Scheppingsverhaal – Gustaaf Peek

Datum
11/02/2009
8:00 pm

Location
De Balie

‘Zuster Irma Waskowsky helpt bij de bevalling:
Het gekrijs stokte, alsof het kind zich verslikte, de open mond ging over in gapen. De vlezige ogen verlieten hun geschrokken prooi en werden verbaasd en nieuwsgierig. Hij was zoals zijn moeder, vermoeid en afwezig.
Ze hield Anna niet meer vast. Het kind liet ze de nieuwe moeder. Ze schoof van het bed. Haar rechtervoet gleed uit. Ze keek naar de vloer. Haar voetstappen waren stempels in bloed. Ze hield een hand voor haar mond. De Doktor keek vermanend naar haar, schudde zijn hoofd. Ze zocht naar een automatisme in zichzelf.
- Hoe… hoe gaat u hem noemen, Doktor Immendorff?
- Anna gaat hem een naam geven.’ (Armin, p 48).

In Armin (2006), de debuutroman van Gustaaf Peek, staat het onderwerp familie centraal. De hoofdpersonages hebben allemaal geen echte familie, een gegeven dat Gustaaf Peek op een fascinerende manier uitwerkt. Ook in zijn tweede roman, Dover (2008), blijft Peek stilistisch sterk en houdt hij zijn veelgeprezen sobere poëtische stijl aan.

‘Iets had de straat schoongeveegd. Links en rechts zag hij geblakerde daken, huizen met zwarte krassen, gaten. Hij was al wakker, dat was het niet. Licht scheen door het raam op zijn lichaam. Maar de straat was weer verlaten en de huizen lokten hem met hun zwarte monden. Hij was op zoek naar de plek. Ze hadden haar weer weggehaald. Ze had hier ergens gelegen. Hij had haar naam geroepen ook al wist hij dat ze niet zou reageren, maar hij had geroepen en ze hadden hem op de wagen gehesen. Ze was weg. Hij wist niet wie haar had meegenomen. Geklop op de deur. Zijn kamer. Zijn lichaam bewoog in het zonlicht. Zijn hete dekens lieten hem los.’

Na de introductie van Marja Pruis vertelt Gustaaf Peek hoe zijn romans tot stand komen, hoe een dag van een schrijver eruitziet, hoe hij zijn thema’s kiest en hoe belangrijk stijl voor hem is. Marja Pruis gaat met hem in gesprek over zijn werk(wijze), waarbij er ruimte zal zijn voor vragen uit het publiek.