Zichtlijnen – Moderne Deense literatuur: psychologische spanning

Datum
22/09/2006
8:00 pm

Location
De Balie

Ditmaal vragen wij uw aandacht voor drie meesterlijke verhalenvertellers, die als geen ander in staat zijn om zeer realistische en psychologisch boeiende personages te creëren.
Geheel conform de literaire tijdgeest begon Helle Helle (1965) haar auteurschap met het schrijven van een aantal kleine prozaboekjes. Al meteen bij het fragmentarische en zelfreflecterende debuutboek Eksempel på liv (Voorbeeld van leven, 1993) geeft ze blijk van een superieur gevoel voor stijl en van een onmiskenbaar eigen geluid. Haar artistieke ontwikkeling wordt gekenmerkt door een extreme nuchterheid en een bedrieglijke eenvoud in haar taalgebruik. Het onvermogen van mensen om een gevoelsmatige relatie met elkaar aan te gaan loopt als een thematische rode draad door haar prozateksten. Bovendien hebben de meeste personages een onduidelijke relatie met hun verleden. Helle Helle beschikt over het zeldzame vermogen om een stukje werkelijkheid af te zonderen, het onder een taalmicroscoop te leggen en met grote artistieke precisie te beschrijven wat ze ziet. Ze is als een kieskeurige literaire kok die uitsluitend gebruikmaakt van de beste ingrediënten en afziet van de gebruikelijke culinaire opsmuk. Helle Helle is slow food voor de literaire fijnproever.
Het oeuvre van Christian Jungersen (1962) telt twee romans, Krat (1999; Kreupelhout, 2003) en Undtagelsen (2004; De uitzondering, 2006), waarmee hij al een duidelijk spoor in de Deense literatuur heeft achtergelaten. Beide boeken zijn volumineuze  psychologische spanningsromans van een hoog literair gehalte, waarin karakterschetsen en milieubeschrijvingen net zo zwaar wegen als de plot van het verhaal. Die mengeling van thriller en realisme heeft van Jungersen een van de meest verkochte en door de critici geprezen schrijvers in Denemarken gemaakt. Jungersen onderzoekt in zijn boeken de ethische dilemma’s die ontstaan in de ontmoeting tussen mensen, wanneer de wereld niet zwart-wit is maar uit een ingewikkeld net van tegenstrijdige perspectieven bestaat. Jungersens stijl is precies en punctueel, en bijzonder geslaagd is de manier waarop hij met de plot omgaat. De bladzijden in zijn boeken onthullen precies zoveel informatie dat de lezer ze met grote snelheid omslaat, zonder dat de afloop zich laat raden. Het is een talent dat in alle talen vertaalbaar is, en met de publicatie van Undtagelsen in veertien landen zijn Jungersens boeken een nieuwe weg ingeslagen: die van de wereldliteratuur.
Het schrijverschap van Ida Jessen (1964) begint in 1989 met novellen. Ze legt bij alles wat ze schrijft een trefzekere accuratesse aan de dag in de schildering van het spel tussen mensen. Tegelijkertijd wordt er over de schokkendste toestanden van verlies en verdriet verteld. Ida Jessens personages dragen geheimen en irrationele krachten met zich mee, die zich slechts gedeeltelijk laten interpreteren. Ze lijken allemaal op mensen die we kennen – of op onszelf. Met de romans Vandpaladset (1989; Het waterpaleis, 2001) en Sommertid (Zomertijd, 1999) heeft ze zich ontpopt als psychologisch realist met het vermogen om mensen te schilderen in kwetsbare posities. Den der lyver (2001; Leugenaars, 2003) vertelt over een dokter, die een huisartspraktijk koopt in een Juts dorp en veel te laat ontdekt dat achter de landelijke idylle het geïnfecteerde patroon schuilgaat van roddel, criminele handelingen en emotionele armoede. Haar proza heeft een grote reikwijdte, ook in de vorm van overschrijdende fantastiek zoals in Foxy Lady (2003). Maar het is haar psychologisch-realistische mensenschildering, die haar als een bijzondere stem in de nieuwere Deense literatuur plaatst.
Na hun afzonderlijke bijdragen gaan de auteurs met elkaar en hun vertalers (Kor de Vries, Edith Koenders en Gerard Kruisman) in gesprek onder leiding van Henk van der Liet.
Voertaal: Engels