Het scheppingsverhaal: Adriaan van Dis

Datum
04/12/2007
8:00 pm

Location
De Balie

‘Mulder wandelde met zijn hond en stond stil onder het lichtgroene dak van een tot parasol gesnoeide plataan. Wat met de mensen niet lukte, leefde de stad uit op haar parken. De voorstad mocht branden, op het gazon werd niet gelopen.’ Adriaan van Dis, een wandelaar in Parijs.

‘Ik hou zo van de uitgesleten paden dwars door de dadelbossen en de leemdorpen waarvan ik de naam niet weet en die op geen kaart te vinden zijn. En overal krijg ik een bed, een bord bonen, thee, veel thee en dadels. Ik moet naast de notabelen van het dorpsplein zitten, de handen van spelende kinderen schudden, en ik leg nu al net als zij na elke groet mijn hand op mijn hart. Jaren zou ik na zo kunnen reizen. Gelukkig tussen de dadelpalmen.’ In Leeftocht (november 2007, non-fictie) reizen we met Van Dis mee als student, als verslaggever voor een dagblad, als een betrokken getuige van zijn tijd. Uit de stukken in Leeftocht blijkt dat Van Dis aan een sluitend oeuvre werkt, met thema’s die in al zijn romans en reisverhalen terug te vinden zijn.

In het verhaal ‘Een waarze sat’ (1997)- te lezen als ‘Een zware tas’ – schrijft Van Dis: “Taal was mijn grootste struikelblok.” Van jongs af aan heeft Van Dis door zijn dyslexie problemen met schrijven gehad. Hij heeft als kreupele speller dan ook veel baat bij het spellingsprogramma op de computer. Als schrijver hecht hij aan een rituele ordening. “Om te schrijven moet je leven zo overzichtelijk zijn als het vlak van je schrijftafel, om met Flaubert te spreken. Het grote leven ga ik nu aan op papier.’

Adriaan van Dis vertelt in Het scheppingsverhaal over de geheimen van het schrijversvak: de compositie, stijl, thematiek, de critici, dagindeling en werkwijze. Daarna gaat Marja Pruis met Van Dis in gesprek.