, dat ging helemaal vanzelf, door de ontsteltenis. Het was een harde, duidelijke consequentie, waarover nooit werd gepraat.

Deze passage maakte veel indruk op mij. Als de verschrikkingen van het Sovjetkamp in staat waren een eind te maken aan driehonderd jaar boerendracht, wat hebben ze dan nog meer veranderd? Elders in het boek vertelt Müller over de dingen waar men onder Ceauşescu niet meer over praatte – vanwege de censuur, maar misschien nog wel meer vanwege de met censuur hand in hand gaande zelfcensuur. Je gaat immers wel twee keer nadenken over wat je zegt als iemand heimelijk je huis in sluipt om je vossenkleed aan flarden te snijden, zelfs al is niet precies duidelijk wat diegene van je wil. En waar het veranderen van kledingstijl zichtbaar is, gaat het veranderen van taal onopgemerkt: de verandering bestaat uit het feit dat sommige dingen niet meer gezegd worden en uit de taal verdwijnen. Angst vervormt de taal doordat ze de werkelijkheid onuitspreekbaar maakt. Dictators weten: hoe groter de trauma’s die we veroorzaken, hoe minder mensen over onze daden zullen willen praten. Op den duur neemt de zelfcensuur het werk van de wettelijke censuur zelfs over. Zelfcensuur is bovendien de hardnekkigste vorm van censuur: bijna dertig jaar na de val van Ceauşescu’s regime werkt de intimidatie nog altijd door in Müllers werk. Ook al schrijft ze nu over de verschrikkingen, haar taal is voorgoed veranderd.

‘Censuur!’ hoorde ik iemand roepen toen van de week bekend werd gemaakt dat de NS voortaan geen ‘dames en heren’ meer zou gebruiken in de trein (dit is inderdaad een grote gedachtesprong, maar ik wil hem toch maken, want ik word een beetje moe van mensen die te pas en te onpas het woord ‘censuur!’ een discussie in slepen – zie ook de discussie omtrent het afschaffen van Zwarte Piet). Wie zoiets roept, moet zich afvragen of het verdwijnen van de woorden ‘dames en heren’ betekent dat het gevaarlijker is geworden voor dames en heren in de trein. Is dit niet het geval (ik verklap alvast: dit is niet het geval), dan is er van censuur geen sprake, omdat er geen sprake zal zijn van zelfcensuur.

Voor wie wel reden heeft tot bang zijn is er, schrale troost misschien, in ieder geval nog de literatuur als veilige plek. Literatuur is namelijk de taal van de mogelijkheden – en die mogelijkheden bieden gek genoeg houvast. Of zoals Müller zegt:

Ik wilde helemaal geen literatuur schrijven, ik wilde houvast vinden. Bij het lezen van boeken dacht ik altijd, de mooie zinnen, die meer zijn dan de inhoud van hun woorden, weten, zolang je je blik erop gevestigd houdt, hoe het leven in elkaar zit. (…) Ook de zinnen die ik zelf schreef konden meer over mij en het dorp en die zwijgende kindertijd zeggen dan mijn mond bij het spreken. En dat verschil lokte mij en maakte me bang tegelijk. Dat verschil leidde tot iets wat ik niet kon voorzien. Wat ik niet snapte doorzagen de zinnen, misschien wel omdat ik woorden moest vinden die noch mij noch zichzelf kenden en meer konden uitdrukken dan mondeling gezegd kon worden. Dat juist het onzekere bij het schrijven waarheid afdwingt die overeenkomt met de werkelijkheid omdat ze daar niet bij blijft staan, omdat ze er boven uitstijgt – dat gaf mij houvast.

/////

Lieke Marsman is dichter en schrijver. In 2010 verscheen haar debuut Wat ik mezelf graag voorhoud, dat een jaar later onder meer de C. Buddingh’-prijs won. Haar tweede bundel De eerste letter verscheen in januari 2014. Haar debuutroman Het tegenovergestelde van een mens, over klimaatverandering en eenzaamheid, is deze maand verschenen.

Illustratie door de ongeëvenaarde: Ellis van der Does

Liekes Leeslijst #2: Twee Manieren Van Honger Hebben Die Er Voor Zorgden Dat Je Op Dit Artikel Klikte

vierkant_tekst

Twee Manieren Van Honger Hebben Die Er Voor Zorgden Dat Je Op Dit Artikel Klikte

Zwemmen in de oceaan (berichten uit een postdigitale wereld) – Miriam Rasch, essays, De Bezige Bij, 2017

Twee weken geleden schreef ik hier dat ik deze zomer eindelijk weer fictie (waarmee ik bedoelde alleen maar fictie) zou lezen, maar de afgelopen week ging ik al meteen in de ‘fout’ door de essaybundel Zwemmen in de oceaan (berichten uit een postdigitale wereld) van Miriam Rasch te lezen. Nu gaat deze essaybundel onder andere over het fenomeen reality hunger, een afkeer van fictie/een verlangen naar echtheid in een wereld die van zichzelf steeds onechter wordt – dus ik vind dat ik dit boek hier toch mag bespreken. Als ik zeg bespreken bedoel ik trouwens niet recenseren – dit in verband met een andere belofte aan mezelf, de belofte nooit recensies te zullen schrijven, in ieder geval niet over naaste collega’s.

Allereerst is het goed om op te merken dat de postdigitale wereld niet een wereld na het digitale tijdperk is (zoals het woord misschien doet vermoeden), maar een wereld waarin het digitale volledig geïntegreerd is. Zei je vroeger misschien ‘ik ga even het internet op’ – nu bén je altijd al op het internet. Internet bepaalt de route naar je vakantiebestemming, je koopt er kleding en eten, bediscussieert er series die je op Netflix gezien hebt met mensen in Amerika die de series ook gezien hebben. Ik weet nog hoe bijzonder ik het nog geen tien jaar geleden vond als ik contact had gehad met iemand aan de andere kant van de wereld (vroegen mijn ouders bij het avondeten wat ik die middag gedaan had, antwoordde ik heel casual: ‘Ach, over bootlegs gepraat met iemand uit Singapore. Jullie?’). Tegenwoordig vind ik het bijzonder als ik contact heb gehad met iemand aan de andere kant van de straat.

In een van de essays beschrijft Rasch hoe internet onze levens transparanter heeft gemaakt. Daarmee doelt ze op de immer toenemende hoeveelheid livestreams, video’s, foto’s – en het feit dat ze altijd en voor iedereen beschikbaar zullen blijven. Internet weet alles over ons en daardoor weten wij alles over elkaar. Het geeft ons bovendien een beeld van onszelf: Facebook kiest herinneringen voor ons uit (‘Weet je nog op deze dag 5 jaar geleden?’) en selecteert reclames op basis van onze statusupdates. Iedereen kijkt mee.

Maar vollédige transparantie is onmogelijk, stelt Rasch in lijn met de filosoof Byung-Chul Han, omdat we niet eens voor onszélf transparant zijn. Volledige transparantie ontneemt ons bovendien de kans geheimen te hebben – niet alleen voor elkaar, ook voor onszelf. Facebook weet misschien dingen over mij die ik zelf nog niet weet, maar het weet ook heel veel níet. Ik herinner me (zonder behulp van Facebook) dat ik Hans essay De transparante samenleving ooit las en geraakt was door zijn constatering dat de toenemende transparantie die het internet veroorzaakt vertrouwen in gevaar brengt. In een wereld die volledig transparant is, is vertrouwen immers overbodig geworden. Ik hoef je niet te vertrouwen, want ik kijk over je schouder mee. En tegelijkertijd is bouwen op dat wat belooft transparant te zijn per definitie een kwestie van vertrouwen (van het naïeve soort welteverstaan), aangezien volledige transparantie onmogelijk is. We vertrouwen blind op dat wat zich als transparant presenteert – maar het woord zegt het al, meer dan presentatie is het niet. Jij doet alsof ik mee mag kijken met jouw leven, echt, rauw – terwijl iedereen weet dat je alleen het hoogtepunt van je dag op je Instagram-account hebt geplaatst.

Ik haal hier Instagram aan, omdat het lezen van Zwemmen in de oceaan toevallig gepaard ging met een kleine opleving van mijn Instagram-bestaan. Instagram is een van de vele apps die een beroep doen op onze reality hunger, honger naar echtheid tussen alle photoshopbeelden, gelikte reclames en Netflix-series door. Miriam Rasch haalt in dit verband de filosoof David Shields aan: ‘We willen tegenover alle namaak iets non-fictioneels zetten: autobiografische sensaties, geregistreerde, gefilmde, gestolen momenten die met hun schijnbare spontaniteit in elk geval een kans bieden om door de wirwar heen te breken.’

Autobiografische sensaties, dat is waar Instagram om draait. En tegelijkertijd is Instagram één grote tekortkoming op dit gebied, omdat het slechts bestaat uit momentopnames. Onze autobiografie bestaat volgens mij bij de gratie van tijd, krijgt in ieder geval pas in de tijd betekenis. Achter de foto’s en filmpjes waar ik wezenloos doorheen scroll, zitten dagen, jaren – en ik krijg een context- en betekenisloos aftreksel gevat in een vierkant. Toegegeven, even vond ik het leuk om een inkijkje te krijgen in de levens van vrienden en kennissen, maar hoewel ik mijn vrienden zag zoals ze zijn (knap en gevat), zeiden de foto’s en filmpjes me heel weinig. Leek mijn vriend die glimlachend uitkeek over een Thaise zonsondergang zo gelukkig omdat hij toe was aan vakantie, omdat hij een oogje had op de barvrouw, of omdat hij een selfie nam? Was de poes van mijn vriendin echt een klootzak of pleegde ze met het filmpje van een blazende Poekie karaktermoord?

‘Slechts kijken, verder niets,’ noemt Rasch het voorbijrollen van beelden zonder context, beelden die niet om een reactie vragen, en zij houdt ervan. Ik niet. Ik ben erachter gekomen dat ik bij nader inzien helemaal niet aan reality hunger lijd, maar aan information hunger. Want als ik toch nog even de recensent uit mag hangen: ik geef Instagram 1 ster – en ja, ik begrijp dat ik daarmee eigenlijk mijn eigen leven 1 ster geef. De listicles die Rasch in Zwemmen in de oceaan beschrijft (listicles houden het midden tussen articles en lists, denk: 19 Dogs Who Are So Gigantic You Won’t Believe They Are Real, 17 Videos That Prove Kids Are Basically Just Drunk Adults) zijn dan ook veel meer aan mij besteed. Listicles suggereren informatie. Zinloze informatie, maar informatie. Ik sluit Instagram af en klik op de Gigantische Honden.

/////

Lieke Marsman is dichter en schrijver. In 2010 verscheen haar debuut Wat ik mezelf graag voorhoud, dat een jaar later onder meer de C. Buddingh’-prijs won. Haar tweede bundel De eerste letterverscheen in januari 2014. Haar debuutroman Het tegenovergestelde van een mens, over klimaatverandering en eenzaamheid, is deze maand verschenen.

Illustratie door de ongeëvenaarde: Ellis van der Does

de poëziepodcast van daan doesborgh #7

 

DPP_ICOON-02header

Halverwege een zin over de functionele rol van opmaak in zijn gedicht valt Martijn den Ouden ineens stil. Er klinkt een luid geschraap. Een graafmachine doet iets voor het raam, de muur uitbreken, lijkt het wel. Zo ver komt het gelukkig niet, en de opnames kunnen doorgaan. Ik heb het erin gelaten, anders vraagt iedereen zich toch maar af wat dat graafmachineachtige gezoem is dat op de achtergrond nog een minuut of vijf aanhoudt.

Het past wel bij de poëzie van Martijn, waarin ook altijd onverwachte gebeurtenissen en ontregeling op de loer liggen. Alleen al de titels van zijn laatste twee bundels zijn intrigerende mysteries: De beloofde dinsdag en Een kogelvrije zomer. Het is excentrieke poëzie, die even goed kan ontroeren als ontregelen, een kwalificatie die denk ik wel verraadt dat we na K. Schippers vorige maand nog even blijven hangen in het fonds van uitgeverij Querido.

Lees meer ›

Terugkomen – Maartje Wortel

SLAAstoriesMaartjeWortelTerugkomen

 

Jij kunt niet tegen stilte, zei ze.

Ze had haar hand op mijn hand gelegd. We zaten op een bankje aan de kade. We hadden elkaar al een tijd niet gezien. Ik keek naar het water en wilde mijn hand terugtrekken, toch liet ik hem liggen op het hout, haar hand bovenop de mijne.

Ik dacht: Ik kan wel tegen stilte. Ik kan alleen niet tegen deze stilte. Onze stilte.

Ik voelde haar hart kloppen in mijn hand. En dat zei ik tegen haar. Ik zei: Ik voel je hart.

Misschien is het je eigen hart, zei ze.

Misschien maakt het weinig uit, zei ik.

Ze pakte mijn hand iets steviger vast en zei: Jawel. Dat maakt dus wel uit. Mijn hart is het jouwe niet.

Ik snapte wat ze wilde zeggen, dat ze het voor mij zei, dat ik beter voor mezelf moest leren zorgen: iets met luisteren en vertrouwen en dat soort dingen, ik had het al zo vaak gehoord, de goede bedoelingen, maar haar woorden kwamen hard aan, als een definitief afscheid. Ik had moeten opstaan, maar ik bleef naast haar zitten. Tot zij zei: (hoe kon het ook anders?) Ik moet nu gaan. Iedereen moest altijd gaan.

Toen ik thuiskwam en met mijn jas aan op de bank ging zitten om te wachten tot het licht werd, dacht ik: Ik moet degene zijn. Ik bedoel: laat ik eens gaan. Ook al zag ik daar het nut niet van in. Dingen hoeven niet altijd nut te hebben, soms gaat het simpelweg om de actie. Ik moest ergens naartoe zonder dat er een vroegtijdige terugkeer mogelijk zou zijn. Ik keer altijd terug. Ik weet niet eens waarnaartoe. Ik denk dat ik thuis op iemand wacht, tot er iemand is die mij komt vertellen dat de stilte voorbij is.

Dus klapte ik mijn laptop open en boekte ik een reis op zee, met een cruiseschip zo groot als een flatgebouw. Zo kon ik onderweg zijn en tegelijkertijd denken dat ik me op een vaste plek bevond. De website feliciteerde me met mijn keuze. Ik bleef heel lang naar het woord gefeliciteerd kijken, het is een woord dat je aan iemand anders geeft, dat is de eigenschap van sommige woorden, dat het een gift is, en ik huilde plotseling een beetje, want al heel lang had niemand me zulke woorden gegeven.

Een week later liep ik via een loopbrug een schip op. Mijn rugzak plakte aan mijn rug. Ik werd opgewacht door twee vrouwen in witte pakjes. Ze hadden zich mooi opgemaakt, ze wensten me een goede reis. Ik keek naar de grond en liep door de lange gangen van het schip. In mijn hut viel ik onmiddellijk in slaap. Ik weet niet na hoeveel uur ik wakker werd, maar mijn mond was droog en we waren al op de open zee. Ik keek door het raam naar de golven. Ik keek door het raam naar de horizon, naar het niets dat voor me lag. Ik schoof het gordijn dicht en probeerde me voor te stellen dat ik thuis, niet ver van haar, in een flatgebouw zat. Te wachten. Ik wilde haar bewijzen dat ik tegen de stilte kon. Maar ik had alleen mezelf iets te bewijzen. Pas dan kon ik terug.

247180-02_ANNEGIENVANDOORN_COSTA_MEDITERRANEA-65a32f-original-1494848047 247184-06_ANNEGIENVANDOORN_COSTA_MEDITERRANEA-af4f4f-original-1494848053

//

Maartje Wortel (1982) werd van de School voor Journalistiek gestuurd omdat ze te veel verzon. Voor haar debuut Dit is jouw huis ontving ze de Anton Wachterprijs en haar roman IJstijd won de BNG Literatuurprijs. De verhalenbundel Er moet iets gebeuren verscheen in 2015. Haar nieuwste boek, Goudvissen en beton, is volgens haar uitgeverij ‘een oneindig verhaal, een duizelingwekkende ballade, een pamflettistische overpeinzing, een holistische keten’.

Dit verhaal is geschreven n.a.v. de expositie Costa Mediterranea van Annegien van Doorn. Annegien van Doorn stapte met haar fotocamera op het cruiseschip Costa Mediterranea. Meedeinend op de golven vond ze zichzelf in een parallel universum boordevol Romeinse kolommen, gouden piramides, personeel en slechts een kleine cabine waar ze zich in privacy kon terugtrekken. In deze raamloze cabine fotografeerde ze door haarzelf gecreëerde taferelen. Samen geven de foto’s de (sur)realiteit weer van het leven aan boord van een cruise. Van 24 juni t/m 30 juli in Melkweg Expo.

Liekes Leeslijst #1: Een goedhartig wolkje

vierkant_tekst

Een goedhartig wolkje

Chelsea Girls - Eileen Myles, Black Sparrow Press, 1994
Vertaling: Evi Hoste en Anniek Kool, Lebowski Publishers, 2017

Wat is er leuker dan een boek schrijven? – Nou, een boek lezen, soms. Maar boeken lezen terwijl je een boek schrijft – dat kan ongemakkelijk zijn. Want wat als het boek dat ik lees oneindig veel beter is dan het boek dat ik schrijf? En wat als het boek dat ik schrijf onbewust veel gaat lijken op het boek dat ik lees en ik een miljoenen-rechtszaak aan mijn broek krijg wegens plagiaat? — Dit soort gedachten schoten het afgelopen jaar, terwijl ik aan mijn debuutroman Het tegenovergestelde van een mens werkte, veelvuldig door mijn hoofd, en dus las ik helemaal maar geen fictie meer.

Dat boek is nu gelukkig af en er ligt een hoge stapel naast mijn bed! Volgende probleem: soms wil je graag lezen, maar het lukt niet, je kunt je niet concentreren. Boek na boek pak je van je te-lezen stapel en leg je na een bladzijde of 10 weer weg. Dat ligt niet aan het boek, dat ligt aan jou. Vervelend, want dat je wil lezen staat vast. En toen kreeg ik afgelopen week de onlangs verschenen vertaling van Chelsea Girls van Eileen Myles in handen. Al snel bleek dat dit boek net zo snel van de hak op de tak sprong als mijn gedachten de laatste tijd, en dus was het het eerste boek in weken dat ik kon bijbenen.

Christine was een emotionele tiran. Zij en ik hadden een paar jaar samengewoond in New York, voor ze naar Maine ging, en ik moest de mechanismen van haar en Judy’s relatie zien om te beseffen hoe veeleisend en onmogelijk ze was. Zelf was ik een goedhartig wolkje, dat langs zweefde en spullen stal, en wachtte op lof. Ik kwam er maar niet achter waarom er altijd iets leek te missen in mijn leven. Ik zat bij jou op de bank, of we dronken jouw whisky in mijn appartement. Laten we naar buiten gaan, zei ik. Heb jij geld. Ik ben blut vanavond. Het spijt me echt. 

Om eerlijk te zijn: in eerste instantie vond ik Eileen nogal irritant. Ze leek me het type dat ik op feestjes ogenrollend en zuchtend ontloop: iemand die luidruchtig opschept over welke verdovende middelen ze allemaal wanneer tot zich heeft genomen (bij Jack Kerouac trok ik dat ook heel slecht) en aan het eind van de avond kotsend in een hoekje ligt. Waarom? zucht ik. Wat mist er in jouw leven?

En dan kom je er langzaamaan achter waarom. In Chelsea Girls beschrijft Eileen Myles in niet-chronologische volgorde belangrijke en onbelangrijke gebeurtenissen uit haar leven. Allerlei relaties en verliefdheden, baantjes, haar zus, haar jeugd, een verkrachting,  een hondje, New York in de jaren 70 en 80, het alcoholisme van haar vader. Uiteindelijk zijn de onbelangrijke gebeurtenissen misschien wel vormender dan de belangrijke. Onder het mom van liefde gaat ze op zoek naar bevestiging. Wat er mist in Eileens leven is een veilige jeugd of iemand die niet met haar omgaat voor seks of een hand pillen.

Ze staarden naar me alsof ik een geest of een clown was. Dat was ik niet. Ik was hun vriendin. Het voelde alsof hij me had uitgenodigd om me te vernederen. Ik gaf hem de pillen. Hij gaf me vijf dollar. Het was een zakelijke uitwisseling. Als het eind van iemands jeugd een dun plakje kaas is, dan at ik mijn plakje op terwijl ik in die kamer stond. Ik was daar omdat ik honger had. Meer niet.

Het enige wat Eileen houvast geeft is schrijven – schrijven om zeker te weten wat er gebeurt. Pas als het er staat, is het geen leugen, zegt ze ergens. Uit eigen ervaring weet ik hoe schrijven daarnaast afstand schept van dingen die je niet onder ogen kan zien, de afstand die nodig is om ze toch onder ogen te zien en belangrijker: naar je hand te zetten. Nog later in het boek maakt het waarom me niet zoveel meer uit. De 28 korte hoofdstukken zijn korte verhalen, maar eindigen bijna allemaal in stroomversnellingen die ze de kracht van gedichten geven. De combinatie van medelijden en Eileens haarscherpe schrijfstijl maakt dat ik zo nu en dan bijna moet huilen.

Ik ben echt stapelgek op haar nu ze vertrekt en met iedere seconde is ze mooier en mooier kijk naar haar ogen helemaal groen en goudbruin en gigantisch en die wereldschokkende wimpers. Er hangen er twee tussen haar neus en haar ogen gewoon te hangen en weet je hoe mensen die echt van je houden of je irritant vinden altijd naar je toe komen om iets van je af te plukken. Ik kan haar niet eens vertellen dat ik die twee wimpers leuk vind precies zoals ze daar hangen. Haar hele wezen verlaat het pand. Eileens hele wezen ligt op de bank en kijkt tv, wachtend tot ze ons afsluiten.

Op andere momenten leeft Eileen Myles trouwens het dichtersleven waarvan ik soms droom maar dat ik niet heb: alle dagen drank, drugs, vrouwen en een feest in NYC. Op de een of andere manier heb ik deze droom vooral (alleen) in de zomer, wanneer de dagen lang en saai zijn, en ik me net zo verveel als Eileen in grote delen van Chelsea Girls. Omdat ik ook een dichter ben, heb ik ook recht op een tumultueus leven binnen mijn saaie leven, vind ik. Maar ja. Ik ben niet meer dan een goedhartig wolkje, dat langszweeft en deze zomer stukjes over boeken voor de SLAA schrijft, en wacht op lof.

/////

Lieke Marsman is dichter en schrijver. In 2010 verscheen haar debuut Wat ik mezelf graag voorhoud, dat een jaar later onder meer de C. Buddingh’-prijs won. Haar tweede bundel De eerste letter verscheen in januari 2014. Haar debuutroman Het tegenovergestelde van een mens, over klimaatverandering en eenzaamheid, is deze maand verschenen.

Illustratie door de ongeëvenaarde: Ellis van der Does

Stadsgedicht

Naam en adres

Mensen die sneuvelen in mei 1940 of dan zelf
al niet meer willen leven, joden, onderduikers,
verzetsmensen, hun namen en adressen vereeuwigd
op een muur bij het Roelof Hartplein. Ze wonen
in huizen van een coöperatie:

de Samenwerking. Toen ik werd geboren, leefden
ze nog allemaal. In de Van Baerlestraat sta ik op
een tramhalte, aai van een voorbijganger zonder
naam, zijn jas langs mijn wang, hoog boven mij.
Mijn vader neemt mij mee

naar een vriend in het Nieuwe Huis. Wat gaan we
voor hem kopen? In een bloemenwinkel hangt
een schilderij van rozen, mijn vader lacht, maar
koopt geen bloemen. In een andere winkel ruikt
het naar gebak. De mensen achter

of voor ons kennen de verkoopsters al zo lang,
dat hoor je aan de grapjes, wij komen uit West.
In het Nieuwe Huis ruikt het deftig en wat zijn
de trappen er breed. Later loop ik in de geul
van een fietsenstalling, je wacht

zo langzaam in het postkantoor. Lopen we door
de Banstraat naar de Bronckhorst, waar iemand
naar buiten komt. In de Cornelis van der Linden
bedaarde bewegingen, aan de overkant achter
het raam. De bordjes op elke deur

zijn van email en daarop is een naam geschilderd
in het zwart, soms in het blauw, E. van Witsen,
M. de Vries, B. de Vries-Troetel, E. Hovenman-
de Vries, M. Joosten, J. Sondervan, G. Sondervan-
de Jong, S. van Raalte-Simons,

namen van mensen die je tegenkomt op straat.
Weet dan nog niet dat je beter geen huisnummer
kunt hebben, geen naam, geen lettervolgorde in
de vorm van een adres of een gezinsgrootte.
Daniël de Lange, Frans van Mieris,

Gerard Terborg, als ik er met mijn vader loop
kan ik iedereen nog tegenkomen. Jacob Obrecht,
Hobbema, Reijnier Vinkeles, september 1944, geen
elektra, worden er witte nummers op elk huis
gekalkt, lijn 24, bijna iedereen

is dan al weg. Misschien kun je beter nergens
wonen, een jongen met zijn vader tussen de
voorbijgangers. Toevallige aanrakingen in
de tijd dat ik nog niet weet waarom ik ergens
loop. Iedereen is er nog. Roelof Hart,

J.M. Coenen, Nicolaas Maes, een meisje pakt
haar sleutel, een vrouw komt uit een hoeden
winkel, ‘Wat is dat voor groen?’ vraag ik.
‘Dat is nou jade,’ zegt vader, ‘niet te
groen, niet te opvallend, niet te

doorschijnend,’ heb ik in mijn tas een lijst
met adressen, toevalligheidsplekken, geen
enkel systeem, peper op rijst gestrooid,
huizen zonder betekenis. Het recht om niet

opgemerkt te worden, krijgt
elke voorbijganger een naam, een adres, heeft
hij naar me geknikt, stop, wat floten ze toen
nog veel op straat, stop, niet naar anderen
kijken, er is niets te zien, stop, en stop,
naam en adres, stop, stop.

Foto bij Naam en adres

de poëziepodcast van daan doesborgh #6

Het is een onrustige vrijdagochtend in Splendor. Het Holland Festival is in volle gang, in de kleine zaal repeteert een ensemble, in de grote zaal repeteert een ensemble dus ik ga met K. Schippers, mijn gast van deze maand, op zolder zitten.

Lees meer ›

de poëziepodcast van daan doesborgh #5

Terwijl ik mijn apparatuur opstel op mijn vaste tafeltje in de kleine zaal, zit Ellen Deckwitz achter de forse zwarte Bösendorfer. Ze draagt een gedicht voor en begeleidt zichzelf met wervelende pianoklanken. Jammer voor de luisteraars van de Poëziepodcast, maar het opnameapparaat stond nog niet aan, dus deze performance is voorgoed in tijd en ruimte verloren gegaan. Gelukkig moest ons gesprek toen nog beginnen, dus dat staat er wel op.

Lees meer ›